Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat centraal of het ontslag op staande voet van een werknemer die illegaal in Nederland verbleef rechtsgeldig is gegeven en of de werknemer recht heeft op loonbetaling vanaf het ontslag tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De werknemer was schoonmaker en werkte sinds 2009 bij de werkgever. Tijdens controles in 2011 werd vastgesteld dat de werknemer niet over een geldig verblijfsdocument beschikte en dat een valse Nederlandse identiteitskaart in de personeelsadministratie aanwezig was. De werkgever sprak op 7 juni 2011 ontslag op staande voet uit wegens illegaal verblijf, maar dit ontslag werd pas schriftelijk bevestigd op 19 juli 2011.
Het hof oordeelt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat het enkele feit van illegaal verblijf geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Tevens is niet aannemelijk dat de werkgever wist van het illegale verblijf en willens en wetens geen tewerkstellingsvergunning heeft aangevraagd. Het ontbreken van een vergunning komt voor rekening van de werknemer.
Gevolg is dat de arbeidsovereenkomst bleef voortbestaan tot de ontbinding op 1 juni 2012, maar de werkgever slechts loon verschuldigd is tot en met 7 juni 2011, de dag waarop de werknemer feitelijk niet meer werkte. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover loon werd toegekend na deze datum en veroordeelt de werkgever tot betaling van loon en vakantiegeld over de periode 1 tot en met 7 juni 2011, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10%.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet was niet onverwijld gegeven; loon is toegekend tot en met 7 juni 2011 met wettelijke verhoging en rente.