ECLI:NL:HR:2008:BC0384
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Geldigheid van schriftelijkheidsvereiste bij concurrentiebeding in arbeidsvoorwaarden
De zaak betreft de geldigheid van het schriftelijkheidsvereiste van een concurrentiebeding in arbeidsvoorwaarden. [Eiser] was sinds 1987 in dienst bij de maatschap en ontving in 1997 een brief met nieuwe arbeidsvoorwaarden, inclusief een concurrentiebeding. Hij ondertekende de brief met de handtekening en de aantekening dat hij de voorwaarden had geaccordeerd, maar tekende de arbeidsvoorwaarden zelf niet.
Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2006 vorderde [eiser] in kort geding schorsing of matiging van het concurrentiebeding. De kantonrechter schorste het beding vanwege twijfel over het schriftelijkheidsvereiste, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af, stellende dat de ondertekening van de brief voldoende schriftelijke aanvaarding inhield.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 lid 1 BW Pro is vervuld wanneer de werknemer een brief ondertekent waarin wordt verwezen naar de arbeidsvoorwaarden met het concurrentiebeding, ook als de arbeidsvoorwaarden zelf niet zijn ondertekend. De Hoge Raad verwierp het beroep van [eiser] en veroordeelde hem in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het ondertekenen van een brief met verwijzing naar arbeidsvoorwaarden met concurrentiebeding voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste en wijst het cassatieberoep af.