Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
De Inspecteur heeft bij beschikking van 14 juni 2017 de verzoeken om herziening afgewezen en deze beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Hij stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 66 van Pro het CDW, herziening niet mogelijk is omdat wijziging van een foutief aangegeven douaneregeling alleen mogelijk is in een eerder stadium van het aangifteproces vóór de vrijgave van de goederen. Na die vrijgave kan volgens de Inspecteur geen herziening plaatsvinden, behalve in de zich hier niet voordoende situatie als beschreven in artikel 66, lid 2, van het CDW en artikel 251 van Pro de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de UCDW).
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van de middelen
De opvatting van de Inspecteur dat het alsnog verlenen van een vergunning actieve veredeling in algemene zin is uitgesloten wanneer de aangever aantoont dat ten tijde van aanvaarding van de douaneaangifte aan alle voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke vergunning werd voldaan, strookt niet met de door artikel 78 van Pro het CDW beoogde doelstelling om de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie in gevallen waarin wordt vastgesteld dat, gegeven die werkelijke situatie, de gevraagde herziening de doelstelling van de betrokken douaneregeling niet kan doorkruisen. Geen bepaling van het CDW of de UCDW verbiedt het de douaneautoriteiten om een vergunning voor een economische douaneregeling in het kader van een herziening van de douaneaangifte te verlenen als maatregel om een en ander recht te zetten.
De doelstelling en werking van de douaneregeling actieve veredeling en van de douaneregeling douane-entrepot zijn verschillend en dat geldt ook voor de aan het gebruik van de goederen gestelde voorwaarden en de verplichtingen die de aangever moet nakomen.
Wat betreft de douaneregeling actieve veredeling (artikel 114 van Pro het CDW) moet in elk geval komen vast te staan dat de desbetreffende goederen op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte waren bestemd om een of meer veredelingshandeling(en) te ondergaan, welke veredelingshandelingen waren voorgenomen en welke handelingen (uiteindelijk) daadwerkelijk zijn verricht, evenals wat de omstandigheden zijn (geweest) waarin die goederen na de vrijgave voor het vrije verkeer tot het tijdstip van wederuitvoer hebben verkeerd.
Wat betreft de douaneregeling douane-entrepot (artikel 98 van Pro het CDW) moet komen vast te staan dat de desbetreffende goederen op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte waren bestemd om te worden opgeslagen en na de vrijgave voor het vrije verkeer hebben verkeerd op een plaats waar goederen in overeenstemming met de voor de douaneregeling douane-entrepot geldende voorwaarden zijn opgeslagen, in afwachting van een opvolgende douaneregeling of wederuitvoer. Toepassing van de douaneregeling douane-entrepot is bijvoorbeeld niet mogelijk in opslagplaatsen die worden gebruikt voor de verkoop in het klein (zie artikel 527 van Pro de UCDW).
Een goed kan na de vrijgave niet tegelijkertijd in beide hiervoor beschreven situaties verkeren. Wanneer uit de door de aangever aangeleverde informatie niet is op te maken wat de werkelijke situatie is waarop de douaneprocedure (achteraf) moet worden afgestemd, is een verzoek om herziening niet voor inwilliging vatbaar.