Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietwaardeloos zijn. Ik denk aan nietigheden die een relatief karakter dragen en dus slechts ten gunste of ten nadele van bepaalde personen bestaan, alsook aan het geval dat de rechter aan een vernietiging geheel of gedeeltelijk haar werking heeft ontzegd (art. 3:53 lid 2 BW Pro). Aldus behoort men het begrip ‘waardeloze inschrijving’ op maat te snijden, naargelang bij de inschrijving wel of niet (nog) rechtens belang bestaat. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank nietigheid wegens strijd met de openbare orde en de goede zeden aangenomen (art. 3:40 lid 1 BW Pro). Die nietigheid draagt een absoluut karakter.
nietwaardeloos zou zijn geweest), verplicht zijn aan de onmiddellijk belanghebbende(n) een schriftelijke verklaring van waardeloosheid af te geven. Die verklaring kan vervolgens in de registers worden ingeschreven (lid 2).
Artikelen 3.11.4 en 3.11.4a[art. 3:300 en Pro 3:301 BW, AG]
.De commissie tekende aan dat in de memorie van toelichting (…) wordt opgemerkt dat een tot levering van een registergoed veroordelend vonnis meestal een voorwaardelijk karakter zal dragen, waarbij te denken valt aan een uitspraak die voor het geval de tegenprestatie nog niet is voldaan, bepaalt dat de uitspraak voor de akte in de plaats treedt vanaf het tijdstip dat de koopsom zich in handen van de verkoper of een door de rechter aangewezen derde bevindt. In dit verband vroeg zij hoe aan de hypotheekbewaarder aangetoond moet worden dat de gestelde voorwaarde ook in vervulling is gegaan.
.Artikelen 3.11.4 en 3.11.4a.De commissie heeft er terecht de aandacht op gevestigd dat de regeling van deze artikelen geen bepaling bevat voor het geval dat de werking van een vonnis, waarin is bepaald dat het voor de akte van levering in de plaats treedt, gebonden is aan de vervulling van een voorwaarde, als storting van de koopsom in handen van de verkoper of een door de rechter aan te wijzen derde. Aanvankelijk is gemeend dat dit aan de praktijk kan worden overgelaten, in dier voege dat aan de bewaarders der registers een bewijsstuk moet worden overgelegd, waaruit blijkt dat deze voorwaarde voor het in de plaats treden en daarmee ook voor de inschrijfbaarheid is vervuld. Bij nader inzien is dit evenwel onvoldoende duidelijk geoordeeld, nu voor de vergelijkbare gevallen van artikel 3.9.4.19 lid 2 en artikel 525 lid 2 Rv Pro. wèl een uitdrukkelijke bepaling noodzakelijk is geacht. In verband daarmee is artikel 3.11.4a van een nieuw derde lid voorzien, waarvan de inhoud voor zichzelf spreekt. (…)’ [23]
onderdeel 1is art. 3:29 lid 3 BW Pro niet van toepassing op het gedeelte van het dictum van het rechtbankvonnis onder 5.3. Omdat onder 5.3 wordt verwezen naar het gedeelte van het dictum onder 5.2 citeer ik ook die alinea:
subonderdeel 1Aheeft het hof miskend dat het inschrijvingsvoorschrift van art. 3:29 lid 3 BW Pro slechts geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment waarop het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats is getreden of nog kan treden van (een deel van) de notariële verklaring van waardeloosheid. Volgens de steller van het middel doet zich zo’n geval in deze zaak niet voor, omdat de rechtbank de akte slechts voorwaardelijk waardeloos heeft verklaard, namelijk slechts voor zover [eisers tot cassatie] niet tijdig meewerken aan de veroordeling tot afgifte van de door de Staat gevorderde notariële verklaring van waardeloosheid. Omdat de werking van die veroordeling volgens de steller van het middel is geschorst doordat [eisers tot cassatie] eerst hoger beroep en nu cassatieberoep hebben ingesteld, kon er nog geen sprake zijn van een schending van de medewerkingsverplichting door [eisers tot cassatie] en kon het vonnis nog niet in de registers worden ingeschreven.
en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen’(cursivering toegevoegd). De steller van het middel wijst ons erop dat bij toepassing van art. 3:301 BW Pro een overdracht tot stand komt, terwijl bij toepassing van art. 3:29 BW Pro juist niet een overdracht tot stand komt.
‘mutatis mutandisook kan worden toegepast in het kader van art. 3:29 BW Pro’. [40] In de tweede plaats is verrassend dat de steller van het middel ons niet vertelt welke andere regel met betrekking tot andere oordelen in dezelfde uitspraak in het kader van art. 3:29 BW Pro zou kunnen passen. Ik veronderstel dat hij niet zal bedoelen dat ook
nietonlosmakelijk met de waardeloosverklaring samenhangende oordelen door de niet-ontvankelijkheidssanctie van art. 3:29 lid 3 BW Pro worden getroffen. (Zou hij dat wel bedoelen, dan heeft hij bij de klacht uiteraard geen belang.) Aannemelijker lijkt me dat hij bedoelt dat het hoger beroep ontvankelijk is voor zover het ziet op oordelen die strikt genomen niet op de waardeloosverklaring zien, maar wel onlosmakelijk daarmee verbonden zijn. Ik probeerde de zin van die opvatting te bevatten, maar dat is mij niet gelukt. Hoe zou het zinvol kunnen zijn om in hoger beroep bijvoorbeeld de discussie over de nietigheid van de rechtshandelingen te kunnen voortzetten, met potentieel een andere uitkomst dan in eerste aanleg, als overeind moet blijven dat de inschrijving van die rechtshandelingen waardeloos is?
relevantanders is dan art. 3:301 BW Pro? Naast het door de steller van het middel aangeduide verschil, bestaat er mijns inziens ook veel overeenstemming, en is juist die overeenstemming hier relevant. Van die overeenstemming gaat de steller van het middel in ander verband (onderdeel 1) terecht ook zelf uit.
ook zonder toewijzing van het dictum onder 5.3 kunnen worden toegewezen(cursivering toegevoegd). Volgens het onderdeel is ‘daarmee’ van onlosmakelijke verbondenheid geen sprake.
voor zover[eisers tot cassatie] niet (tijdig) meewerkt aan de onder II. gevorderde verklaring van waardeloosheid, en bepaalt dat de verklaring ex artikel 3:29 BW Pro in de openbare registers voor registergoederen zal kunnen worden ingeschreven;