Conclusie
AmTrust International Underwriters DAC
Liberty Mutual Surety Europe B.V.
North Sea Port Netherlands N.V.
1.Inleiding
Glencore.
NB. Verweerster onder 2 is in het geding betrokken als rechtsopvolgster van NB en wordt in het vervolg om die reden mede begrepen in de aanduiding NB. Verweerster onder 3 stond voorheen bekend als N.V. Zeeland Seaports en wordt in verband daarmee en omwille van de leesbaarheid in het vervolg verkort aangeduid als
ZSP. De verweersters in cassatie worden gezamenlijk aangeduid als
NB c.s.(in vrouwelijk enkelvoud).
Zalco) in 2011. Daags na de faillietverklaring hebben curatoren de aluminiumsmelterij stilgelegd, hetgeen onder meer tot gevolg had dat het nog in de ovens aanwezige vloeibare, aan Glencore verpande, aluminium is gestold. Na verwijzing (in HR 13 november 2020 ECLI:NL:HR:2020:1786) heeft het hof Den Haag vastgesteld dat het gestolde aluminium bestanddeel is geworden van en nagetrokken is door de ovens. Daarmee is het aluminium opgehouden roerende zaak te zijn, zodat het pandrecht van Glencore is tenietgegaan. Het gestolde aluminium viel als bestanddeel van de ovens wel onder de hypotheekrechten van NB c.s. Volgens Glencore is NB c.s. daardoor ongerechtvaardigd verrijkt. Het hof heeft Glencore’s vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking afgewezen.
2.Feiten
de elektrolysefabriek). Het aluminium werd geproduceerd door elektrolyse van aluinaarde. Aluinaarde werd bij een temperatuur van 900 tot 1.000 graden Celsius opgelost in vloeibaar kryoliet. Deze oplossing werd door middel van elektrolyse gesplitst, een proces waarbij onder andere vloeibaar aluminium vrijkomt.
BaseMet) en Panther Trading AG (hierna:
Panther) een overeenkomst gesloten op grond waarvan Glencore aluinaarde leverde aan Zalco.
het pandrecht) ten gunste van Glencore gevestigd op, kort gezegd, het aluminium waarvan Zalco eigenaar was of zou worden. Ten behoeve daarvan had NB haar pandrecht op dat (toekomstige) aluminium (hiervoor, 2.1-(iii)) prijsgegeven. In ruil daarvoor verkreeg NB een pandrecht op een door (een groepsmaatschappij van) Zalco aangehouden cashdepot van € 3 miljoen (hierna:
het cashdepot).
ovens) van de elektrolysefabriek. Kort na het uitspreken van het faillissement, in de periode van 16 tot en met 19 december 2011, hebben de curatoren van Zalco (hierna:
de curatoren) het productieproces bij Zalco gefaseerd stilgelegd. Gedurende de periode van stillegging is aluminium uit 10 ovens getapt. Het vloeibare aluminium dat zich toen nog in de overige 417 ovens bevond, is gestold. Het gestolde aluminium wordt hierna ook aangeduid als:
het aluminium.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Daarnaast heeft Glencore ten aanzien van ZSP en NB gevorderd, onder meer:
Volgens de rechtbank heeft NB c.s. onrechtmatig jegens Glencore gehandeld door te (doen) verhinderen dat zij haar recht van parate executie zou uitoefenen. Zij heeft NB c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 5.000.000,- uit hoofde van schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 september 2012, met afwijzing van het meer of anders gevorderde (rov. 4.14-4.16 en dictum). [10]
primairvan ZSP en NB gevorderde, het
subsidiairvan ZSP gevorderde en het
meer subsidiairvan NB gevorderde in appel telkens een bedrag USD 7.825.499,40 beloopt.
- voor recht verklaard dat het aluminium door stolling in december 2011 geen bestanddeel is geworden van het elektrolysefabrieksgebouw, en
- NB en ZSP hoofdelijk veroordeeld USD 6.906.125,10 aan Glencore te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2012.
Het hof is van oordeel dat het aluminium zonder beschadiging van betekenis van de ovens kon worden afgescheiden. Het aluminium is daarmee geen bestanddeel van de ovens en/of de elektrolysefabriek geworden in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW Pro (rov. 4.22). Het aluminium is nadat het in de ovens is gestold een roerende zaak gebleven. Dit heeft tot gevolg dat geen hypotheekrecht van ZSP of NB op het aluminium is komen te rusten, dat het aluminium evenmin is nagetrokken door ZSP als eigenaar van het fabrieksgebouw en dat het mogelijk is dat Glencore een pandrecht heeft op het aluminium, althans op een aandeel in het nieuw gevormde aluminium (rov. 4.23).
Ten aanzien van het onrechtmatig handelen van NB c.s. jegens Glencore, doordat zij de executie van het pandrecht van Glencore hebben verhinderd, komt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank en maakt het hof de overwegingen van de rechtbank tot de zijne (rov. 4.54-4.55). De aan NB c.s. toerekenbare schade beloopt USD 6.906.125,10 (rov. 4.85).
verbondenheidvan het aluminium met de ovens (rov. 3.1.3) en (ii) of het aluminium niet kan worden afgescheiden zonder dat de
fysieke gevolgenvan de afscheiding van betekenis zijn (rov. 3.3.2-3.3.3), waarbij met de situatie dat de fysieke gevolgen van afscheiding van betekenis zijn, redelijkerwijs moet worden gelijkgesteld de situatie waarin afscheiding zonder fysieke gevolgen van betekenis weliswaar technisch mogelijk is, maar daarmee in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig veel inspanningen of kosten zijn gemoeid (rov. 3.3.2).
Daarbij heeft uw Raad opgemerkt dat de keuze van de wetgever voor het stelsel van art. 3:4 lid 2 BW Pro onverlet laat dat de voormalig rechthebbende van een zaak die zijn eigendom door bestanddeelvorming verliest aan de eigenaar van de hoofdzaak, dan wel de voormalig beperkt gerechtigde die zijn beperkte recht op de zaak verliest door bestanddeelvorming, in voorkomend geval een vordering op de eigenaar van de hoofdzaak kan hebben op grond van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.3.2).
Na verwijzing dient het hof Den Haag allereerst te onderzoeken of het gestolde aluminium met de ovens was verbonden. Indien dit komt vast te staan, dient het met inachtneming van de in rov. 3.3.2 gegeven maatstaf opnieuw te beoordelen of het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW Pro bestanddeel is geworden van de ovens of de elektrolysefabriek, aldus uw Raad (rov. 3.7). [14]
het verwijzingshof) heeft de zaak gevoegd behandeld met de eveneens na cassatie naar dit hof verwezen procedure tussen Glencore en UTB Holding. [18]
het bestreden arrest), heeft het hof Den Haag – voor zover in deze cassatieprocedure van belang – het vonnis van 15 juli 2015 voor zover gewezen tussen Glencore en NB c.s. vernietigd en de vorderingen van Glencore afgewezen.
Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
4.4. Heeft de bestanddeelvorming NB c.s. ongerechtvaardigd verrijkt?
4.Bespreking van het cassatiemiddel
verrijkingheeft plaatsgehad en (ii) dat, voor zover er van een verrijking sprake was, afdracht van deze verrijking niet
redelijkzou zijn.
onderdeel 1heeft het hof in rov. 4.4 miskend dat NB c.s. in beginsel ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Glencore, nu het hof heeft geoordeeld dat het aluminium door natrekking bestanddeel is geworden van de ovens, waardoor het pandrecht van Glencore op het aluminium is tenietgegaan (rov. 4.3.28). Natrekking wordt in de parlementaire geschiedenis genoemd als voorbeeld van een situatie waarin een actie uit ongerechtvaardigde verrijking mogelijk is. In geval van natrekking wordt aangenomen dat de verrijking in beginsel ongerechtvaardigd is. A fortiori geldt volgens het onderdeel dat indien sprake is van natrekking, in beginsel moet worden aangenomen dat sprake is van verrijking zoals bedoeld in art. 6:212 BW Pro. [25] In dat geval moet in beginsel ook worden aangenomen dat afdracht van de verrijking redelijk is in de zin van art. 6:212 lid 1 BW Pro, aldus het onderdeel (
p.i., nr. 14).
in p.i., nr. 15) ook het oordeel van het hof in rov. 4.1.15 dat stelplicht en bewijslast ter zake van de ongerechtvaardigde verrijking van NB c.s. bij Glencore liggen. Nu het hof in rov. 4.3.28 heeft geoordeeld dat het aluminium is nagetrokken door de ovens, had het hof daaraan volgens het onderdeel de gevolgtrekking moeten verbinden dat moet worden aangenomen dat NB c.s. daardoor als hypotheekhouder in beginsel ongerechtvaardigd is verrijkt en dat het aan NB c.s. is om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
p.i., nr. 15, slot, is het oordeel van het hof in rov. 4.4 in ieder geval onjuist en onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat niet blijkt dat het hof het uitgangspunt heeft gehanteerd dat nu het aluminium is nagetrokken door de ovens, in beginsel geldt dat NB c.s. hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt en afdracht van de verrijking aan Glencore redelijk is.
Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.”
Verrijking: er is sprake van een vermogensvermeerdering, waarbij aan ‘vermogen’ en ‘vermogensbestanddelen’ een ruimere betekenis toekomt dan deze in het gewone spraakgebruik hebben. [27] De verrijking kan gelegen zijn in de vermeerdering van het positieve vermogen, maar ook in de vermindering van het negatieve vermogen (de afname van een schuld). Verder valt te denken aan koop tegen een prijs beneden de waarde, een besparing van kosten, een verkregen dienst van een ander, of het genot van vermogensbestanddelen van een ander.
Verarming (‘schade’): tegenover de verrijking van de één staat een verarming van de ander. Van verarming is sprake bij zowel een afname van het actief als een toename van het passief. Hoewel de verrijking en verarming in wezen elkaars spiegelbeeld zijn, betekent dit niet zonder meer dat de hoogte van de verrijking en de verarming gelijk moet zijn.
Verband: er moet voldoende verband bestaan tussen de verrijking en de verarming. Dit betekent niet dat de verrijking onmiddellijk ten laste van het vermogen van de verarmde moet hebben plaatsgevonden: een verrijkingsactie is ook mogelijk als de vermogensverschuiving optreedt via het vermogen van een derde of door tussenkomst van een derde (zgn. indirecte verrijking).
Ongerechtvaardigdeverrijking: voor het behouden van de vermogensvermeerdering is geen redelijke oorzaak (rechtvaardigingsgrond) aanwezig, zoals een wettelijke regeling of een rechtshandeling die de vermogensverschuiving legitimeert. De nadere uitwerking van dit criterium wordt aan de rechtspraak overgelaten.
redelijkis.
De keuze van de wetgever voor dit stelsel laat onverlet dat de voormalig rechthebbende van een zaak die zijn eigendom door bestanddeelvorming verliest aan de eigenaar van de hoofdzaak, dan wel de voormalig beperkt gerechtigde die zijn beperkte recht op de zaak verliest door bestanddeelvorming, in voorkomend geval een vordering op de eigenaar van de hoofdzaak kan hebben op grond van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking.” [33]
In geval van natrekking en vermenging neemt men aan dat de verrijking in beginsel ongerechtvaardigd is. Maar voorzichtigheid is op zijn plaats; men denke aan een bouwhypotheek tot een bedrag dat er nu juist op is afgestemd dat de hypotheekgever eigenaar van het op te trekken gebouw zal worden, waarbij dan krachtens artikel 3.9.1.1 lid 2 ook de hypotheek daarop zal komen te rusten.” [36]
p.i., nr. 17).
p.i., nr. 18).
Los hiervan is naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd om voor beantwoording van de vraag of NB c.s. is verrijkt niet slechts te kijken naar het enkele proces van stolling van het aluminium, maar breder ook naar de context waarin dit plaatsvond. Die context was het faillissement van Zalco, waarin werd besloten de productie stil te leggen, wat naar algemene ervaringsregels een snelle en omvangrijke vermindering van de going-concernwaarde van de onderneming en daarmee de fabriek (het erfpachts- en opstalrecht) waarschijnlijk maakte. Dit risico heeft zich ook verwezenlijkt. De stolling van het aluminium maakte van dit proces rechtstreeks onderdeel uit.”
per saldopositief uitvallen. Hieruit volgt dat het hof – anders dan het subonderdeel veronderstelt – niet de going-concernwaarde van de fabriek vóór faillissement heeft genomen als uitgangspunt voor de berekening van de eventuele verrijking.
p.i., nr. 21) onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van onder (i) tot en met (iii) weergegeven stellingen van Glencore in feitelijke instanties waaruit volgens het subonderdeel volgt dat NB c.s. is verrijkt met de waarde van het nagetrokken aluminium.
p.i., nr. 22, eerste gedeelte) heeft het hof deze stellingen niet verworpen, zodat deze in cassatie hypothetisch als vaststaand moeten worden aangemerkt. Voor zover het hof deze stellingen heeft verworpen, is zijn oordeel volgens het subonderdeel in strijd met art. 149 en Pro 150 Rv, omdat deze stellingen niet voldoende gemotiveerd door NB c.s. zijn betwist. In dat licht is het oordeel dat Glencore onvoldoende heeft onderbouwd dat NB c.s. is verrijkt gelet op de waardedaling (van het gehele onderpand van NB c.s.) die de waarde van het aluminium (op zichzelf beschouwd) oversteeg volgens het subonderdeel onjuist.
p.i., nr. 21 onder (i)is de stelling vermeld dat de liquidatiewaarde van het onderpand van het hypotheekrecht van NB c.s. op het moment van het uitspreken van het faillissement nihil was. [39] De aangehaalde vindplaatsen uit de memorie van antwoord in incidenteel appel zoals geciteerd in de procesinleiding, pagina 7, voetnoot 10, leggen steeds de nadruk op de vermeende waardeloosheid van de ovens ten tijde van de stolling, die volgens de laatste aldaar geciteerde vindplaats althans gedeeltelijk het gevolg zou zijn van het beëindigen van het productieproces door de curatoren – kortom van de gebeurtenis die het hof als oorzaak van de verrijking beschouwt. Deze vindplaatsen houden daarmee geen stellingen in over de waarde van het onderpand ten tijde van de faillietverklaring. [40] Alleen de geciteerde passage uit de dagvaarding van 19 december 2012, par. 131, ziet uitdrukkelijk mede op de waarde van het gehele fabrieksgebouw. Uit de context van deze passage blijkt echter dat deze betrekking heeft op de waarde van het fabrieksgebouw nadat dit in verband met het stilleggen van de productie voor de sloop is bestemd. Ik geef de voor een goed begrip relevante passages van de dagvaarding (par. 122, 124, 130 en 131) weer:
122. Voor het antwoord op de vraag of een beschadiging er één van betekenis is, is het moment waarop de afscheiding plaatsvindt bepalend. Op het moment dat een deel wordt afgescheiden komt het namelijk in een bepaalde verhouding tot het resterende deel te staan die gevolgen kan hebben van de kwalificatie “beschadiging van betekenis”. Voor het onderhavige geval is in dat verband van belang dat het op het moment van afscheiding de bedoeling is dat het fabrieksgebouw (de hoofdzaak) volledig gesloopt zal gaan worden; het fabrieksgebouw zal volledig worden verwijderd en de grond zal worden geëgaliseerd[.]
die op de stalen wand van de oven zijn aangebracht. Dezerefractory bricks
zijn gemaakt van cement en worden gebruikt om de stalen wand van de oven te beschermen tegen de hitte van het vloeibare aluminium en om het elektromagnetische veld van het elektrolyseproces door te geven.(…)
Het komt ook in het normale productieproces voor dat aluminium in een oven onbedoeld stolt. Dan moet dat aluminiumblok uit de oven worden verwijderd. Indien nodig, worden derefractory bricks
van zo'n oven vervolgens gerepareerd.
hebben in dit stadium hun waarde verloren: nu het productieproces is gestopt en het fabrieksgebouw wordt afgebroken is er thans niet langer behoefte meer aan bescherming van de stalen ovenwand tegen de hitte van vloeibaar aluminium en geleiding tijdens het elektrolyseproces. De ovens zullen niet meer worden ingezet in het productieproces en behoren derhalve niet langer de eigenschap te hebben dat de stalen ovenwand wordt beschermd tegen de hitte. Dat errefractory bricks
zullen loslaten is ook in dat opzicht geen beschadiging van betekenis, omdat de ovens ook zonder de ontbrekenderefractory bricks
aan hun bestemming voldoen: te weten schroot. Derhalve kan ook in het geval dat watrefractory bricks
zouden loslaten bij het aanbrengen van de stalen kettingen niet worden gesproken over “beschadiging van betekenis'’. Bovendien heeft het fabrieksgebouw en de ovens in zijn totaliteit überhaupt slechts schrootwaarde van het totale fabrieksgebouw. Indien er bij de afscheiding van het Aluminium schade wordt toegebracht aan (de ovens in) het fabrieksgebouw, dan dient die schade te worden gerelateerd aan de schrootwaarde. Alleen al om die reden kan in deze situatie geen sprake zijn van "beschadiging van betekenis”. Zeker indien bedacht wordt dat door het stollingsproces zelf al veelrefractory bricks
beschadigd zullen zijn. Dat kapotterefractory bricks
nog meer beschadigd kunnen worden bij het afscheidingsproces kan derhalve niet worden gekwalificeerd als “beschadiging van betekenis”.”
p.i., nr. 21 onder (ii)heeft Glencore gesteld dat de omvang van de verrijking gelijk is aan de volledige waarde van het aluminium. Met dat bedrag, zo houdt de stelling in, is immers het hypotheekobject en daarmee de hypotheekrechten van NB en/of ZSP daadwerkelijk in waarde toegenomen. Het gaat dan om de waarde zoals vastgesteld bij de akte eiswijziging 2018, nadat de verkoop van het aluminium had plaatsgevonden door middel van een goed georganiseerde en met waarborgen omklede veiling. [41]
p.i., nr. 21 onder (iii)zijn de volgende door Glencore in feitelijke instanties ingenomen stellingen weergegeven, in het licht waarvan volgens het subonderdeel het oordeel van het hof dat Glencore onvoldoende heeft onderbouwd dat NB c.s. is verrijkt onbegrijpelijk is: [42]
het onderpand (…), de machinerieën of werktuigen die bestemd zijn om daarmee een bedrijf in die bepaalde daartoe ingerichte fabriek of werkplaats uit te oefenen, te (doen) verkopen, hetzij in zijn geheel, hetzij in gedeelten (…) en op zodanige wijze en onder zodanige voorwaarden en bepalingen, als [NB/ZSP] geraden acht, teneinde uit de opbrengst het verschuldigde te verhalen”;
p.i., nr. 22, tweede gedeelte, klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat Glencore onvoldoende heeft onderbouwd dat NB c.s. is verrijkt gelet op de waardedaling (van het gehele onderpand van NB c.s.) die de waarde van het aluminium (op zichzelf beschouwd) oversteeg onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de stelling van Glencore dat NB c.s. onder de toepasselijke hypotheekvoorwaarden het recht had om het onderpand in delen te executeren en dat in lijn hiermee het aluminium separaat is geëxecuteerd, waardoor NB c.s. is verrijkt met een bedrag van € 5.125.000. Aangezien NB c.s. het aluminium separaat kon executeren en dat ook is gebeurd, heeft het hof ten onrechte de waarde van het gehele onderpand van het hypotheekrecht als uitgangspunt genomen.
p.i., nr. 23) ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, de overweging in rov. 4.4.4, eerste volzin, dat Glencore in reactie “hierop” (d.w.z. op de door het hof in rov. 4.4.3 weergeven stellingen van NB c.s. dat, kort gezegd, het onderpand van het hypotheekrecht als geheel een negatieve waarde had) heeft gesteld dat NB c.s. de gevolgen van het faillissement (of het beëindigen van het elektrolysebedrijf) van Zalco enerzijds en de gevolgen van de stolling van het aluminium voor de bruikbaarheid van de ovens anderzijds – welke gevolgen er volgens Glencore niet waren – ten onrechte door elkaar haalt. Het hof is in zijn oordeel ten onrechte niet ingegaan op de stelling dat NB c.s. onder de toepasselijke hypotheekvoorwaarden het recht had om het onderpand in delen te executeren en dat in lijn hiermee het aluminium separaat is geëxecuteerd, die essentieel is omdat hieruit volgt dat NB c.s. is verrijkt ten koste van Glencore voor een bedrag van € 5.125.000, zo nog steeds het subonderdeel.
op welke wijzeNB c.s. haar onderpand volgens de toepasselijke hypotheekvoorwaarden te gelde mocht maken. [45]
subonderdeel 2.2faalt.
subonderdeel 2.4heeft het hof ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat de natrekking plaatsvond tijdens het faillissement van Zalco. Het hof heeft (volgens
p.i., nr. 30) miskend dat de context waarbinnen de verrijking heeft plaatsgevonden, rechtens alleen relevant is bij de beoordeling van de vraag of NB c.s. is verrijkt als gevolg van de natrekking van het aluminium, voor zover die context valt binnen de vergelijking tussen de vermogenstoestand van NB c.s. na het plaatsvinden van de verrijking en de vermogenstoestand van NB c.s. zoals deze zou zijn geweest als de verrijking niet had plaatsgevonden. Het hof heeft aldus, volgens het subonderdeel, ten onrechte bij de beoordeling van de vraag of NB c.s. is verrijkt betrokken dat naar algemene ervaringsregels een faillissement een snelle en omvangrijke vermindering van de going-concernwaarde van de onderneming en daarmee de fabriek waarschijnlijk maakte en dat dit risico zich ook heeft verwezenlijkt.
p.i., nr. 31) onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, voor zover aan het oordeel in rov. 4.4.5 ten grondslag ligt dat het stopzetten van de fabriek waardoor de stolling heeft plaatsgevonden, een gevolg is van de faillietverklaring van Zalco. Het hof heeft miskend dat geen sprake is van een
condicio sine qua non-verband tussen de stolling en het faillissement van Zalco en dat onder deze omstandigheden de stolling niet redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het faillissement van Zalco als een gevolg ervan. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat het innerlijk tegenstrijdig is met het oordeel van het hof dat de curatoren tijdens het faillissement hebben besloten het productieproces bij Zalco stil te leggen (rov. 4.4.4) en de in rov. 2.8 door het hof vastgestelde feiten. In de overweging dat de curatoren hebben
beslotenhet productieproces stil te leggen, ligt besloten dat de curatoren ook hadden kunnen besluiten om het productieproces niet stil te leggen, in welk geval
geensprake zou zijn geweest van stolling, natrekking en verrijking.
p.i., nr. 32) met de klacht dat het oordeel van het hof niet als juist kan worden aanvaard, omdat niet valt in te zien welk rechtens relevant verschil bestaat tussen enerzijds de situatie waarin de natrekking plaatsvindt tijdens faillissement en anderzijds de situatie dat de natrekking zou plaatsvinden buiten faillissement. Zou de natrekking van het aluminium buiten faillissement hebben plaatsgevonden, dan zou – uitgaande van de juistheid van de redenering van het hof over de “context” waarin de natrekking plaatsvond –
a contrariowél sprake kunnen zijn geweest van verrijking, aldus het subonderdeel. Als de redenering van het hof juist zou zijn, zou zij er volgens het middel toe leiden dat curatoren in andere faillissementen – waar de hoofdzaak niet verhypothekeerd is – door hun eigen toedoen de boedel ongerechtvaardigd zouden kunnen verrijken, maar niet verplicht kunnen worden tot afdracht van de verrijking aan de verarmde. Dat is in strijd met het wettelijke stelsel, klaagt het middel. Bovendien is het volgens het middel wel degelijk mogelijk dat de boedel tijdens faillissement ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten gevolge van feiten die zich ná de faillietverklaring hebben voorgedaan en dat de curator op grond van art. 6:212 BW Pro [47] is verplicht om de verrijking af te staan aan de verarmde.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt (in p.i., nr. 30) heeft het hof niet overwogen dat een faillissement naar algemene ervaringsregels een snelle en omvangrijke vermindering van de going-concernwaarde van de onderneming en daarmee de fabriek waarschijnlijk maakte: het heeft overwogen dat het tijdens faillissement stilleggen van het productieproces dat risico meebracht. [48] Aan het oordeel ligt dan ook (anders dan p.i., nr. 31 tot uitgangspunt neemt) niet ten grondslag dat het stopzetten van de fabriek, waardoor de stolling heeft plaatsgevonden, een gevolg is van de faillietverklaring van Zalco: het hof heeft slechts overwogen dat het besluit om de productie stil te leggen is genomen tijdens het faillissement van Zalco. Het hof heeft dus (anders dan p.i., nr. 32 aanneemt) geen buitengewoon belang gehecht aan het gegeven dat de natrekking tijdens het faillissement heeft plaatsgehad. Het hof heeft immers de gevolgen van het besluit om de productie stil te leggen tegen elkaar gewogen en geoordeeld dat er per saldo geen verrijking van NB c.s. heeft plaatsgevonden. De veronderstelde juistheid van de redenering van het hof kan er derhalve ook niet toe leiden dat curatoren in andere faillissementen door hun eigen toedoen de boedel ongerechtvaardigd zouden kunnen verrijken zonder tot schadevergoeding aan de verarmde verplicht te zijn.
subonderdeel 2.3. Het falen van de subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.4 heeft tot gevolg dat de daarmee bestreden overwegingen van het hof aan het slot van rov. 4.4.4 in stand blijven. Deze overwegingen kunnen het oordeel van het hof dat Glencore onvoldoende heeft onderbouwd dat NB c.s. is verrijkt gelet op de waardedaling (van het gehele onderpand van NB c.s.) die de waarde van het aluminium (op zichzelf beschouwd) oversteeg zelfstandig dragen. Subonderdeel 2.3, dat een andere grond voor dit oordeel bestrijdt, faalt derhalve bij gebrek aan belang.
onderdeel 2faalt. Gelet op het falen van
onderdeel 1brengt dit mee dat een van de zelfstandig dragende gronden voor het bestreden oordeel van het hof in stand blijft, zodat
onderdeel 3faalt bij gebrek aan belang.
Onderdeel 4bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft geen behandeling. De conclusie zal strekken tot verwerping van het cassatieberoep.
p.i., nr. 25aan dat het overwogene in rov. 4.3.3-4.3.10 ziet op de vraag of het aluminium zonder beschadiging van betekenis kon worden verwijderd in de zin van art. 3:4 lid 2 BW Pro. [50] Zoals het hof in rov. 2.2.5 vooropstelt (vervolgt het subonderdeel), gaat het er daarbij om of de fysieke gevolgen van afscheiding van betekenis zijn en is het niet relevant wat de door afscheiding optredende vermogensrechtelijke gevolgen zijn (zoals de gevolgen voor de waarde van de zaken) en of na afscheiding herstel kan plaatsvinden. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van verrijking in de zin van art. 6:212 BW Pro gaat het volgens het subonderdeel echter niet om de (puur) fysieke gevolgen van de afscheiding van het aluminium, maar is daarentegen uitsluitend relevant wat de gevolgen van de natrekking voor de
waardevan de zaken is. Het oordeel van het hof in rov. 4.3.3-4.3.10 dat het proces van stolling wel degelijk tot (fysieke) schade aan de ovens heeft geleid betekent zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgens het middel niet dat NB c.s. niet is verrijkt door de natrekking.
p.i., nr. 26klaagt het subonderdeel dat het oordeel daarnaast onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de stelling van Glencore in feitelijke instanties dat voor zover de ovens zouden zijn beschadigd, dit niet het gevolg is van de natrekking of de daaraan voorafgegane stolling van het aluminium in de ovens en de keuze van de curatoren om het productieproces te beëindigen, maar een andere daaropvolgende keuze die zag op de wijze waarop het aluminium uit de ovens zou worden verwijderd nadat het reeds was nagetrokken. Het middel beroept zich erop dat Glencore in feitelijke instanties heeft aangevoerd dat de verwijdering van het aluminium niet in oorzakelijk verband staat met het verrijkingsfeit (volgens Glencore de natrekking als gevolg van de stolling van het aluminium in de ovens en de daaraan voorafgegane keuze van de curatoren om het productieproces te beëindigen). Dat het uitnemen van het aluminium tot beschadiging van betekenis heeft geleid, is volgens het middel dus rechtens irrelevant voor de vraag of NB c.s. door de natrekking is verrijkt zoals bedoeld in art. 6:212 lid 1 BW Pro.
p.i., nr. 27klaagt het subonderdeel dat uit rov. 4.3.3-4.3.10, waarnaar het hof in rov. 4.4.4 verwijst, eveneens blijkt dat de (fysieke) beschadiging van betekenis waarnaar het hof verwijst, is ontstaan bij de verwijdering van het aluminium uit de ovens en niet door de natrekking respectievelijk stolling als zodanig. Het oordeel van het hof dat het proces van stolling tot schade aan de ovens heeft geleid is in dat licht niet alleen onjuist maar ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, aldus
p.i., nr. 28.
p.i., nr. 33-35(onder het kopje ‘bestreden rechtsoverwegingen’) rov. 4.4.5-4.4.7 van het bestreden arrest. De klachten in onderdeel 3 blijken echter alleen gericht te zijn tegen het oordeel van het hof in rov. 4.4.5 dat – kort samengevat – voor zover de context/waardedaling in onvoldoende rechtstreeks verband stond met de natrekking van het aluminium als zodanig om in het kader van de verrijkingsvraag daarmee in verrekening te worden gebracht, deze context naar het oordeel van het hof in elk geval maakt dat afdracht van de verrijking, in weerwil van die context (een grotere verarming van NB c.s.), niet redelijk zou zijn en dat de verarming van Glencore ten gevolge van de natrekking dit niet anders maakt.
subonderdeel 3.1is het hof in rov. 4.4.5 buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door een bevrijdend verweer te honoreren (te weten dat de verrijkte niet verplicht is tot schadevergoeding ingevolge art. 6:212 lid 1 BW Pro omdat dit niet redelijk zou zijn), op basis van een argument dat niet op deze grondslag door NB c.s. is aangevoerd.
Indien aan het oordeel van het hof ten grondslag ligt dat de in rov. 4.4.5 vermelde omstandigheden feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels zijn, is zijn oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. In dat geval heeft het hof miskend dat de omstandigheden vermeld in rov. 4.4.4 en 4.4.5 geen feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels zijn zoals bedoeld in art. 149 lid 2 Rv Pro. In ieder geval is zijn oordeel in dat geval onvoldoende gemotiveerd, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat sprake is van feiten van algemene bekendheid en/of algemene ervaringsregels.
A-G] en het hieronder opgemerkte – wèl redelijk is, hoewel vergoeding in de vorm van uitkering van een geldsom niet redelijk zou zijn. Door de woorden „voor zover dit redelijk is” wordt derhalve aan de rechter de bevoegdheid gegeven alle omstandigheden in aanmerking te nemen en in verband daarmede een vordering tot schadevergoeding geheel of gedeeltelijk af te wijzen.” [51]
De Groene Spechtheeft uw Raad overwogen dat bij de beantwoording van de vraag wat redelijk is betekenis toekomt aan de mate waarin de koper (van een woning waaraan verbeteringen zijn aangebracht) door zijn verrijking daadwerkelijk is gebaat. Voorzover de koper door de investeringen van de verarmde weliswaar verrijkt maar niet daadwerkelijk gebaat is omdat hij de gekochte woning afbreekt en ter plaatse vervangt door een nieuwe woning, is het niet zonder meer redelijk dat hij de schade van de verarmde zou moeten vergoeden. [54]
subonderdeel 3.2is het oordeel van het hof onjuist, omdat het hof volgens
p.i., nr. 39heeft miskend dat het voor Glencore naar algemene ervaringsregels in algemene zin niet voorzienbaar was dat haar pandrecht zou vervallen aangezien (i) professionele partijen zoals Glencore, die bij een commerciële transactie een pandrecht vestigen op een zaak, dit naar algemene ervaringsregels doen in de veronderstelling dat dit pandrecht ook in faillissement kan worden geëxecuteerd; en (ii) de onduidelijkheid over de juridische status van het aluminium zodanig was dat partijen meer dan tien jaar hebben moeten procederen over de vraag of het aluminium was nagetrokken en de Rechtbank Amsterdam [56] en Gerechtshof Amsterdam [57] in feitelijke instanties bovendien hebben geoordeeld dat het aluminium niet was nagetrokken door de ovens. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het oordeel dat afdracht van de verrijking niet redelijk zou zijn omdat de natrekking voor Glencore in algemene zin voorzienbaar moest zijn, in dat licht volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
p.i., nr. 40is het oordeel dat afdracht van de verrijking onredelijk is daarnaast onjuist, althans onbegrijpelijk, ook indien geoordeeld moet worden dat het wél voorzienbaar was voor Glencore dat haar pandrecht kon vervallen, omdat uit de omstandigheden dat een pandrecht door natrekking van de verpande zaak kan vervallen en de voorzienbaarheid daarvan nog niet volgt dat afdracht van de verrijking niet redelijk zou zijn. Zou dit anders zijn, dan zou de actie uit ongerechtvaardigde verrijking voor de rechthebbende van een beperkt recht op zaken die veel verhandeld worden of gebruikt worden in een productieproces, in algemene zin niet mogelijk zijn, aldus de procesinleiding.
subonderdeel 3.2slaagt. Zoals hierboven is opgemerkt, kan het slagen van dit subonderdeel bij het falen van onderdeel 1 alleen tot cassatie leiden als ook subonderdeel 2.3 en ten minste één van de subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.4 slagen.
subonderdeel 3.3is het oordeel van het hof dat afdracht van de verrijking niet redelijk zou zijn, omdat het voor Glencore in algemene zin voorzienbaar moest zijn dat haar pandrecht zou vervallen door natrekking onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van Glencore in feitelijke instanties dat, kort gezegd, zowel (i) NB c.s. als (ii) Glencore de natrekking
in concretoniet voorzagen. Hieruit volgt volgens het subonderdeel dat afdracht van de verrijking wél redelijk is. De overweging van het hof dat het voor Glencore in algemene zin voorzienbaar moest zijn dat het pandrecht zou vervallen door natrekking, doet hieraan niet af en is overigens ook onjuist en onbegrijpelijk, betoogt het subonderdeel.
géénsprake zou zijn van natrekking, dat het behouden door NB van zowel het van Glencore afkomstige cashdepot als de verkoopopbrengst van de verkoop van het aluminium maakt dat NB ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Glencore. [58]
wélsprake zou zijn van natrekking van het aluminium – dat een aanvullende relevante omstandigheid voor de beoordeling van die vordering is dat NB in geval van natrekking, hoewel zij in november 2011 afstand had gedaan van haar pandrecht op het aluminium, verhaal kan nemen op het door Glencore ter beschikking gestelde cashdepot, terwijl het vervallen van NB’s pandrecht op het aluminium uitdrukkelijk was gekoppeld aan voornoemd cashdepot. [59] Glencore heeft gesteld dat NB ten onrechte van twee walletjes eet, door eerst afstand te hebben gedaan van haar pandrecht en zich vervolgens te verhalen op het cashdepot, waarna zij er ook nog eens met verkoopopbrengst van het pandobject (bedoeld is vermoedelijk: het gestolde aluminium) vandoor is gegaan. [60]
p.i., nr. 47) lijkt het hof uitsluitend de grondslag van Glencore’s hiervoor bij het eerste gedachtestreepje bedoelde subsidiaire vordering te hebben beoordeeld, aangezien het in rov. 4.4.7 overweegt dat er geen enkele grondslag is om het verhaal dat NB op het cashdepot kan of kon nemen te kwalificeren als ongerechtvaardigde verrijking ten koste van Glencore.
p.i., nr. 48niet dat en op welke wijze het hof de bij het tweede gedachtestreepje genoemde omstandigheden heeft betrokken in zijn oordeel over de beantwoording van de vraag of en in hoeverre afdracht van de verrijking door NB redelijk zou zijn, zodat het oordeel in dat licht onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, aangezien de genoemde omstandigheden eraan bijdragen dat afdracht van de verrijking wél redelijk zou zijn.
p.i., nr. 50is de klacht vervat dat het oordeel onjuist is, omdat het hof ten onrechte onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat NB zich al op het cashdepot heeft verhaald in ruil voor NB’s afstand van haar pandrecht op het aluminium waarop vervolgens het pandrecht van Glencore is gevestigd, waaruit (volgens het middel) volgt dat afdracht van de verrijking niet onredelijk is.
148.
Voor NB geldt specifiek dat zij ondanks het feit dat zij in november 2011 afstand had gedaan van haar pandrecht op Zalco's aluminiumvoorraad - waaronder vloeibaar aluminium in de ovens - zich in geval van natrekking desondanks op het Aluminium in de ovens zal kunnen verhalen. Dit, terwijl zij daarnaast heeft geprofiteerd van het cash depot ad EUR 3 mln dat Glencore ter beschikking heeft gesteld. Het vervallen van NB’s pandrecht was uitdrukkelijk gekoppeld aan voornoemd cash depot. Ingeval van natrekking eet NB van twee walletjes doordat zowel haar hypotheekobject in waarde toegenomen,terwijl zij ook het cash depot ad EUR 3 mln heeft behouden. Ook die verrijking is ongerechtvaardigd; de overeenkomst met Zalco op grond waarvan NB aanspraak kon maken op het cash depot ging er immers vanuit dat NB zich niet meer zou kunnen verhalen op het Aluminium in de ovens. Glencore is verarmd door deze gang van zaken. Haar schade bestaat niet alleen uit de afname van de waarde van haar pandobject, maar ook uit het verlies van de EUR 3 mln die in het cash depot van NB is gestort, welk bedrag zij zonder het Pandrecht niet ter beschikking zou hebben gesteld.”
171. Zoals eerder in dit pleidooi gezegd maakte de vestiging van het pandrecht onderdeel uit van een samenstel van rechtshandelingen aangegaan tussen Glencore enerzijds en Panther en BaseMet anderzijds. Onderdeel daarvan was een door Glencore verstrekte lening van EUR 6 miljoen. EUR 3 miljoen van die lening is in een cash depot ten goede gekomen aan NB. In ruil voor dit depot heeft NB haar pandrecht op de aluminiumvoorraad geheel vrijwillig doen vervallen. Glencore zou nimmer het cash depot ter beschikking gesteld hebben wanneer hier geen rechtsgeldig uit te winnen pandrecht tegenover zou staan.
4.4.6. Glencore stelt aanvullend dat NB ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij én is verrijkt doordat het aluminium onder het bereik is gekomen van het erfpachts- en opstalrecht waarop zij een hypotheek had (en (indirect) heeft meegedeeld in de opbrengst) én verhaal kan of heeft kunnen nemen op het cashdepot (hiervoor, 2.6), welke laatstbedoelde verhaalspositie zij juist had verkregen als tegenprestatie voor het prijsgeven van haar eigen pandrecht op het aluminium. Dit cashdepot had Glencore nota bene zelf gefinancierd, zo stelt zij, juist met het oog op het verkrijgen van een eigen (eerste) pandrecht op het aluminium.
p.i., nr. 48faalt, evenals in haar kielzog de klachten in
p.i., nrs. 49 en 50, Daarmee faalt
subonderdeel 3.4.