Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
23 september 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd op 13 juni 2007 op Schiphol aangehouden met ongeveer 20 kilogram poedermengsels van paracetamol, cafeïne en fenacetine, bestemd als versnijdingsmiddelen voor heroïne en cocaïne. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte wist van de illegale bestemming en de aanmerkelijke kans bewust aanvaardde.
De verdachte verklaarde dat hij door een onbekende was benaderd om de tassen met poeders te vervoeren naar Gran Canaria, en dat hij al voor zijn aanhouding besefte dat hij een fout had gemaakt. Het hof verwierp het verweer dat wetenschap ontbrak en oordeelde dat de verdachte willens en wetens handelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd was. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee maanden en drie weken wegens termijnoverschrijding; beroep voor het overige verworpen.