ECLI:NL:PHR:2000:AA9143
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van mede-eigendomsgebouw en vergoeding tussen vennoten na ontbinding VOF
Partijen richtten in 1987 een vennootschap onder firma op voor exploitatie van een zaalverhuurbedrijf en kochten gezamenlijk een pand in mede-eigendom. Na ontbinding van de VOF in augustus 1987 zette één vennoot de exploitatie voort, waarbij het pand exclusief door hem werd gebruikt.
De eiser vorderde een maandelijkse gebruiksvergoeding van de verweerder voor het exclusieve gebruik van het pand, gebaseerd op de huurwaarde. De rechtbank wees de vordering af omdat de eiser onvoldoende bewijs leverde van inkomsten uit exploitatie door de verweerder. Het hof bevestigde dit oordeel, maar beperkte de vordering onterecht tot gevallen waarin de verweerder daadwerkelijk inkomsten uit het pand zou hebben genoten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door de vergoeding te koppelen aan winstgevende exploitatie. De mede-eigenaar die het pand exclusief gebruikt, moet de andere mede-eigenaar schadeloos stellen op basis van redelijkheid en billijkheid, ook zonder dat sprake is van exploitatie-inkomsten.
Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de juiste maatstaf voor de gebruiksvergoeding moet worden toegepast.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing over de gebruiksvergoeding.