Conclusie
Nummer22/02377
Inleiding
stoffen/voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde/vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, en 2. “
stoffen/voorwerpen te koop aanbieden, verkopen en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde/vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”veroordeeld tot een geldboete van € 200.000,00.
Het middel
bestemd waren tothet plegen van een van de in artikel 11 lid 3 en Pro 5 van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit
wist. [1]
De bewezenverklaring
De bewijsmiddelen
De criminele bestemming niet zonder kan meer worden afgeleid uit de aard, het samenstel en de hoeveelheid van de aangetroffen goederen. Daarvoor is nadere steun in andere bewijsmiddelen vereist.
Er geen actieve onderzoeksplicht op verkopers van kweekmaterialen rust.
als het niet anders kan dan dathij zich bewust was van de criminele bestemming van de voorwerpen. Dat is natuurlijk belangrijk
."
Het voorhanden hebben en verkopen van de op de tenlastelegging vermelde stoffen en voorwerpen is niet bij wet verboden.
Het dossier bevat onvoldoende bewijsmiddelen waaruit zich een illegale bestemming van deze voorwerpen of stoffen laat vaststellen.
Het dossier bevat onvoldoende bewijsmiddelen waaruit de wetenschap of de ernstige reden om te vermoeden dat sprake is van een illegale bestemming met voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid.
Bewijsoverweging
Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof verklaard dat deze kweekschema’s niet specifiek bedoeld waren voor hennepteelt, maar slechts richtlijnen inhielden. Voorts is namens verdachte verklaard dat deze schema’s ook te gebruiken zijn in de tuin of op het balkon. Het hof acht deze verklaringen niet aannemelijk geworden. Dit geldt te meer nu blijkens de verklaring van [getuige] de kweekschema’s weliswaar zijn bedoeld voor groene planten, maar de kweekschema’s in ieder geval niet zijn bedoeld voor – naar het hof begrijpt typische tuin en/of balkon teelt van – bloemen, komkommer, sla en tomaten. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van deze getuige. Namens verdachte is over de kweekschema’s ter terechtzitting van het hof ook nog aangegeven dat de kweekschema’s ook beschikbaar waren voor promotie van de Bio-G-Power fertilizers, meststof, waarvoor verdachte het label laat maken en die verdachte zelf produceert. De kweekschema’s zouden helpen bij de vraag hoeveel liter nodig is. Verdachte heeft verklaard dat hij niet aan particulieren verkocht. Het hof vermag op geen enkele manier in te zien waarom genoemde (professionele) afnemers behoefte zouden hebben aan deze kweekschema’s, en acht de verklaring afgegeven namens verdachte voor de aanwezigheid van de kweekschema’s in het bedrijf dan ook niet aannemelijk.
en grote zwarte sporttassen.Deze goederen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard en/of functie
en/of (professionele) omvanggeschikt voor bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van een hennepkwekerij en daarmee bevorderen zij een professionele op winst gerichte hennepteelt. Daar komt bij dat een aantal van deze voorwerpen in relatiefgrote aantallen in voorraad werd gehouden.
Voornoemde verbalisant viel het namelijk op dat er producten, in het bijzonder slakkenhuisventilatoren, op de tabbladen stonden, die niet in de brochure voorkwamen. Ook viel het de verbalisant op dat de meeste producten bij productnaam werden genoemd, maar sommige producten slechts bij nummer. [verbalisant 3] kwam op basis van de getallen en prijzen samen met zijn collega tot het naar het oordeel van het hof terechte vermoeden dat de nummers slakkenhuisventilatoren in softboxen aanduidden.
Bovendien is namens verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij zich bewust was van de nieuwe regelgeving. In 2015 heeft er immers bij [verdachte] een controle in bet kader van de nieuwe wetgeving plaatsgevonden door middel van lijsten, waarna verdachte het assortiment heeft aangepast blijkens de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte. Ook heeft de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting verklaard geen producten te kunnen noemen, welke niet gebruikt kunnen worden in de hennepteelt. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard wel snoeischaren, namelijk de onder verdachte aangetroffen oogstschaartjes – in tegenstelling tot enig ander tuingereedschap – te verkopen. Het hof krijgt echter maar uiterst zelden dossiers onder ogen waarbij het gaat om aangetroffen hennepkwekerijen zonder dat daarin sprake is van dergelijke aangetroffen snoeischaren. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte wist dat de voorwerpen en stoffen bestemd waren voor grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt.
Het middel
bestemd waren tothet plegen van de in artikel 11a lid 3 en 5 van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en of zij daarvan
wetenschaphad. In de cassatieschriftuur worden door de steller van het middel verschillende argumenten aangedragen (p. 17 en 19-20) op grond waarvan hij meent dat noch de bewijsoverwegingen van het hof – voor zover met betrekking tot de ‘bestemming van de goederen’ [2] en de ‘wetenschap’ [3] – noch de door het hof daartoe gebezigde bewijsmiddelen, redengevend zijn voor de bewezen verklaarde wetenschap van een criminele bestemming.
Het juridisch kader
“weet of ernstige reden heeft om te vermoeden”dat die stoffen of voorwerpen
“bestemd zijn tot” (kort gezegd en voor zover thans van belang) de grootschalige c.q. beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. De wetsgeschiedenis bij artikel 11a van de Opiumwet vermeldt over dit bestemmingsvereiste het volgende:
NJ2018/281 m.nt. Rozemond, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis overwogen dat voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. [5] Voor de vaststelling van de bestemming van de voorwerpen (en de wetenschap daarvan), kunnen de voorwerpen worden bezien in hun onderlinge verband en in de context waarin deze zijn aangetroffen. [6] Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet is overigens niet vereist dat de in de lid 3 en 5 strafbaar gestelde feiten al kunnen worden gepleegd met louter de combinatie van de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft. [7]
De bespreking van het middel
nietmocht verkopen, dat de inkopen en leveringen administratief werden verantwoord en klanten facturen werden uitgereikt, doet aan het voorgaande niet af.