Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
[eiser]respectievelijk
[verweerder]) sprake is van gemeenschappelijke eigendom van acht verschillende landbouwmachines die in de periode van 1985-2004 door hen beiden werden gebruikt. De rechtbank wijst de op die gemeenschappelijke eigendom gebaseerde vorderingen van [eiser] af, omdat zij het beroep van [verweerder] op rechtsverwerking honoreert. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd, daartoe overwegend dat [eiser] niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan met betrekking tot de voor de verkrijging van gemeenschappelijke eigendom vereiste levering aan partijen gezamenlijk ex art. 3:90 lid 1 BW Pro. [eiser] komt in cassatie tegen dat oordeel op met klachten die erop neerkomen dat het hof zijn vorderingen heeft afgewezen op grond van een niet door [verweerder] gevoerd verweer en dat het te hoge eisen heeft gesteld aan zijn bewijsaanbod betreffende de mede-eigendom (onderdelen 1-4), naar mijn mening tevergeefs. Onderdeel 5 bevat klachten waarbij [eiser] slechts belang heeft bij het slagen van de onderdelen 1-4. Ik behandel dat onderdeel daarom slechts ten overvloede.
2.Feiten en procesverloop
het hof) weergegeven in rov. 3.1-3.5 van het arrest van 1 november 2022 (hierna:
het bestreden arrest) [1] :
de landbouwmachines).
de shovel), in zijn bezit.
het p-v) opgemaakt. De spreekaantekeningen die door de advocaat van [eiser] zijn voorgedragen zijn aan het p-v gehecht.
het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen, hem in de proceskosten van [verweerder] veroordeeld, en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daaraan heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eiser] zijn rechten ten aanzien van de door hem gestelde gemeenschap nu nog geldend zou kunnen maken. De rechtbank overweegt dat [verweerder] onredelijk nadeel heeft geleden door de handelwijze van [eiser], omdat [verweerder] in grote mate in zijn bewijspositie is geschaad, en omdat [verweerder] door het staken van zijn bedrijf niet meer in staat is de claim zakelijk te verwerken, hetgeen beide te verwijten is aan [eiser] omdat hij zijn rechten al eerder geldend had kunnen maken.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
gekocht,maar niet dat de landbouwmachines, als ze wel gezamenlijk zijn gekocht, niet ook aan [eiser] en [verweerder] gezamenlijk zijn geleverd.
nieuweverweer niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen zonder [eiser] de mogelijkheid te bieden daarop te reageren, waarmee het oordeel dan tevens onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
NJ1996, 421). Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.” [5]
de koop/verkoop/levering of betalingen”aanwezig waren (mva onder 14) en volgens hem dus zelf niets kunnen verklaren over “
de titel van aankomst van de zaken, de levering en de betalingen” (mva onder 23), waaruit [eiser] kon afleiden dat door [verweerder] ook de levering ter discussie werd gesteld.
hijmede-eigenaar is geworden, niet dat [verweerder] geen exclusieve eigenaar is geworden. Voorts ziet de klacht eraan voorbij dat [verweerder] zich ter onderbouwing van zijn exclusieve eigendom niet alleen heeft beroepen op koop/overdracht, maar ook op zijn bezit en het eigendomsvermoeden van art. 3:119 BW Pro. [24]
onderdeel 3is gericht tegen de overweging dat [eiser] niet heeft gesteld of onderbouwd dat de acht landbouwmachines ook daadwerkelijk aan zowel [eiser] als [verweerder] gezamenlijk zijn geleverd (rov. 3.10).
Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof aldus art. 149 lid 1 Rv Pro heeft miskend. Daartoe wordt aangevoerd dat in de stellingen van [eiser] over gezamenlijke aanschaf/verwerving (mvg onder 7 en 13) voldoende duidelijk besloten ligt dat hij ten gevolge van de gezamenlijke aankoop van acht landbouwmachines mede-eigenaar van die machines is geworden. Omdat [verweerder] alleen bestreed dat [eiser] mede-koper is geweest en de stellingen voor het overige onbestreden heeft gelaten, mocht het hof niet van [eiser] verlangen dat hij de mede-eigendom nader onderbouwde.