Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of de pandhouder Glencore een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan instellen tegen de hypotheekhouder NB c.s. nadat door natrekking het pandrecht op aluminium verloren is gegaan. Na het faillissement van Zalco, exploitant van een elektrolysefabriek, werd vloeibaar aluminium gestold en onderdeel van de fabriek, waardoor het pandrecht van Glencore verviel en de hypotheekrechten van NB c.s. zich daarop uitbreidden.
Glencore vorderde vergoeding van schade wegens vermeende ongerechtvaardigde verrijking van NB c.s., stellende dat de waarde van het onderpand door natrekking was toegenomen. Het hof wees deze vordering af, stellende dat NB c.s. niet was verrijkt omdat de waardedaling van het gehele onderpand door faillissement en stolling de waarde van het aluminium overstijgt. Bovendien was afdracht van een eventuele verrijking niet redelijk.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor verrijking bij de eiser ligt en dat natrekking niet automatisch leidt tot verrijking. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht de waardedaling van het gehele onderpand heeft betrokken bij de beoordeling van verrijking. Het cassatieberoep wordt verworpen en Glencore wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Glencore wordt verworpen en de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking afgewezen.