Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Groningen,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 maart 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de uitleg van art. 3:301 lid 2 BW Pro, dat vereist dat een rechtsmiddel tegen een vonnis dat in de plaats treedt van een leveringsakte binnen acht dagen na instellen wordt ingeschreven in het register bedoeld in art. 433 Rv Pro. De vraag was of deze inschrijvingsplicht ook geldt als de veroordeelde op het moment van het instellen van het rechtsmiddel al aan de veroordeling heeft voldaan.
De feiten betreffen een overeenkomst waarbij eiser een woning aan VM Vastgoed zou leveren. De rechtbank veroordeelde eiser tot medewerking aan de levering binnen 14 dagen, met de bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte als eiser niet meewerkt. Eiser heeft aan deze veroordeling voldaan door op de notaris te verschijnen en medewerking te verlenen, waarna de leveringsakte is ingeschreven.
Eiser stelde hoger beroep in, maar dit beroep werd niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 3:301 lid 2 BW Pro. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en overweegt dat het inschrijvingsvereiste alleen geldt indien het vonnis op het moment van het instellen van het rechtsmiddel daadwerkelijk in de plaats treedt van de leveringsakte of nog kan treden.
Omdat eiser al aan de veroordeling had voldaan en het vonnis niet in de plaats van de leveringsakte was getreden, was inschrijving niet vereist en was het beroep niet niet-ontvankelijk. De zaak wordt verwezen naar het hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van eiser is niet niet-ontvankelijk wegens het niet inschrijven in het rechtsmiddelenregister omdat het vonnis niet in de plaats treedt van de leveringsakte.