Conclusie
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1a– houdt in dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv Pro), omdat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 ten onrechte niet zijn geïnformeerd over de procedure, niet in de gelegenheid zijn gesteld om een verweerschrift in te dienen en niet zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023. Voor zover het hof dit verzuim heeft willen herstellen door verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de gelegenheid te stellen om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023, is dat volgens het middel niet afdoende. Voorts bevat het middel –
subonderdelen 1b en 1c– motiveringsklachten met betrekking tot (i) het hiervoor gestelde verzuim in het kader van de procedure in hoger beroep, (ii) rov. 2.4 van de bestreden beschikking waar het hof overweegt dat pas ter zitting in hoger beroep bekend is geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft (verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3), en (iii) rov. 2.6 en 2.8 van de bestreden beschikking waar het hof overweegt dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het proces-verbaal van het verhoor van de moeder op 29 augustus 2023.
Heeft het hof het juiste criterium aangelegd bij het afwijken van de wettelijke voorkeursregeling?
subonderdeel 2a– aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling of afgeweken kan worden van de wettelijke voorkeur voor een van de kinderen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor op grond van art. 1:435 lid 4 en Pro art. 1:452 lid 4 BW Pro, ten onrechte van belang te achten of een kind (voorafgaand aan de instelling van een beschermingsmaatregel) betrokkenheid heeft getoond bij de (situatie van de) moeder. Volgens het middel heeft het hof hiermee een onjuist criterium aangelegd, omdat op grond van art. 1:435 lid 1 en Pro art. 1:452 lid 1 BW Pro uitsluitend beoordeeld had moeten worden of een kind bereid en geschikt is om tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd. Verder formuleert het middel –
subonderdeel 2b– een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 5.11 dat bij het hof te veel twijfels bestaan over de betrokkenheid en geschiktheid van de kinderen – anders dan de zoon – om een van hen tot bewindvoerder en mentor te kunnen benoemen.
Het komt voor dat er in familieverhoudingen onenigheid ontstaat over de benoeming en het functioneren van een dergelijke familievertegenwoordiger. Verschillende oplossingen voor dit probleem zijn denkbaar. In de eerste plaats kunnen hogere eisen worden gesteld aan vertegenwoordigers in het algemeen. Hiervoor is niet gekozen, omdat het stellen van hogere eisen waarschijnlijk tot gevolg heeft dat er minder vertegenwoordigers geschikt zullen worden geacht en daarom minder vertegenwoordigers beschikbaar zullen zijn. Het risico bestaat daarmee dat juist een persoon uit de nabije omgeving van de betrokkene, met wie hij vertrouwd is, minder snel tot vertegenwoordiger zal worden benoemd. Dit acht ik onwenselijk. (…)’.
(i) in het appelschrift staat beschreven dat in de loop van de jaren de moeder met haar kinderen, behalve de zoon, gebrouilleerd is als gevolg waarvan het contact tussen hen is afgenomen; [40] (ii) de betrokken instanties beschikten niet over de gegevens van deze kinderen toen bleek dat de moeder niet langer bij de zoon kon verblijven en 24-uurs zorg nodig had;
(iii) ook nadat de moeder op 1 juli 2022 in [verblijfplaats] was geplaatst, hebben zij zich niet gemeld bij Amstelring;
(iv) volgens de verpleegkundige van [verblijfplaats] die ter zitting in hoger beroep aanwezig was, heeft zij noch een van haar collega’s sinds het verblijf van de moeder bij hen, tot op de dag van de zitting, andere familieleden gezien dan de zoon en diens zoon;
(v) deze kinderen zijn niet ter zitting in hoger beroep verschenen.