Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
[AG: bedoeld zal zijn ‘zij en haar’]mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
Stb. 2002, 624, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 oktober 2012,
Stb. 2012, 550, i.w.tr. op 8 januari 2013) wordt bepaald dat als grote hoeveelheid moet worden beschouwd: 500 gram hennep, 200 hennepplanten en 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II.
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
inwerden gedragen in plaats van uit, wat niet erg voor de hand ligt bij het opruimen van een hennepkwekerij. De verwerping van het verweer is naar mijn mening voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
6.Het vierde middel
NJ2022/95, m.nt. J.M. Reijntjes blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ uit art. 10a Opiumwet in dezelfde zin moet worden geïnterpreteerd als het bestanddeel ‘aanwezig hebben’ uit de artikelen 2 en 3 Opiumwet. [7] Gelet op hetgeen in het vorige randnummer is opgemerkt mag worden aangenomen dat die uitleg ook geldt voor het ‘voorhanden hebben’ uit art. 11a Opiumwet. Dat betekent dat van ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen sprake is “als de verdachte feitelijke macht over de voorwerpen (…) kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken”. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat voor de bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ niet is vereist dat de voorwerpen zich in de directe nabijheid van de verdachte bevinden. Evenmin hoeft te worden vastgesteld dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren [8] of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die voorwerpen. [9]
in aanbouw zijndehennepkwekerij is aangetroffen. In de woning zijn onder meer 35 assimilatielampen, twee luchtafzuigers, een slakkenhuis, drie temperatuurventilatieregelaars, gebruikte zwarte plastic potten met aarderestanten en zakken met potgrond aangetroffen. De verdachte is, samen met de medeverdachten, meerdere keren in de woning geweest. Op 23 juni 2017 droeg de verdachte samen met de medeverdachten goederen vanuit de auto de woning
binnenen op 28 september 2017 werden zij samen aangehouden in het pand. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2021 volgt dat de verdachte heeft verklaard drie maal in de woning te zijn geweest, waarvan de derde keer voor een periode van vier of vijf dagen. Verder heeft zij verklaard dat de woning erg vol was en dat zelfs de woonkamer helemaal vol lag met hout en ijzeren dingen.