Conclusie
1.Overzicht
Middel Iricht zich tegen het oordeel van het Hof dat wijziging van de douaneregeling niet mogelijk is. Het middel wijst op diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof heeft volgens het middel eveneens onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het stellen van prejudiciële vragen niet nodig is.
Middel IIkomt op tegen het oordeel van het Hof over de vrijstelling voor terugkerende goederen en betoogt dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de termijn van drie jaar rechtvaardigen.
Middel Ifaalt om die reden.
middel IIfaalt. Belanghebbende heeft namelijk in hoger beroep niet voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot het bestaan van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de termijn die geldt voor deze vrijstelling is overschreden. Anders dan het middel betoogt, heeft belanghebbende de gelegenheid gehad bijzondere omstandigheden aan te voeren. Het oordeel van het Hof is dan ook geen verrassingsbeslissing.
2.Feiten en geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Herziening van de douaneaangifte (middel I)
Nederland/Commissie [15] ging het bijvoorbeeld om het verwerken van maïs en tarwe tot glucose. Een ander voorbeeld van actieve veredeling is de verwerking van ingevoerde kaas tot geraspte kaas. [16] Het voordeel van deze regeling is dat de veredelingsproducten buiten de Gemeenschap kunnen worden verhandeld zonder dat douanerechten worden verschuldigd.
Beeren- Wild-, Feinfrucht [20] heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een bepaling waarin de voorwaarden staan waaronder een vergunning voor – onder meer – de regeling bijzondere bestemming met terugwerkende kracht kan worden verleend, een materiële bepaling is. Die voorwaarden zijn namelijk bepalend voor het bestaan van een douaneschuld.
Beeren- Wild-, Feinfruchtvan belang:
Overland Footwear II [22] . In de zaak die tot dit arrest heeft geleid, gaat het om de herziening van de douanewaarde van schoenen, waartoe abusievelijk de inkoopcommissie is gerekend. De vraag die in die zaak aan de orde kwam is of de door de douaneautoriteiten uitgeoefende bevoegdheid om een douaneaangifte opnieuw te onderzoeken nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, een gebonden dan wel een discretionaire bevoegdheid is. Art. 78(3) CDW bepaalt immers dat de douaneautoriteiten tot herziening van de aangifte “kunnen” overgaan (4.8).
Terex Equipment e.a. [24] heeft het Hof van Justitie hieraan toegevoegd dat niet tot herziening wordt overgegaan als de doelstellingen van de douaneregelingen gevaar lopen. In deze zaak gaat het om de douaneregeling actieve veredeling. Het Hof van Justitie formuleert het als volgt (cursivering CE):
en dat de doelstellingen van de regeling actieve veredeling geen gevaar liepen, met name omdat de onder deze douaneregeling geplaatste goederen daadwerkelijk zijn wederuitgevoerd, moeten de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het douanewetboek de nodige maatregelen nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken (zie in de zin arrest Overland Footwear, reeds aangehaald, punt 52).”
Overland Footwear II(en latere jurisprudentie) volgt verder dat als gevolg van de herziening (alleen) terugbetaling van de rechten kan plaatsvinden, maar dat wel moet worden voldaan aan de voorwaarden van art. 236 CDW Pro. Er mag dus geen sprake zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de aangever, en het verzoek om terugbetaling is binnen – in beginsel – drie jaar ingediend. [25]
Overland Footwear II.
Overland Footwear IIverwoordt A-G Poiares Maduro het als volgt: [26]
Overland Footwear IIen ook uit latere jurisprudentie lijkt juist te volgen dat art. 78(3) CDW in beginsel geen beperkingen stelt met betrekking tot de elementen van de douaneaangifte die kunnen worden herzien. Zo overweegt het Hof van Justitie in het arrest
Veloserviss [27] – onder verwijzing naar het doel van het CDW en de logica van art. 78 CDW Pro – dat niet algemeen kan worden uitgesloten dat de douaneautoriteiten een herziening of andere controles achteraf van douaneaangiftes verrichten om in voorkomend geval een en ander recht te zetten:
Pfeifer & Langende jurisprudentie van het Hof van Justitie samen. De arresten lijken volgens de A-G de ene keer een meer restrictieve uitlegging van art. 78(3) CDW in te houden dan de andere keer. Hij betrekt in zijn bespreking de verhouding tussen het belang van de verstrekking van de juiste en volledige informatie (zie punt 33 van het citaat in 4.26) en het doel van het CDW en de logica van art. 78(3) CDW (punt 26 van het citaat in 4.27). Ik citeer (voetnoten weggelaten): [28]
Terex Equipment e.a. [30] niet aldus kan worden gelezen dat daarin is bevestigd dat de aangegeven douaneregeling zelf kan worden gewijzigd. Het Hof heeft dit oordeel bevestigd. [31] Middel I haalt het arrest
Terex Equipment e.a.aan ter ondersteuning van het standpunt dat herziening van de douaneregeling wel mogelijk is.
.A-G Hogan houdt in de hiervoor besproken conclusie bij het arrest
Pfeifer & Langennadrukkelijk de mogelijkheid open dat het Hof van Justitie in
Terex Equipment e.a.heeft geoordeeld dat een aangifte kan worden herzien wat de gekozen douaneregeling aangaat. Hij schrijft het volgende (cursivering CE):
Bovendien zou het arrest Terex ook aldus in die zin kunnen worden opgevat dat een aangifte kon worden herzien ten aanzien van de gekozen douaneregeling, terwijl op grond van artikel 4, onder 17, en artikel 59, lid 1, van het douanewetboek van 1992, de aangifte de handeling was waarbij de aangever het voornemen kenbaar maakte om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen.Tot slot was het Hof ook van oordeel dat de naam van de exporteur kon worden gewijzigd hoewel de toekenning van financiële voordelen afhankelijk is van de identiteit van de exporteur.
.Ter waarborging van het nuttig effect („effet utile”) van artikel 66 had Pro men kunnen overwegen dat dit de enige informatie was die de ongeldigmaking van de aangifte vereiste om te worden gecorrigeerd.
Zoals hiervoor uiteengezet, lijkt het Hof echter te hebben geoordeeld dat de door de aangever aan de goederen toegewezen douaneregeling op grond van artikel 78 kon Pro worden gecorrigeerd.”
Terex Equipment e.a. [34] deze zienswijze te volgen. Het Hof oordeelt (cursivering CE):
om een wijziging in de douaneprocedure, en dat bij gebreke van voorafgaande kennisgeving zoals is vereist in artikel 182, lid 3, van het douanewetboek geen rechtzetting mogelijk was.
Allereerst dient te worden vastgesteld, zoals de verwijzende rechters alsmede Wilson en Caterpillar doen, dat de „betrokken douaneregeling” in de zin van artikel 78, lid 3, van het douanewetboek de regeling actieve veredeling was,
die verzoeksters in de hoofdgedingen hadden toegepast door ten onrechte code 10 00 te gebruiken.
Terex Equipment e.a.geen uitsluitsel geeft over of de vraag of de herziening van de aangifte is toegestaan als de goederen onder een verkeerde douaneregeling zijn gebracht, val ik terug op de tekst van art. 78(3) CDW en de context van deze bepaling. Aan de ene kant is het verdedigbaar dat – zoals de Rechtbank overweegt – de tekst van deze bepaling meebrengt dat een aangifte enkel kan worden herzien als het gaat om het wijzigen van gegevens
binnen de betrokken douaneregelingen dat de regeling zelf niet kan worden gewijzigd (4.8). Aan de andere kant lijkt het Hof van Justitie niet in het algemeen elementen van de douaneaangifte van herziening te willen uitsluiten. Bij dit oordeel heeft het nadrukkelijk de tekst van art. 78(3) CDW in ogenschouw genomen (zie punt 25 van het citaat in 4.27).
CEVA Freight Hollandvolgt met name dat de mogelijkheid tot herziening in geval van ‘een onjuiste uitleg van het toepasselijke recht’ ruim wordt toegepast. In deze (Nederlandse) zaak had CEVA Freight goederen aangegeven onder vermelding van een – achteraf bezien – verkeerde postonderverdeling. Hierdoor waren douanerechten naar een tarief van 13,9% verschuldigd in plaats van 0%. De navordering van de douanerechten werd gebaseerd op de door CEVA Freight opgegeven prijzen. CEVA Freight had de douaneautoriteiten op grond van art. 78(3) CDW verzocht de douanewaarde van de betrokken goederen te verlagen naar een andere, lagere transactiewaarde. De douaneautoriteiten hadden geweigerd dit verzoek in te willigen mede omdat de vermelding van de douanewaarde berustte op een ‘bewuste keuze’ en omdat beide waarden juist waren.
Pfeifer & Langenvind ik bevestiging dat het Hof van Justitie geen elementen van de douaneaangifte van herziening uitsluit. Pfeifer & Langen had verzocht om een wijziging van de douaneaangifte ten einde te vermelden dat er een relatie van indirecte vertegenwoordiging bestaat tussen Pfeifer & Langen als aangever en de persoon die haar een volmacht heeft verleend. De douaneautoriteiten hebben geweigerd dit verzoek in te willigen, mede omdat de vermelding van de persoon van de aangever in een douaneaangifte niet onjuist of onvolledig kan zijn, zodat zij niet naderhand kan worden gewijzigd. [41]
CEVA Freight Hollanden
Pfeifer & Langenaan art. 78(3) CDW geeft, rekt de reikwijdte van die bepaling aanzienlijk op. Bezien tegen deze achtergrond is het herzieningsverzoek van belanghebbende dan ook niet vreemd. De zaken vertonen gelijkenissen. Net zoals CEVA Freight meende dat de douanewaarde niet ertoe deed vanwege het tarief van 0% waarvan zij ten onrechte is uitgegaan, meende belanghebbende bij het doen van aangiften dat het plaatsen van de goederen onder een schorsingsregeling niet van belang was, vanwege het preferentiële tarief waarvan zij ten onrechte is uitgegaan. [44] Het is verdedigbaar dat de keuze voor de douaneregeling geen ‘bewuste keuze’ was, omdat deze keuze was gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het recht (de Associatieovereenkomst).
Pfeifer & Langenbetrekt het Hof van Justitie het bepaalde in art. 66 CDW Pro in zijn oordeel. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid tot ongeldigmaking van de aangifte, onder meer indien goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven (4.10). Daarvoor is in beginsel geen ruimte meer als de goederen zijn vrijgegeven (art. 66(2) CDW), behoudens de in art. 251(1) UCDW geregelde gevallen (4.12). Het Hof van Justitie overweegt:
Pfeifer & Langenniet aan de orde.
Overland Footwear IIheeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over de verhouding tussen art. 65 CDW Pro en art. 78(3) CDW. Art. 65 CDW Pro heeft betrekking op de wijziging van de douaneaangifte
vóór de vrijgave van de goederen. Naar het oordeel van het Hof van Justitie voorzien deze twee bepalingen in twee verschillende regelingen:
Overland Footwear IIbieden dus geen antwoord op de vraag of art. 66(2) CDW in de weg staat aan wijziging van de douaneregeling op grond van art. 78 CDW Pro. Het is verdedigbaar dat de Uniewetgever de mogelijkheid van wijziging van de douaneregeling na de vrijgave van de goederen uitputtend heeft willen regelen in art. 66(2) CDW.
Guidance Documentvoorbeelden gegeven van situaties waarin de douaneaangifte nog gewijzigd kan worden op grond van art. 173(3) DWU. [49] Eén van de gevallen die hierin wordt genoemd, is de situatie die zich voordeed in de zaak die heeft geleid tot het arrest HvJ
Pfeifer & Langen. [50] Verder geeft de Commissie als algemeen uitgangspunt dat in principe elk element van de douaneaangifte kan worden gewijzigd. De Commissie lijkt echter een uitzondering te maken voor situaties waarin de aangifte ongeldig wordt gemaakt op grond van art. 174 DWU Pro: [51]
Zes Zollner Electronic. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, deed zich het volgende voor. SC Zes Zollner Electronic SRL (hierna: Zes Zollner), een Roemeense onderneming, heeft bij haar Zwitserse partner een bestelling geplaatst van 10.000 elektronische schakelingen. Hiervoor zijn twee facturen opgemaakt, elk voor 5.000 stuks. Bij het douanegrenskantoor zijn alleen de goederen waarop één van de facturen betrekking had, aangegeven. Bij ontvangst van de zending stelde Zes Zollner vast dat de zending de dubbele hoeveelheid goederen bevatte en dat de douaneautoriteiten daarmee geen rekening hebben gehouden. Deze onderneming heeft daarop de douaneautoriteiten verzocht de situatie te regulariseren. De douaneautoriteiten waren van oordeel dat Zes Zollner de goederen opzettelijk aan het douanetoezicht had onttrokken. De verwijzende rechter legde de vraag voor aan het Hof van Justitie of – kort gezegd – een extra hoeveelheid goederen moet worden geacht te vallen onder “andere goederen dan die waarop de oorspronkelijk douaneaangifte betrekking had”, in de zin van art. 173(1) DWU.
betrokken douaneregelinggelden” die op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast. Deze bewoordingen zouden erop kunnen duiden dat de douaneregeling zelf niet kan worden gewijzigd. Daartegen kan worden ingebracht dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat art. 78(3) CDW in beginsel geen beperkingen stelt met betrekking tot de elementen van de douaneaangifte die kunnen worden herzien (4.27). Bovendien volgt uit het arrest
CEVA Freight Hollanddat ‘een onjuist gegeven’ ruim moet worden uitgelegd. Uit dat arrest volgt namelijk dat een keuze in de douaneaangifte die op zichzelf bezien niet onjuist is en is gebaseerd op een onjuiste uitleg van het recht, in beginsel kan worden herzien (4.44). Echter, bedacht moet worden dat art. 66(2) CDW een regeling biedt voor de ongeldigmaking van de aangifte wanneer de goederen bij vergissing voor de in de aangifte genoemde douaneregeling heeft aangegeven, nadat de goederen zijn vrijgegeven (4.10). Belanghebbende heeft niet zo’n verzoek gedaan. Het is denkbaar dat deze specifieke bepaling voorgaat op art. 78(3) CDW. De jurisprudentie van het Hof van Justitie biedt hierover geen uitsluitsel (4.54).
CEVA. In zijn reactie schrijft de Inspecteur onder meer: [56]
Tigers [62] . In deze zaak hebben de douaneautoriteiten antidumpingrechten geheven naar een hoog tarief. Tigers kon echter achteraf een handelsfactuur overleggen die afkomstig was van een producent die werd genoemd in de uitvoeringsverordening waarbij de antidumpingrechten waren ingesteld. Voor goederen afkomstig van die producent waren lagere antidumpingrechten verschuldigd. Het Hof van Justitie oordeelt in het arrest dat de handelsfactuur ook nog na de douaneaangifte mag worden overgelegd:
Terex Equipment e.a.(4.23).
Döhler Neuenkirchen [63] :
Eurogate Distribution [64] oordeelt het als volgt over de verplichting om een voorraadadministratie te voeren (4.5):
Middel Ifaalt.
5.Terugkerende goederen (middel II)
waarvan van te voren niet vaststond dat deze alsnog zouden worden teruggezonden."
Middel IIfaalt ook.