Conclusie
[verzoeker]respectievelijk
HGO.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
de arbeidsovereenkomst) bepaalt onder andere: [2]
de cao) van toepassing. De cao is op 7 juni 2022 algemeen verbindend verklaard. [3]
AARD EN DUUR VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST
3.Procesverloop
het hof). Hij concludeert tot vernietiging van de bestreden beschikking. Onder aanvoering van vier grieven en na wijziging van eis bij beroepschrift [8] en ter zitting [9] , heeft [verzoeker] primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen ingesteld, zoals weergegeven in rov. 5.1 van de bestreden beschikking van het hof.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter kan de vergoeding, bedoeld in dit lid, matigenindien hem dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar tot niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. De werknemer kan de kantonrechter verzoeken de opzegging te vernietigen.
om elke onduidelijkheid te voorkomen”. [18] Zo kan onder meer bij cao gebruik worden gemaakt van de meeste afwijkingsmogelijkheden die titel 7.10 BW biedt. [19] Voor het concurrentiebeding geldt dat echter niet: de Hoge Raad vereist dan een zekere mate van individuele schriftelijke vastlegging. [20] De Wolff heeft bepleit dat het bij cao overeenkomen van een tussentijds opzegbeding evenmin mogelijk zou moeten zijn, omdat een tussentijdse opzeggingsbevoegdheid haars inziens van vergelijkbare aard is als het concurrentiebeding en individuele contractspartijen zich er terdege van bewust moeten zijn dat zij dit beding sluiten. [21] Dit overtuigt mij niet: daar waar een concurrentiebeding enkel en alleen bezwarend is voor de werknemer, [22] biedt een tussentijds opzegbeding beide partijen de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging en is het (minstens [23] ) even bezwarend voor de werkgever als voor de werknemer. Daarom kan in de wederzijdse mogelijkheid tot tussentijdse opzegging ook worden voorzien bij cao. Dit gebeurt ook in de praktijk (maar dus niet in deze zaak). [24] In de feitenrechtspraak wordt dit eveneens voor mogelijk gehouden. [25]
nieterin dat een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden opgezegd, zoals bedoeld in art. 7:667 lid 3 BW Pro.
tussentijdseopzegging van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:667 lid 3 BW Pro. Hierbij betrek ik dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als uitgangspunt niet tussentijds kan worden opgezegd en dat het wettelijk vormvereiste ten doel heeft om elke onduidelijkheid te voorkomen (zie hiervoor, 4.13). Tegen die achtergrond kan mijns inziens niet worden volstaan met de bewoordingen zoals hier aan de orde.
nieterin voorziet dat een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst op de voet van art. 7:667 lid 3 BW Pro tussentijds kan worden opgezegd.
termijnvoor opzegging is geregeld voor het geval dat “
ingevolge art. 7:667 lid 3 BW Pro”de arbeidsovereenkomst door de werknemer kan worden opgezegd. Het middel stelt dat die uitleg erop neerkomt dat de betreffende bepaling slechts een regeling zou bevatten die ziet op de opzeg
termijnbij
tussentijdse opzeggingdoor de werknemer van een contract voor
bepaalde tijdingevolge art. 7:667 lid 3 BW Pro, terwijl er in de bepaling geen enkele aanwijzing is gelegen dat art. 10 lid 4 cao Pro uitsluitend zou zien op de opzegbevoegdheid van de werknemer bij arbeidscontracten voor bepaalde tijd.
rov. 6.3– onder verwijzing naar het oordeel van de kantonrechter in
rov. 4.3van diens beschikking – nog als redengevend voor zijn oordeel heeft opgenomen dat hoewel in artikel 10 lid 4 cao Pro schoonmaak staat dat een arbeidsovereenkomst door de werknemer kan worden opgezegd met een opzegtermijn van een maand, dat artikel in dit geval “
geen betekenis” heeft omdat er “
in de arbeidsovereenkomst (…) geen tussentijds opzegbeding opgenomen” is, getuigt ook dat van een onjuiste rechtsopvatting. In cassatie moet er immers vanuit worden gegaan dat in de individuele arbeidsovereenkomst een cao-incorporatiebeding is opgenomen waarmee art. 10 lid 4 cao Pro nu juist wordt geïncorporeerd in die arbeidsovereenkomst. Tegen die achtergrond is de vaststelling van het Hof als vervat in de laatste volzin van
rov. 4.3van de beschikking van de kantonrechter dat “
in de arbeidsovereenkomst (…) geen opzegbeding is opgenomen” in zoverre
onjuistdat het Hof met (het overnemen van) die beslissing heeft miskend dat incorporatie van een cao in een individuele arbeidsovereenkomst door middel van een cao-incorporatiebeding als rechtsgevolg heeft dat de in de cao opgenomen horizontale cao-bepalingen automatisch onderdeel gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomst. Indien het Hof zulks niet heeft miskend, heeft het Hof in elk geval (in navolging van de kantonrechter) een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de individuele arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en HGO door enerzijds in de laatste volzin van
rov. 4.3(van de beschikking van de kantonrechter) te oordelen dat in die arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding is opgenomen, hoewel in de daaraan voorafgaande zin anderzijds is beslist dat de cao de werknemer juist wel een opzegbevoegdheid toekent en terwijl het Hof in
rov. 3.2onder (d) van de beschikking – met juistheid – heeft beslist dat die cao in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.”