Conclusie
eiser tot cassatie,
[eiser]respectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
Wav). Niet in geschil is dat sprake is van een beroepsfout van de advocaat, [verweerder] , omdat deze verzuimd heeft tijdig een verzoekschrift tot nietigverklaring van het ontslag in te dienen. Uitgangpunt is verder dat, als wél tijdig tegen de werkgever van [eiser] een procedure was ingesteld, [eiser] daarmee een (goede) kans van slagen zou hebben gehad. [verweerder] is daarom jegens [eiser] schadeplichtig is. De schade bestaat uit het verloren gegaan zijn van een kans.
loondoorbetalingsperiode(vijf of zes maanden) waarvan de rechter in de (fictieve) arbeidsrechtelijke procedure zou zijn uitgegaan. In hoger beroep heeft [eiser] daarnaast terzake van gestelde
achterstallige loonbetalingenschadevergoeding gevorderd. Volgens [eiser] was het aantal door hem gewerkte uren veel groter en het met zijn werkgever overeengekomen salaris veel hoger dan uit zijn loonstroken blijkt. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt, is of de rechter in een arbeidsrechtelijke procedure die vordering zou toewijzen. Een centraal punt in het debat is de bewijspositie van de ‘illegale werknemer’ tegenover zijn (voormalig) werkgever. [eiser] doet zijn betoog in cassatie in belangrijke mate steunen op het bewijsvermoeden van art. 23 lid 2 Wav Pro dat de illegale werknemer beoogt te beschermen.
2.Feiten
de werkgever). [eiser] heeft de Turkse nationaliteit. [2] Voor hem is geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd.
de kantonrechter). [eiser] heeft daarbij gevorderd, samengevat, dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 8.630,69, vermeerderd met onder meer de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.
het hof). [eiser] heeft onder aanvoering van drie grieven en met wijziging van eis gevorderd, samengevat, dat het hof het vonnis zal vernietigen en [verweerder] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling van:
-
primaireen bedrag van € 60.000,- aan achterstallig salaris over de periode van juni 2012 tot en met juni 2016; [6] -
subsidiaireen bedrag van € 6.133,68 netto ter zake loondoorbetaling gedurende zes maanden (uitgaande van een maandelijks nettoloon van € 1.400,-, minus het laatst verdiende nettoloon volgens de loonstroken van € 377,72);
-
meer subsidiaireen bedrag van € 2.266,32 netto ter zake loondoorbetaling gedurende zes maanden (uitgaande van een maandelijks nettoloon van € 377,72).
Verder heeft [eiser] gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van de (volledige) wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over het voorgaande, en hem te veroordelen in de kosten.
loondoorbetaling gedurende zes maandenna het ontslag op staande voet. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat [verweerder] als advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig een verzoekschrift in te dienen tegen het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet. Evenmin is in geschil, aldus het hof, dat áls [verweerder] deze verzoekschriftprocedure wel tijdig had ingesteld, [eiser] daarmee een (goede) kans van slagen zou hebben gehad. Ook staat niet ter discussie dat [verweerder] jegens [eiser] schadeplichtig is. In geschil is enkel de hoogte van het bedrag dat de kantonrechter in de arbeidsrechtelijke procedure zou hebben toegewezen en, daarvan afgeleid, de hoogte van de in deze procedure gevorderde schade. (rov. 3.8)
niet een hoger loonbedrag zou hebben toegewezen dan is vermeld op de salarisstroken(en dus van een nettoloon van € 377,72 zou zijn uitgegaan, en niet van € 1.400,- of € 2.400,-), en (b) dit maandsalaris vermoedelijk gedurende
vijf maandenzou hebben toegekend. Het hof overweegt:
achterstallige salaris tot en met juni 2016overweegt het hof (onderstreping hier en hierna steeds toegevoegd):
Hetgeen [eiser] heeft gesteld, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat [verweerder] ten aanzien van deze vordering niet aan deze zorgvuldigheidsnorm heeft voldaan.Daartoe is het volgende redengevend. [eiser] heeft [verweerder] pas benaderd nadat hij in april 2016 op staande voet was ontslagen. Uit de overgelegde correspondentie van [verweerder] aan [eiser] naar aanleiding van het ontslag op staande voet blijkt ook dat [verweerder] namens [eiser] opkomt tegen dit ontslag. [eiser] heeft niet aangetoond dat hij destijds ook aan [verweerder] kenbaar heeft gemaakt dat hij geen of te weinig loon had ontvangen over de genoemde periode in het verleden en/of dat hij [verweerder] opdracht gaf in verband daarmee rechtsmaatregelen te treffen.
Voor [verweerder] bestond er dus geen aanleiding om, al dan niet tegelijk met een verzoekschriftprocedure tegen het ontslag op staande voet, in juni 2016 een vordering tot betaling van achterstallig salaris in te stellen. Van een beroepsfout is daarom in dit opzicht geen sprake. Voor zover [eiser] stelt dat de vordering tot betaling van achterstallig salaris het gevolg is van het niet tijdig indienen van een verzoekschrift tegen het ontslag op staande voet, kan ook deze stelling niet slagen. Het verlopen van de vervaltermijn van artikel 7:686a BW heeft immers geen betrekking op de mogelijkheden van [eiser] om deze loonvordering in te stellen(maar enkel op het opkomen tegen het ontslag op staande voet).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel in rov. 3.11 met betrekking tot de verwachte duur van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever in een (fictieve) arbeidsrechtelijke procedure.
Onderdeel 2stelt aan de orde de overweging van het hof dat moet worden aangenomen dat niet een hoger loonbedrag zou zijn toegewezen dan is vermeld op de salarisstroken van [eiser] . Die overweging speelt een rol zowel bij de begroting van de schade ter zake van de gemiste loondoorbetaling (rov. 3.10), als bij de schadevergoedingsvordering in verband met achterstallig salaris (rov. 3.15). Onderdeel 2 bevat daarnaast nog een klacht tegen het oordeel in rov. 3.14 dat van een beroepsfout in verband met achterstallig salaris geen sprake is.
trial within a trial). [12] Het hof heeft geoordeeld dat de werkgever gedurende enige tijd - tot aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst - verplicht zou zijn aan [eiser] diens loon door te betalen. Die periode is gesteld op vijf maanden en daarbij is uitgegaan van het bedrag dat stond vermeld op de meest recente salarisstroken. Daarmee komt overeen de omvang van de schade die het gevolg is van de tekortkoming van [verweerder] .
zesmaanden zijn loon zou zijn doorbetaald.
dat de illegale werknemer ( [eiser] ) ‘vreemdeling’ is in de zin van deze wet, de werkgever te eigen bate die vreemdeling zonder een tewerkstellingsvergunning arbeid heeft laten verrichten waarvoor deze niet is betaald, waarbij de vreemdeling op de voet van lid 2 wordt vermoed gedurende ten minste zes maanden werkzaam te zijn geweest voor die werkgever tegen een beloning en een arbeidsduur die in de bedrijfstak gebruikelijk is”. Anders dan het hof heeft geoordeeld, heeft art. 23 lid 2 Wav Pro wel degelijk betrekking op (de duur van) de loondoorbetalingsverplichting van een werkgever als bedoeld in art. 23 lid 1 Wav Pro. Het hof heeft ‘dit’ ten onrechte niet, onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, bij de beoordeling betrokken.
blijft– moeten worden beëindigd volgens de normale regels van het ontslagrecht. [19]
wordt de vreemdeling vermoed gedurende ten minste zes maanden werkzaam te zijn voor die werkgever tegen het loon, bedoeld in het eerste lid, en
voor de duurvan het verrichten van de arbeid die in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is.
(…)”
Hiermee wil het kabinet de bewijsproblemen vergemakkelijken die er voor de vreemdeling bestaan om alsnog zijn rechten geldend te maken voortvloeiende uit zijn arbeidsrelatie met de illegale werkgever.Met behulp van dit rechtsvermoeden heeft hij de mogelijkheid alsnog een loonvordering in te stellen. (…)”
voor deze periode een loonvordering jegens zijn werkgever instellen.
Het is aan de werkgever om aannemelijk te maken dat de betreffende vreemdeling korter dan de vermoede 6 maanden heeft gewerkt en dat het verschuldigde loon reeds is uitbetaald. (…)”
indien illegale arbeid wordt geconstateerd en de arbeid om die reden moet worden gestaakt, kan de werknemer in beginsel een loonvordering over een periode van zes maanden instellen. De werkgever behoeft dan slechts (aan de hand van zijn loonadministratie) aan te tonen, dat de werknemer korter heeft gewerkt en dat het verschuldigde loon is betaald. In geval de werkgever te goeder trouw was en de vreemdeling in overeenstemming met de geldende regels in dienst heeft genomen, behoort dit geen probleem te zijn. Alleen als de werkgever niet kan aantonen sinds wanneer de vreemdeling is tewerkgesteld, dan kan deze werknemer recht doen gelden op zes maanden loon.” [26]
vóórdatde illegale arbeid aan het licht is gekomen, voor het geval niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer de vreemdeling de werkzaamheden heeft aangevangen.
nabetalingendoor werkgevers. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:
nog verschuldigde loon. Het overeengekomen loonniveau wordt geacht ten minste gelijk te zijn aan het loon dat is vastgesteld in de toepasselijke wetgeving inzake minimumlonen, collectieve overeenkomsten of overeenkomstig de gevestigde praktijk in de betrokken bedrijfstak, tenzij hetzij de werkgever hetzij de werknemer het tegendeel kunnen bewijzen, en, waar nodig, met inachtneming van de toepasselijke nationale loonvoorschriften;
minstens drie maanden, tenzij onder meer de werkgever of de werknemer het tegendeel kunnen bewijzen.
(…)”
zes maandenheeft de wetgever op dit punt uitdrukkelijk gekozen voor een striktere regel dan de richtlijn voorschrijft (‘minstens’). [32]
niethet bewijsprobleem voor waartegen art. 23 lid 2 Wav Pro de vreemdeling wil beschermen. Dat probleem is er namelijk in gelegen dat in geval van illegale arbeid vaak niet goed achteraf bewijsbaar is hoe lang het dienstverband al heeft geduurd. Dat gaat dus over de periode
voorafgaandaan het moment dat aan het licht is gekomen dat de benodigde tewerkstellingsvergunning ontbreekt (zie 4.15). Dit vermoeden is dan ook niet van betekenis voor de
duurvan de loondoorbetalingsverplichting, die het gevolg is van vernietiging van een ontslag op staande voet wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning.
zesmaanden zou zijn uitgegaan, onbegrijpelijk is, nu gelet op de door [verweerder] opgestelde concept-dagvaarding en de tussen [eiser] en de verzekeraar van [verweerder] gewisselde correspondentie volstrekt duidelijk was dat [eiser] vóór en in deze procedure zijn loonvordering van zes maanden grondde op art. 23 lid 1 en Pro 2 Wav. [33]
zesmaanden. Voor zover het subonderdeel daar wel van uitgaat, gaat het uit van een verkeerde lezing van de bestreden overweging. Het oordeel van het hof komt erop neer dat het beroep van [eiser] op art. 23 lid 2 Wav Pro niet tot de gewenste gevolgtrekking (loondoorbetaling gedurende zes maanden) leidt, omdat dit artikel geen betrekking heeft op (de duur van) deze loondoorbetalingsverplichting. Het oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 23 lid 2 Wav Pro (zie zojuist de subonderdelen 1.1 en 1.2) en is niet onbegrijpelijk in het licht van het feit dat [eiser] een beroep heeft gedaan op die bepaling.
de oordelen in rov. 3.10, 3.14 en 3.15” en klaagt in de eerste plaats dat zij getuigen van een onjuiste rechtsopvatting “
over (de toewijsbaarheid van) het door [eiser] gevorderde ‘achterstallig salaris’ als schade dat de kantonrechter in de arbeidsrechtelijke procedure aan loonvordering zou hebben kunnen toewijzen”. Aan het slot van het subonderdeel spitst de klacht zich toe op
rov. 3.10over de omvang van de schade wegens gemiste loondoorbetaling.
3.15, die de vordering tot schadevergoeding voor het bedrag aan (niet door [verweerder] gevorderd) achterstallig salaris betreft.
‘geïntegreerd’ vermoeden. Daarmee bedoel ik dat als een illegaal tewerkgestelde werknemer zich kán beroepen op de in die bepaling genoemde periode van ‘ten minste zes maanden’, hij zich ook kan beroepen op de in art. 23 lid 2 genoemde Pro componenten ‘loon’ (‘als bedoeld in het eerste lid’) en arbeidsduur (‘wat in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is’). Mij lijkt duidelijk dat uit de tekst van art. 23 lid 2 voortvloeit Pro dat dit inderdaad in die zin bedoeld is. Het bewijsvermoeden biedt pas werkelijk de beoogde bescherming als ervan wordt uitgegaan dat - behoudens tegenbewijs door de werkgever - in de periode van ‘ten minste zes maanden’ een normale werkweek is gewerkt en de vreemdeling recht had op het in de betrokken sector gebruikelijke loon. De
keerzijdevan deze interpretatie is echter dat in het geval genoemd vermoeden
nietvan toepassing, de werknemer zich ook niet kan beroepen op de afzonderlijke componenten ‘loon’ en arbeidsduur’. Volgens een tweede uitleg daarentegen kan art. 23 lid 2 Wav Pro
gesplitstworden toegepast. Ook als het vermoeden dat de werknemer minstens zes maanden werkzaam is geweest níet van toepassing is, kan de illegaal tewerkgestelde werknemer toch aanspraak maken op een beloning die is gebaseerd op een arbeidsomvang en een salarisniveau als vermeld in art. 23 lid 2 Wav Pro.
voor deze periode” (zie het citaat in 4.13), waarmee is bedoeld de periode van ten minste zes maanden. Als die periode in een concrete situatie niet van toepassing is, kan de illegaal tewerkgestelde vreemdeling daarom niet toch beroep doen op de in art. 23 lid 2 Wav Pro neergelegde uitgangspunten ter zake van aantallen gewerkte uren en de hoogte van het loon.
de periode voorafgaandaan het einde van het dienstverband van de illegaal tewerkgestelde werknemer. Tegen die achtergrond hoefde het bedrag dat in de arbeidsrechtelijke procedure bij wijze van loondoorbetaling zou zijn toegewezen (vijf maanden loon) daarom op het punt van de duur en het loon niet te worden gebaseerd op art. 23 lid 2 Wav Pro.
achterstallige loon. Hier gaat het wél om een achterliggende periode. De klachten falen echter om de volgende redenen.
doet [hieraan] (…) niet af of het verlopen van de vervaltermijn van art. 7:686a BW geen betrekking had op de mogelijkheden van [eiser] om deze loonvordering in te stellen”.
per maandwerkte en netto € 377,72 per maand ontving, maar dat hij - naar eigen zeggen - veel meer uren werkte en daarvoor € 600,- netto
per weekontving. [35] Laatstgenoemd bedrag, waarover [verweerder] klaarblijkelijk door [eiser] is geïnformeerd, is gelijk aan het loon dat [eiser] , naar hij in deze aansprakelijkheidsprocedure heeft gesteld, met zijn werkgever zou zijn overeengekomen, te weten € 2.400,- per maand netto. Kennelijk heeft [eiser] aan [verweerder] gezegd, of bij deze op zijn minst de indruk gewekt, dat een salaris op basis van de genoemde € 2.400,- per maand aan hem werd en was uitbetaald. In die omstandigheden bestond er voor [verweerder] geen aanleiding om ervan uit te gaan dat [eiser] feitelijk werd onderbetaald en om een vordering tot betaling van achterstallig loon in te stellen, zoals het hof - niet onjuist - heeft overwogen.