2.3Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2021 blijkt dat de raadsman heeft gepleit overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen. Gelet op de strekking van het middel zal ik hierna de relevante passages uit het pleidooi citeren (met weglating van voetnoten):
“Feit 1: Plegen en medeplegen van oplichting door indienen van meerdere valse kot-aanvragen in de periode 13 september 2012 - 14 november 2014
12. De rechtbank is glashelder geweest in haar oordeel met betrekking tot de standpunten van het Openbaar Ministerie. Het exclusieve gebruik van het IP-adres met nummer [IP-adres 1] waarvan de aanvragen KOT afkomstig zijn kan niet aan [verdachte] worden gekoppeld en bovendien is niet gebleken dat de zilveren Lenovo laptop waar vervalste stukken op zijn aangetroffen aan [verdachte] toebehoort.
Het IP-adres
Geen koppeling op basis van bewijs
13. Het gros van de KOT aanvragen zijn afkomstig van het [IP-adres 1] . Het is buitengewoon merkwaardig dat het OM ook in het schriftuur persisteert bij de waarschijnlijkheid dat dit IP-adres aan [verdachte] gekoppeld kan worden. De koppeling tussen dit IP-adres en de [a-straat 1] is immers louter gebaseerd op een onderbuikgevoel.
14. Dat het OM stelt dat het: “
het meest waarschijnlijk het IP-adres door de verdachte werd gebruikt” toont de zwakte van de zaak. Deze conclusie is dan ook op geen enkele wijze onderbouwd met enige onderzoeksresultaten of gegevens van providers, maar slechts op een vermoeden omdat de IB-aangifte van [verdachte] ook via dit IP-adres zou zijn verzonden. Door het ontbreken van objectief bewijs voor de koppeling tussen het IP-adres en de [a-straat 1] alleen al kan er geen koppeling gemaakt worden tussen [verdachte] en het IP-adres.
Contra-indicaties: ander IP-adres aangetroffen bij huiszoeking
15. Meer nog, er bestaan juist zeer sterke contra-indicaties dat het IP-adres
nietaan het adres: [a-straat 1] gekoppeld kan worden. Tijdens de huiszoeking op 24 november 2016 is er immers onderzoek gedaan naar het IP-adres op de [a-straat 1] . Het resultaat daarvan laat niets aan de verbeelding over, het IP-adres is: [IP-adres 2] .Een ander IP-adres dan het adres waarvan de verweten KOT-aanvragen afkomstig zijn.
Contra-indicatie: Koppeling tussen IP-adres en de [b-straat 1]
16. Uit het dossier blijkt voorts dat het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] aan een heel ander adres te koppelen is, namelijk aan het adres van [betrokkene 4] . Ik citeer uit het verhoor van verdachte [betrokkene 12] :
“
Wij hebben gezien dat de aanvraag KOT is gedaan vanaf IP-adres [IP-adres 1] . Dit adres stond geregistreerd op het adres [b-straat 1] te Amsterdam. ”'
17. Niet de [a-straat 1] dus, maar de [b-straat 1] . Notabene het adres van [betrokkene 4] . Het is voor de verdediging overigens geen verrassing dat het IP-adres geregistreerd staat op naam van [betrokkene 4] , gelet op het alternatieve scenario dat in eerste aanleg is gepresenteerd en waar de verdediging later op terug zal komen.
18. En hoewel het Openbaar Ministerie nu in de schriftuur betwist dat het IP-adres toebehoort aan het woonadres van [betrokkene 4] is het tegendeel niet gebleken. Het PV dat pas gisterenavond is toegestuurd geeft geen inzicht in hoe de verbalisanten tot de conclusie zijn gekomen, waarom zij nu menen dat het een foutieve opmerking was en hoe het herstel PV 3 jaar na het oorspronkelijke verhoor tot stand is gekomen. De betwisting wordt tevens niet gestaafd met enig bewijs waarom de zo stellige conclusie van de politie niet zou kloppen. Ook volgt bijvoorbeeld niet welk IP-adres dan wel hoort bij de woning aan de [b-straat 1] . Daar is in 2016 ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de verdediging om meer onderzoek te verrichten naar het IP-adres geen onderzoek naar gedaan en ook na het presenteren van het alternatieve scenario is dit niet nader onderzocht.
19. Maar er is meer dat een koppeling tussen het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] en de [b-straat 1] rechtvaardigt, namelijk uit de verklaring van [betrokkene 4] zelf. [betrokkene 4] verklaart immers dat [betrokkene 13] en [alias] , de vrouwen die volgens [betrokkene 4] zogenaamd verantwoordelijk zijn voor de KOT-aanvraag, altijd een laptop bij zich hadden als ze bij [betrokkene 4] thuis oppasten. En op de vraag hoe [betrokkene 13] en/of [alias] aan de DIGID code van [betrokkene 4] zijn gekomen, die nodig is voor het aanvragen van een toeslag, antwoordt [betrokkene 4] : “
Ik heb toen zelf de code ingetoetst op de laptop van [alias] [...] [alias] zei dat ik later bericht zou krijgen over de aanvraag.” Ondanks de onbetrouwbaarheid van de verklaring omtrent de zogenaamde rol van [betrokkene 13] en/of [alias] kan uit haar verklaring een essentieel ding worden geconcludeerd: [betrokkene 4] heeft volgens haar eigen verklaring bij haar thuis ingelogd middels haar DIGID, de aanvraag moet dan ook bij [betrokkene 4] thuis zijn ingediend. DIGID logt zichzelf immers na slechts 15 minuten inactiviteit automatisch uit.
20. En als de aanvraag bij [betrokkene 4] thuis is ingediend, door wie dat dan ook gedaan zou zijn, betekent dit dat het IP-adres van de [b-straat 1] hetzelfde moet zijn als het IP-adres van waar de KOT-aanvraag van [betrokkene 4] is ingediend. En dat is uitgerekend het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] . Er is dus maar een conclusie mogelijk: het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] kan, ondanks de stellige betwisting van het OM, op basis van het dossier maar aan een adres gekoppeld worden, namelijk de [b-straat 1] .
[betrokkene 4] verhult haar IP-adres: verklaart aantoonbaar leugenachtig
21. Bovendien blijkt uit het verhoor van [betrokkene 4] dat zij het bestaan van een IP-adres op de [b-straat] probeert te verhullen. [betrokkene 4] verklaart aanvankelijk dat er geen internetverbinding op de [b-straat] was. Later in datzelfde verhoor verklaart zij echter dat zij een DIGID heeft aangevraagd en dat [betrokkene 13] en [alias] een laptop mee hebben genomen voor het doen van overboekingen. Beide handelingen waarvoor een internet verbinding vereist is.
22. Daarmee staat aantoonbaar vast dat [betrokkene 4] heeft gelogen over een internetverbinding op de [b-straat 1] . Vraag is waarom je zou liegen over het al dan niet bestaan van een internetverbinding op je woonadres? Omdat [betrokkene 4] weet dat er meerdere KOT-aanvragen afkomstig zijn van haar IP-adres, hetgeen haar een motief geeft om haar IP-adres koste wat het kost te verhullen.
Tussenconclusie ten aanzien van koppeling IP-adres:
23. Resumerend is er geen bewijs voor een koppeling van het IP-adres en [verdachte] , zijn er zelfs sterke contra-indicaties en volgt uit zowel het dossier als de verklaring van [betrokkene 4] dat het IP-adres van waar de aanvragen afkomstig zijn maar aan een adres gekoppeld kan worden: De [b-straat 1] .
Geen exclusieve gebruiker van het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] :
24. Tevens zijn er grote vraagtekens te plaatsen bij de bewijswaarde van het IP-adres omdat er geen sprake is van een exclusief gebruik van het IP-adres * [IP-adres 1] door één persoon. Vanaf het IP-adres eindigend op * [IP-adres 1] zijn immers 1625 digitale contacten geweest met de belastingdienst en is voor 40 verschillende personen raadplegingen gedaan van in de rubriek Toeslagen waaronder met de BSN-nummers van [betrokkene 15] en [betrokkene 4] . Met zoveel contacten kan er derhalve geen exclusieve gebruiker aan het IP-adres gekoppeld worden, laat staan dat specifiek [verdachte] als exclusieve gebruiker van het IP-adres aangemerkt kan worden.
25. Dat het OM toch [verdachte] als exclusieve gebruiker van het IP-adres aanmerkt is niet onderbouwd met enig bewijs. Dat haar IB-aangiften, huur- en zorgtoeslag aanvragen van dit IP-adres afkomstig zijn komt geen enkele bewijswaarde toe, temeer nu dit geldt voor nog 3 aanvragers, waaronder [betrokkene 15] en [betrokkene 4] . Conclusie: het IP-adres * [IP-adres 1] kan niet aan [verdachte] worden gekoppeld, laat staan het exclusief gebruik hiervan. Geen koppeling, geen exclusief gebruik en dus valt niet uit te sluiten dat andere personen dan [verdachte] het IP-adres hebben gebruikt voor de onterechte KOT aanvragen, zoals de rechtbank 2 jaar geleden al heeft geoordeeld.
Ook geen exclusief gebruik van de Lenovo laptop door [verdachte]:
26. Ten aanzien van de Lenovo laptop herhaalt het OM het standpunt door, zonder nader onderzoek, te menen dat de Lenovo laptop die op de [a-straat] is aangetroffen in gebruik is bij [verdachte] . Het OM baseert dit op het aantreffen van een CV en een adresboek.
27. Dat zij de gebruiker van de laptop is wordt door [verdachte] stellig ontkend. Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat [betrokkene 15] veelvuldig achter de laptop zat. Niet [verdachte] maar [betrokkene 15] is dus
degebruiker van de Lenovo laptop.
28. Over het aantreffen van het CV verklaart [verdachte] dat zij haar CV naar [betrokkene 15] heeft gemaild. Het CV kan zo op de Lenovo laptop terecht zijn gekomen. Deze verklaring wordt ondersteund door het dossier. Immers, zo volgt uit het dossier niet dat het document “CV” op de Lenovo laptop is opgesteld. Sterker nog, het CV is aangetroffen in de map “
downloads.” Een locatie die exact past in de verklaring van [verdachte] en waardoor vast komt te staan dat het CV
nietop de Lenovo laptop is opgesteld.
29. Dan is er nog het adresboek dat is aangetroffen op de laptop. Een adresboek waarvan wordt aangenomen dat het van [verdachte] is omdat haar telefoonnummer is opgeslagen onder de naam “ikke”. Maar het adresboek bevat tevens een contra-indicatie om aan te nemen dat het om [verdachte] ’s adresboek gaat. In de lijst wordt immers ook het contact “advocaat Berendse” aangetroffen. Een advocaat waar [verdachte] nooit eerder contact mee heeft gehad.
30. Maar zelfs als uw Hof van mening is dat het adresboek wel aan [verdachte] toebehoort deelt de verdediging de vaststelling van de rechtbank dat slechts het aantreffen van een CV en een adresboek onvoldoende is om het exclusieve gebruik van de laptop aan [verdachte] toe te schrijven. Dan hadden er meer aanwijzingen moeten zijn, bijvoorbeeld ingelogde social media-accounts, bankgegevens, foto’s etc. Dergelijke “persoonlijke” informatie kan bij uitstek wat zeggen over de gebruiker van de laptop, maar dit ontbreekt geheel in het dossier.
31. Bovendien wordt de verklaring van [verdachte] dat [betrokkene 15] de gebruiker is van de laptop ondersteund door de verklaring van getuige [betrokkene 16] . [betrokkene 16] verklaart immers dat uitgerekend [betrokkene 15] altijd met de laptop in de weer was, en [betrokkene 16] kan het weten, want zij kwam veelvuldig bij [betrokkene 15] en [verdachte] over de vloer nu [verdachte] in de tenlastegelegde periode leidde aan psychische problematiek en [betrokkene 16] droeg in die periode zorg voor de kinderen.
32. In lijn met de uitspraak van de rechtbank d.d. 13 juni 2019 is de verdediging dan ook van mening dat het dossier onvoldoende bevat om met zekerheid vast te kunnen stellen dat de laptop bij [verdachte] in gebruik is geweest. Laat staan dat [verdachte] de exclusieve gebruiker van de laptop is.
Tussenconclusie ten aanzien van IP-adres en laptop:
33. Resumerend houden ook in hoger beroep de twee belangrijkste punten in de argumentatie van het OM, te weten het IP-adres en de laptop, geen stand. Van het IP-adres staat immers onomstotelijk vast dat het niet aan [verdachte] maar eerder aan [betrokkene 4] gekoppeld kan worden. En ook de laptop kan niet direct aan [verdachte] worden gekoppeld, daar is het bewijs te mager voor, zeker nu getuige [betrokkene 16] verklaart dat het juist [betrokkene 15] is die gebruik maakte van die Lenovo laptop.
45. Voorts stelt het OM dat de geldstromen van en naar de rekening van [verdachte] , hun dochter en [betrokkene 15] een aanwijzing zijn voor betrokkenheid bij de KOT-aanvragen. Het is opmerkelijk om te zien dat het OM blind geloof lijkt te hechten aan de verklaring van [betrokkene 15] dat [verdachte] zijn rekening beheerde. Temeer nu [betrokkene 15] geen enkele verklaring geeft voor het feit dat hij zijn eigen rekening niet in beheer zou hebben of waarom hij zijn eigen rekening niet beheert.
46. Daar tegenover staat de verklaring van [verdachte] dat het juist [betrokkene 15] was die zijn eigen rekening, de rekening van hun dochter en de rekening van [verdachte] beheerde, maar haar verklaring wordt als ongeloofwaardig weggezet. Dit terwijl [verdachte] wel duidelijk en uitdrukkelijk verklaart waarom juist [betrokkene 15] zowel haar persoonlijke rekening als de rekening van haar dochter in beheer had. [verdachte] ging tussen 2013 en 2016 immers door een gitzwarte periode in haar leven. Dat begon tijdens de zwangerschap. [verdachte] vertoonde depressieve klachten. Nadat het dochtertje van [verdachte] na slechts een maand is overleden zijn deze klachten substantieel toegenomen. [verdachte] leefde als een kluizenaar, de depressiviteit nam toe en [verdachte] heeft zelfs gepoogd zelfmoord te plegen. In een dergelijke geestestoestand is de dagelijkse administratie en het beheer van een bankrekening wel het laatste waar je zin in hebt, waardoor de verklaring dat [betrokkene 15] de administratieve taken op zich heeft genomen zeer aannemelijk is. [betrokkene 15] voerde het beheer over zijn eigen rekening, de rekening van [verdachte] en de rekening van dochter.
47. Aan de geldstromen van en naar de rekening van [verdachte] , haar dochter en [betrokkene 15] komt derhalve ook geen enkele bewijswaarde toe nu [betrokkene 15] zowel de privérekening van [verdachte] als de rekening van dochter beheerde.
48. Het Openbaar Ministerie stelt dat [verdachte] de gemachtigde was van de rekening van dochter (met rekeningnummers - [rekeningnummer 2] en - [rekeningnummer 3] ) en baseert dit op de handtekeningenkaart afkomstig van de ABN-AMRO. Dit ligt echter genuanceerder. [verdachte] heeft immers geen handtekening gezet om gemachtigde van de rekening te worden, maar de handtekening is gezet voor het openen van de rekening. [betrokkene 15] is immers niet erkend als vader en mocht derhalve niet alleen de rekening openen, daar was de handtekening van [verdachte] voor vereist.
49. Feit blijft echter dat de rekening van [betrokkene 15] gekoppeld was aan de rekening van [betrokkene 15] en hij derhalve in de gelegenheid was om transacties met de rekeningen van dochter (- [rekeningnummer 2] en - [rekeningnummer 3] ) te verrichten. Dat kan immers niet anders nu een jongerenrekening bij de ABN-AMRO enkel geopend kan worden als deze gekoppeld is aan een “volwassenenrekening” van de ABN. [verdachte] heeft echter aantoonbaar alleen rekeningen bij de ING, met rekeningnummer - [rekeningnummer 4] . [betrokkene 15] daarentegen heeft wel een ABN-AMRO rekening, en wel met nummer - [rekeningnummer 5] . Het kan niet anders dan dat de rekening van dochter aan de ABN Rekening van [betrokkene 15] is gekoppeld.
50. Het is dus [betrokkene 15] die door de koppeling tussen zijn rekening en de rekening van dochter transacties kon verrichten, inzage had in de rekening en hier het beheer over voerde. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdediging door middel van onderzoekswensen getracht aan te tonen dat de rekening van [betrokkene 1] (dochter) gekoppeld was aan de rekening van [betrokkene 15] . Deze onderzoekswensen zijn in eerste aanleg echter categorisch door het Openbaar Ministerie afgewezen.
51. Maar uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat het [betrokkene 15] is die toegang heeft tot de betaal- en spaarrekening van dochter. Meer nog, uit het dossier blijkt zelfs onomstotelijk dat hij hieraan uitvoering heeft gegeven door het verrichten van transacties.
52. Notabene de dag waarop [betrokkene 4] haar KOT-toeslag heeft ontvangen heeft zij een contante opname van € 1.000,-- gedaan en heeft zij gepoogd € 8.500 over te maken naar de rekening van dochter [betrokkene 1] (- [rekeningnummer 2] ). Nog dezelfde dag wordt er een bedrag van € 7.500 overgemaakt van de rekening van dochter (- [rekeningnummer 2] ) naar [betrokkene 15] . Dit wekte bij de ABN-AMRO [argwaan] nu het bedrag direct via de spaarrekening werd overgemaakt. Wie moest vervolgens naar de ABN-AMRO verschijnen om het bedrag terug te storten c.q. vrij te geven? Uitgerekend [betrokkene 15] . Het is [betrokkene 15] die daarvoor heeft getekend. Ook hiervan heeft de verdediging getracht deze handtekening te achterhalen, maar ook hier stuitte zij op weerstand van de zijde van het OM. Maar dit volgt wel onomstotelijk uit de bankafschriften. Op 22 september 2014 is een bedrag van € 7.500 direct overgemaakt van [betrokkene 15] naar [betrokkene 4] met als omschrijving retour naar afzender. [betrokkene 15] heeft hier dus toestemming voor gegeven. En ook uit de verklaring van [betrokkene 4] volgt dit. [betrokkene 4] stelt dat de medewerkster van de bank haar vertelde dat er een
manbij de bank was gekomen in verband met het overgeboekte en vastgehouden geldbedrag.” [betrokkene 15] dus.
53. [betrokkene 15] had dus niet alleen toegang tot de bankrekening, maar ook was hij bevoegd om transacties te verrichten, te tekenen en meer nog, hij was zelfs aanspreekpunt nu de ABN-AMRO [betrokkene 15] had ontboden om op een kantoor te verschijnen en niet [verdachte] . Hieruit is maar een conclusie mogelijk: het is [betrokkene 15] die verantwoordelijk is voor de rekeningen van dochter, hij voerde het beheer, hij verrichte de transacties en hij werd aangesproken door het OM.
54. Maar zelfs als uw Hof hier twijfels bij plaatst en in tegenstelling tot de verdediging meent dat [verdachte] bedragen zou hebben gepind en/of de rekening heeft aangewend zegt dat conform jurisprudentie van uw hof niet dat zij betrokken is bij de oplichting en/of valsheid in geschrifte. In een vergelijkbare zaak uit 2018, was eveneens sprake van een alternatief scenario. De verdachte heeft een scenario gepresenteerd waarin niet de verdachte maar haar partner verantwoordelijk was voor de aanvragen en zij hier geen weet van heeft gehad. Dit scenario is door uw Hof overgenomen nu het op grond van het dossier niet kon worden weerlegd. Verschil met deze zaak is dat in die zaak vast stond dat de verdachte af en toe geld van de rekening pinde waar KOT op binnen kwam. Bovendien stond de rekening op naam van die verdachte. Dat is meer dan in de zaak jegens [verdachte] , nu in onderhavige zaak
nietvast is komen te staan dat [verdachte] transacties heeft verricht en/of betalingen heeft gedaan. Ondanks dit gegeven oordeelde uw hof dat het aanwenden van gelden onvoldoende is voor een bewezenverklaring ter zake oplichting en/of valsheid in geschrifte." Nu in casu zelfs niet vaststaat dat [verdachte] de rekeningen beheerde, laat staan geld van de rekeningen heeft aangewend, kan de rekening niet bijdragen aan het bewijs ter zake haar betrokkenheid bij de oplichting en/of valsheid in geschrifte.
55. Met weerlegging van alle argumenten die door het OM [zijn aangedragen] is maar één conclusie mogelijk: op grond van dit dossier kan onmogelijk de betrokkenheid van [verdachte] worden bewezen. Het IP-adres is niet te koppelen, het exclusieve gebruik van de laptop valt niet aan [verdachte] te koppelen en het beheer van de bankrekeningen en verrichten van transacties zijn niet aan [verdachte] toe te schrijven. Absoluut onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring ter zake oplichting (feit 1), de valsheid in geschrifte (feit 2) en het witwassen (feit 4).”
Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot de bewijsvoeringvan de feiten 1, 2 en 4 en de door de verdediging in dat verband gevoerde verweren het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“
De verweren
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten en heeft het volgende aangevoerd.
Het IP-adres
Er is geen bewijs voor een koppeling tussen het IP-adres waarvan het gros van de KOT-aanvragen zijn gedaan en (het adres van) de verdachte. Het dossier bevat zelfs sterke contra-indicaties voor die koppeling. Uit het dossier en de verklaring van [betrokkene 4] volgt dat het IP-adres van waar de aanvragen afkomstig zijn aan haar adres kan worden gekoppeld. Tevens zijn er grote vraagtekens te plaatsen bij de bewijswaarde van het IP-adres aangezien er geen sprake is van gebruik hiervan door één persoon.
De laptop
De verdachte betwist dat zij de gebruiker was van de Lenovo laptop die aan de [a-straat 1] is aangetroffen. Volgens de verdachte was niet zij maar haar toenmalige partner [betrokkene 15] de gebruiker van de laptop. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 16] . Het aantreffen van het CV van de verdachte en een adresboek waar haar telefoonnummer onder de naam “ikke” is opgeslagen is onvoldoende om aan te nemen dat het om de laptop van de verdachte ging. Het aantreffen van een CV en een adresboek is onvoldoende om het exclusieve gebruik van de laptop aan de verdachte toe te schrijven.
Het e-mailadres [e-mail] @live.nl
Niet duidelijk is wat het verband is tussen het e-mailadres [e-mail] @live.nl en de KOT-aanvragen. Bovendien is uit onderzoek van de verdediging onomstotelijk naar voren gekomen dat dit e-mailadres niet door de verdachte maar door [betrokkene 15] gebruikt is en wordt.
De geldstromen
Het openbaar ministerie lijkt blind geloof te hechten aan de verklaring van [betrokkene 15] dat de verdachte zijn rekening beheerde. De verdachte stelt dat [betrokkene 15] het beheer voerde over zijn eigen rekening, de privérekening van de verdachte en de rekening van haar dochter. Aan de geldstromen van en naar de rekening van verdachte, haar dochter en [betrokkene 15] komt derhalve geen enkele bewijswaarde toe.
Wat betreft de rekeningen van de dochter van de verdachte (met rekeningnummers - [rekeningnummer 2] en - [rekeningnummer 3] ) geldt dat het openbaar ministerie de verdachte als gemachtigde beschouwt vanwege de handtekeningkaart. De verdachte heeft echter geen handtekening gezet om gemachtigde van de rekening te worden. De handtekening is gezet voor het openen van de rekening. [betrokkene 15] was in de gelegenheid transacties met de rekeningen (- [rekeningnummer 2] en - [rekeningnummer 3] ) van de dochter te verrichten, had daar inzage in en voerde daar ook het beheer over. Uit het dossier blijkt zelfs onomstotelijk dat [betrokkene 15] de transacties verrichtte. Zo heeft [betrokkene 4] de dag waarop zij haar KOT-toeslag heeft ontvangen een contante opname van € 1.000,- gedaan en heeft zij gepoogd € 8.500,- over te maken naar de rekening van de dochter van de verdachte (- [rekeningnummer 2] ). Nog dezelfde dag wordt er een bedrag van € 7.500,- overgemaakt van de rekening van de dochter van de verdachte (- [rekeningnummer 2] ) naar [betrokkene 15] .
Tot slot geldt dat zelfs indien het hof hier twijfels bij plaatst en meent dat de verdachte bedragen zou hebben gepind en/of de rekening zou hebben aangewend, dit conform jurisprudentie van het hof niet betekent dat de verdachte betrokken is geweest bij de oplichting en/of valsheid in geschrift.
Ten aanzien van (mede)plegen van de aanvraag van [betrokkene 1]
Verzocht wordt de verdachte vrij te spreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op (mede)plegen van de KOT-aanvraag met betrekking tot [betrokkene 1] . De verdachte ontkent dat zij de aanvraag heeft gedaan en haar kan geen exclusief gebruik van de laptop en/of het IP-adres worden toegeschreven. Dat de gelden op haar rekening zijn ontvangen betekent niet dat zij degene is geweest die de aanvraag ook daadwerkelijk heeft ingediend, zo blijkt uit het reeds aangehaalde arrest van het hof. Ook medeplegen kan niet worden vastgesteld. Een ander scenario, waarin de ex-partner van de verdachte verantwoordelijk is voor de aanvragen, kan niet worden uitgesloten.
(Mede)plegen van andere acht aanvragen
Verzocht wordt de verdachte vrij te spreken van het plegen van oplichting met KOT-aanvragen. Het blijkt niet dat de verdachte aanwezig is geweest bij de aanvragen en/of daadwerkelijk de aanvragen heeft ingediend. De verdachte is ook niet als medepleger betrokken. Ten slotte blijkt niet dat de verdachte enig voordeel heeft genoten.
Feit 2
Het enkele aantreffen van documenten op een laptop afkomstig uit de woning van de verdachte en [betrokkene 15] is onvoldoende om de verdachte als medepleger van het voorhanden hebben van deze documenten verantwoordelijk te houden. De verdachte had geen wetenschap van het bestaan van de jaaropgave van [F] van 2012, laat staan dat uit het dossier volgt dat zij het document voorhanden heeft gehad of heeft opgesteld, dan wel ingediend. Er is dan ook geen opzet om het document als echt te gebruiken. Uit het dossier blijkt niet dat de jaaropgave over 2012 van [C] aangaande [betrokkene 2] is vervalst en deze jaaropgave is niet op de laptop aangetroffen. Ook de jaaropgave over 2012 van [G] op naam van [betrokkene 11] is niet op de laptop uit de woning aangetroffen.
De verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van of toegang te hebben gehad tot de plaatsingsovereenkomst tussen [C] en [betrokkene 4] en van de rekeningafschriften op naam van [betrokkene 6] . Uit het dossier volgt niet dat de plaatsingsovereenkomst of de afschriften door de verdachte zouden zijn opgesteld dan wel door haar zouden zijn ingediend.
Feit 4
Niet is gebleken dat de verdachte de door de aanvragers gestorte bedragen voorhanden heeft gehad. [betrokkene 15] was degene die haar rekening en de rekening van haar dochter in die periode beheerde. De verdachte wist niet dat deze bedragen van een misdrijf afkomstig waren. De blijkens A-08-AMB-023 in de tenlastegelegde periode gestorte bedragen zijn substantieel lager dan het verweten bedrag van € 97.394,-. Het dossier bevat ook onvoldoende bewijs dat de verdachte een bedrag van € 3.000,- contant van Ince heeft ontvangen. Wat betreft de “eigen aanvraag” hebben 9 van de 26 transacties niet plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode.
Indien de verdachte al verantwoordelijk kan worden gehouden voor het witwassen van bedragen die zij in de tenlastegelegde periode van andere aanvragers heeft ontvangen, kan dit tot maximaal € 56.018,-. Niet kan worden bewezen dat de verdachte het bedrag in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad dan wel dat zij ten aanzien van de verweten bedragen gedragingen heeft verricht die zijn gericht op het verhullen van de herkomst daarvan.
Het oordeel van het hof
Het hof zal hierna de feiten en omstandigheden uiteenzetten op grond waarvan het hof het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 tenlastegelegde bewezen acht. Het hof zal op de verweren van de raadsman reageren voor zover deze niet weerlegd worden door de inhoud van de bewijsmiddelen.
In de periode van 13 mei 2013 tot 19 juni 2014 is IP-adres [IP-adres 1] gebruikt om voor 14 BSN aanvragen en/of wijzigingen van de kinderopvangtoeslag in te dienen en voor 16 BSN om naar een lopende kinderopvangtoeslag of een andere toeslag te kijken. Vanaf dat IP-adres is, onder meer, de KOT van de verdachte geraadpleegd, en zijn de zorgtoeslag, de huurtoeslag, het kindgebonden budget en de IB aangifte van de verdachte geregeld.Voorts zijn vanuit dit IP-adres meerdere KOT aanvragen/wijzigingen ingediend, waaronder die van:
- [betrokkene 2] . Datum indiening: 29 augustus 2013; onterecht uitbetaald: € 12.429,-;
- [betrokkene 4] . Datum indiening: 15 mei 2014; onterecht betaald: .€ I7.009,-;
- [betrokkene 6] . Datum indiening: 23 september 2013; onterecht betaald: € 37.520,-;
- [betrokkene 8] . Datum indiening: 23 september 2013; onterecht uitbetaald 25.485,-.
Volgens Toeslagen is het meest waarschijnlijk dat de aanvragen verzonden werden vanaf het adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] . Dit is het (toenmalige) woonadres van de verdachte (en van haar toenmalige partner [betrokkene 15] ).
De eigen KOT
Uit een uitdraai van het Burgerportaal van de Belastingdienst, blijkt dat voor het kind met BSN-nummer [BSN 1] met ingang van 1 augustus 2012 voor 230 uren per maand aan kinderopvang bij het Kinderdagverblijf [A] is opgegeven bij de Belastingdienst. Dat BSN-nummer is gekoppeld aan [betrokkene 1] , het kind van de verdachte. Op 8 oktober 2014 heeft de Belastingdienst/FIOD de opvanggegevens van het kind [betrokkene 1] over de jaren 2012 tot en met 8 oktober 2014 opgevraagd bij [A] . Op 9 oktober 2014 heeft de locatiemanager van onder meer kinderdagverblijf [A] laten weten dat dat kind geen gebruik maakt van opvang op kinderdagverblijf [A] .
De verdachte heeft gedurende de periode van mei 2012 tot en met juni 2014 voor haar kind [betrokkene 1] kinderopvangtoeslag aangevraagd. [betrokkene 1] zou in die periode opvang hebben genoten bij kinderopvanginstelling [F] en [A] . Bij navraag bij deze kinderopvanginstellingen werd de Belastingdienst/FIOD verteld dat het kind aldaar geen opvang had genoten respectievelijk dat het kind niet in de administratie bekend was. Door of namens verdachte zijn diverse bescheiden overgelegd waaruit de daadwerkelijke opvang zou moeten blijken. Overgelegd zijn onder meer een jaaropgave 2012 van [F] en een jaaropgaaf 2012 van [G] waar [A] onder valt. Gelet op de reactie van de kinderopvanginstellingen heeft geen daadwerkelijke opvang plaatsgevonden en zijn de overgelegde bescheiden vermoedelijk vals. Daarnaast zijn door de verdachte kopieën van bankafschriften overgelegd waarin staat dat er geld naar de kinderopvanginstelling overgemaakt is. Nadat van de bank bankafschriften gevorderd zijn, is het gebleken dat de overgelegde bankbescheiden vervalst waren en geen betalingen aan de kinderopvanginstellingen hadden plaatsgevonden. Aan de verdachte is kinderopvangtoeslag ten onrechte uitbetaald.
De KOT van [betrokkene 2]
Uit een uitdraai van het Burgerportaal van de Belastingdienst, blijkt dat voor het kind met BSN-nummer [BSN 2] met ingang van 1 mei 2013 voor 175 uren per maand aan Buitenschoolse opvang [B] is opgegeven bij de Belastingdienst. Op 28 januari 2016 heeft de Belastingdienst/FIOD bij [H] de opvanggegevens van het kind [betrokkene 3] - zoon van [betrokkene 2] - opgevraagd met betrekking tot buitenschoolse opvang bij BSO [B] sinds I mei 2013. Namens de curator in het faillissement van [H] , kreeg de Belastingdienst op 28 januari 2016 bericht dat zowel het kind als de ouder niet te vinden zijn en dat er geen opvang is afgenomen bij [H] .
Volgens de verklaring van [betrokkene 2] heeft zij aan een vrouw verteld dat haar zoon vanaf augustus 2012 niet meer op de kinderopvang zat. Die vrouw heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat men tot 13 jaar nog kinderopvangtoeslag kan aanvragen. Die vrouw heeft toen een nieuwe aanvraag ingediend voor 2013. Deze is ook uitbetaald en [betrokkene 2] heeft daarvan een deel aan die vrouw betaald. Die vrouw heeft de aanvraag van 29 augustus 2013 voor de kinderopvangtoeslag 2013 opgesteld en ingediend. Op die aanvraag staat dat dat [betrokkene 3] (BSN [BSN 2] ) met ingang van 1 mei 2013 buitenschoolse opvang zou hebben bij BSO [B] voor 175 uren per maand à € 6,50 per uur. [betrokkene 2] wist wel dat dit voor haar was aangevraagd en ingediend. De gegevens kloppen niet. Het zijn wel de gegevens van haar zoon maar de rest klopt niet. Haar zoon is in 2013 niet naar de BSO [B] geweest. [betrokkene 2] wist dat de voor haar gedane aanvraag kinderopvang 2013 vals was maar heeft er wel gebruikt van gemaakt. Zij heeft een valse aanvraag gedaan. Zij heeft haar DigiD code afgegeven. Zij moest dat toen opschrijven voor die tussenpersoon omdat zij het ook nog voor 2013 zou opvragen en [betrokkene 2] nog moest betalen.
De KOT van [betrokkene 4]
Uit een uitdraai van het Burgerportaal van de Belastingdienst, blijkt dat voor het kind met BSN-nummer [BSN 3] met ingang van 1 april 2014 voor 150 uren per maand aan kinderopvang bij [C] is opgegeven bij de Belastingdienst. Op 21 januari 2016 heeft de Belastingdienst/FIOD aan [C] gevraagd of het kind [betrokkene 5] met BSN-nummer [BSN 3] vanaf 1 april 2014 opvang heeft genoten. [C] heeft op 21 januari 2016 laten weten dat zij dat kind in hun systeem niet kon vinden en dat dat kind niet bij [C] geplaatst is geweest.
[betrokkene 4] heeft verklaard dat haar kinderen niet op de opvang [C] of [I] zaten. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij in 2014 zaken heeft gedaan met gastouderopvang [J] . Twee dames zijn op een gegeven moment bij haar thuis gekomen. Zij hebben zich voorgesteld als [betrokkene 14] en [alias] . Zij legitimeerden zich met een pas van [J] . In mei 2014 besloot [betrokkene 4] in zee te gaan met [J] . Een deel van het totale bedrag, € 8.500,-, is via de laptop van [alias] overgemaakt naar de rekening van [J] . [betrokkene 4] dacht tenminste dat het naar de rekening ging van [J] . Op 22 september 2014 is van de rekening van [betrokkene 4]
€ 8.500,- overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 1] ( [rekeningnummer 2] ). Op diezelfde dag heeft [betrokkene 17] een bedrag van € 2.500,- overgemaakt naar de rekening van de verdachte.
[betrokkene 4] heeft verklaard dat volgens [alias] het bedrag van € 8.500,-. niet op de rekening is terechtgekomen maar dat dat teruggestort is. [betrokkene 4] is toen samen met [alias] naar de bank gegaan en op dezelfde dag is zij met [alias] naar de Belastingdienst gegaan. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de kinderopvangtoeslag, via hen, [J] , heeft laten aanvragen. [betrokkene 4] heeft voorafgaande aan de feitelijke aanvraag geen contact gehad met de Belastingdienst aangezien [betrokkene 13] en [alias] , van [J] , dat allemaal zouden regelen.
[betrokkene 4] heeft verklaard dat zij in december 2014 [alias] met een vrouw zag lopen. Die vrouw vertelde dat de eerste naam van [alias] [verdachte] is en dat haar achternaam [verdachte] is. [betrokkene 4] is later bij het huis van [alias] geweest en zag dat andere mensen [alias] , [verdachte] noemden. [alias] had een kleine, groene Polo of een Golf. [betrokkene 15] heeft verklaard dat de verdachte toen (het hof begrijpt: in ieder geval ergens in september 2014) een groene Polo had. [betrokkene 4] heeft de vrouw op foto F-001 herkend als [alias] en [verdachte] . F-001 is de foto van verdachte. Het hof gaat ervan uit dat met [alias] telkens de verdachte wordt bedoeld.
De KOT van [betrokkene 6] (kind [betrokkene 7] )
Uit een uitdraai van het Burgerportaal van de Belastingdienst, blijkt dat voor het kind met BSN-nummer [BSN 4] met ingang van 1 februari 2013 voor 150 uren per maand aan kinderopvang bij BSO [D] is opgegeven bij de Belastingdienst. Op 5 januari 2016 heeft de Belastingdienst/FIOD bij [H] gevraagd of Danya [betrokkene 7] - kind van [betrokkene 6] - opvang heeft genoten in 2013. Namens [betrokkene 18] , curator in het faillissement van [H] , is medegedeeld dat het kind en de ouder niet bij hen bekend zijn.
Vanaf de rekening van [betrokkene 6] zijn tussen 22 april 2013 en 11 februari 2014 bedragen op de rekening van de verdachte gestort.
De KOT van [betrokkene 8] (kind [betrokkene 9] )
Uit een uitdraai van het Burgerportaal van de Belastingdienst, blijkt dat voor het kind met BSN-nummer [BSN 5] met ingang van 11 januari 2013 voor 175 uren per maand aan kinderopvang bij BSO [E] is opgegeven bij de Belastingdienst. Op 19 januari 2016 heeft de Belastingdienst/FIOD via [K] aan [H] gevraagd of [betrokkene 9] (BSN-nummer [BSN 5] ) - met als moeder [betrokkene 8] - vanaf 1 januari 2013 opvang heeft genoten bij BSO ’t [E] te Amsterdam. Via [K] is op 27 januari 2016 bericht van [A] ontvangen dat na 2013 geen opvang bij [H] is genoten. De Belastingdienst/FIOD heeft bij [A] nogmaals gevraagd of er in 2013 wel opvang is geweest, waarna [A] heeft laten weten dat er in 2013 geen opvang is genoten.
[betrokkene 8] heeft tussen 20 september 2013 en 13 januari 2014 in totaal € 2.700,- op één van de rekeningen van de verdachte overgemaakt. De verdachte heeft € 350,- naar de rekening van [betrokkene 8] overgemaakt. Per saldo heeft [betrokkene 8] € 2.350,- betaald.
Beschikkingsmacht over de bankrekeningen
[betrokkene 15] heeft verklaard dat het rekeningnummer [rekeningnummer 5] zijn rekening bij ABN AMRO is maar dat de verdachte bij zijn gegevens kon. Deze zaten immers in een map. [betrokkene 15] is geconfronteerd met het feit dat vanaf de rekening van [betrokkene 1] met nummer [rekeningnummer 2] bedragen voor in totaal € 11.027,86 zijn overgemaakt naar zijn bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 5] . Hij heeft verklaard dat hij geen zicht had op die rekening en dat hij daarvan toen ook geen pasje meer had. Geconfronteerd met het feit dat het geld dat op zijn rekening is gestort vanaf de rekening van [betrokkene 1] vervolgens meteen weer werd opgenomen of overgeboekt naar derden, heeft [betrokkene 15] verklaard dat de verdachte zijn gegevens moet hebben gebruikt aangezien hij het niet heeft overgemaakt en ook niet heeft opgenomen.
Volgens de gegevens van ABN AMRO is [verdachte] , procuratiehouder, algeheel bevoegd wettelijke vertegenwoordiger met betrekking tot de jongerengroeirekening van [betrokkene 1] . Vanaf deze rekening is in totaal € 11.027,86 overgemaakt naar bankrekeningnummer [rekeningnummer 5] op naam van [betrokkene 15] . Volgens informatie afkomstig van ABN AMRO is de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 5] de rekening van [betrokkene 15] en/of [verdachte] .
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat:
- [betrokkene 2] verklaart dat zij is geholpen door een vrouw en dat zij een deel van het ontvangen geld aan haar heeft gegeven,
- [betrokkene 4] verklaart dat zij thuis is geweest bij een vrouw die [verdachte] bleek te heten. Zij heeft geld overgemaakt naar rekeningen van de verdachte en de verdachte is meegegaan naar de bank toen er problemen waren met een betaling,
- [betrokkene 6] (moeder van [betrokkene 7] ) heeft bedragen overgemaakt naar de rekening van de verdachte en
- [betrokkene 8] (moeder van [betrokkene 9] ) heeft bedragen overgemaakt naar de rekening van de verdachte.
Alle tenlastegelegde aanvragen zijn gedaan vanaf IP-adres [IP-adres 1] en dat impliceert dat de aanvraag voor het kind van de verdachte vanaf dit IP-adres is gedaan. Het hof ziet hierin reden om te oordelen dat dit IP-adres daadwerkelijk was gekoppeld aan het woonadres van de verdachte. De andersluidende stelling van de verdediging, vindt geen steun in de stukken van het dossier. Dit geldt ook voor de stelling van de verdediging dat [betrokkene 4] dan wel [betrokkene 15] degenen zouden [zijn geweest] die verantwoordelijk zijn voor de strafbare feiten. Ook hiervoor bieden de stukken van het dossier geen steun en het is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof ziet, mede gelet op de hiervoor bedoelde betalingen van aanvragers van KOT aan de verdachte en de onterechte aanvraag voor het eigen kind van de verdachte, geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 15] .
Uit het voorgaande, in samenhang bezien, leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die de aanvragen/wijzigingen voor de hiervoor bedoelde personen heeft gedaan. Zij heeft zich wat betreft de eigen KOT-aanvraag alleen en wat betreft de overige aanvragers tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst.
Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte op 8 november 2016 aan de [a-straat 1] Amsterdam is een zilvergrijze laptop Lenovo (A.04.04.001 ) in beslag genomen. Op deze computer is een document aangetroffen genaamd ‘CV [verdachte] (1)’. Voorts is aangetroffen een bestand genaamd ‘abcore’. Het bestand bevat onder meer namen, soms met 06 nummers, die in het onderzoek voorkomen:
- Huistelnr [telefoonnummer 1] .
Dit telefoonnummer is ook vermeld op stukken verstuurd door de verdachte naar de Belastingdienst.
- Ik [telefoonnummer 2]
- lkkk [telefoonnummer 3]
- [betrokkene 19]
is tevens verdachte in dit onderzoek onder A-035.
- [betrokkene 20] \0040rocva.nl
Dit is [betrokkene 20] werkzaam bij het ROCVA.
- [betrokkene 21] [telefoonnummer 4]
[betrokkene 21] is [betrokkene 21] , tevens verdachte in dit onderzoek onder A-38.
- [betrokkene 20] [telefoonnummer 5]
[betrokkene 20] is [betrokkene 20] , tevens verdachte in dit onderzoek onder A-12.
- [betrokkene 20] zusje [telefoonnummer 6]
[betrokkene 22] is het zusje van [betrokkene 20] . [betrokkene 20] is tevens verdachte in dit onderzoek onder A-11.
- [betrokkene 15]
is de ex-vriend van de verdachte.
- [verdachte] ‘ [e-mail] \u00401ive.nl’
- het e-mailadres dat [verdachte] gebruikt is [e-mail] @live.nl.
Op de laptop zijn nagenoeg dezelfde (vervalste) bescheiden aangetroffen die ook overgelegd zijn aan de Belastingdienst/Toeslagen. Het gaat om een [G] Jaaropgave 2012 aug t/m dec - [betrokkene 1] en een [F] Jaaropgave 2012 jan tm juli - [betrokkene 1] .
De laptops aangetroffen tijdens de doorzoeking zijn door medewerkers van het team DIGI van de FIOD geïmaged in een case binnen het werkprogramma Forensic Toolkit (FTK) waarin gezocht kan worden op verschillende manieren. Na de case binnen het werkprogramma FTK te hebben geopend, heeft verbalisant gezocht op tif-, PDF en jpg-bestanden en heeft het volgende aangetroffen.
Een plaatsingsovereenkomst die zou zijn gesloten tussen Kinderopvang [C] en de contractant [betrokkene 4] .
- Voor [betrokkene 5] vanaf 01/04/12014 (het hof begrijpt: 01/04/2014) tot en met 01/05/2015.
- Totaal opvanguren 150,00.
- Gemiddelde prijs € 6,10.
- De overeenkomst was namens [C] Kinderopvang BV getekend op 01-04-2014 namens [betrokkene 23] , Hoofd afd. Planning en Plaatsing.
De overeenkomst was niet ondertekend door [betrokkene 4] , er was namelijk géén handtekening geplaatst maar de getypte naam [betrokkene 4] . Opmerkelijk is dezelfde geplaatste handtekeningen op de overeenkomsten A-08-DOC-048/2 en A-08-DOC-048/3.
Een kleurenkopie plaatsingsovereenkomst van [C] Kinderopvang.
- Deze plaatsingsovereenkomst zou zijn gesloten tussen Kinderopvang [C] en de contractant [betrokkene 4] .
- Voor [betrokkene 10] vanaf 01/04/2014 tot en met 01/05/2015.
- Totaal opvanguren 230,00. - Gemiddelde prijs € 6,10.
- De overeenkomst was namens [C] Kinderopvang BV getekend op 30-03-2014 namens Sharon [alias] , Hoofd afd. Planning en Plaatsing.
De overeenkomst was niet ondertekend door [betrokkene 4] , er was namelijk géén handtekening geplaatst maar de getypte naam [betrokkene 4] .
Op de jaaropgave van 2012 van [F] is vermeld dat [betrokkene 1] van 2 januari 2012 tot en met 3 I juli 2012 als opvangsoort KDV (kinderdagverblijf) heeft genoten.
In de jaaropgave 2012 van [C] Kinderopvang staat dat [C] telkens een bedrag van € 81 7,97 aan [betrokkene 2] factureert.
Op een rekeningafschrift van de ING van betaalrekening [rekeningnummer 1] op naam [betrokkene 6] met betrekking tot de periode 22 april 2013 tot en met 13 mei 2013 staat dat op 24 april een bedrag van € 9.880 is betaald aan [G] KDV BV.
In de jaaropgave van [G] Kinderopvang over 2012 staat dat [betrokkene 11] met BSN-nummer [BSN 6] over de maanden oktober tot en met december 2012 BSO opvang heeft genoten bij [B] BSO. [betrokkene 11] is een van de kinderen van [betrokkene 22] . De FIOD/Belastingdienst heeft op 8 februari 2016 bij [H] jaaropgave nagevraagd of, onder meer, [betrokkene 11] vanaf I oktober 2012 opvang heeft genoten bij BSO [L] of BSO [B] te Amsterdam. Namens [betrokkene 18] , curator in het faillissement van [H] , is op 10 februari 2016 bericht verstuurd dat niet gelukt is om met de verstrekte gegevens ouder en kind te achterhalen. De Belastingdienst wordt verzocht stukken op te sturen zodat deze gecontroleerd kunnen worden en de gegevens achterhaald kunnen worden. De Belastingdienst heeft naar aanleiding van een telefoongesprek, op 9 mei 2016 een plaatsingscontract en een factuur van [G] BV, welke stukken zij voor alle drie de kinderen heeft ontvangen (het hof begrijpt: [betrokkene 24] , [betrokkene 11] en [betrokkene 25] ) aan Faillissementen@ [K] .com opgestuurd. Op 18 mei 2016 werd door de Belastingdienst bericht ontvangen van [betrokkene 26] , (dat voor de curator is verstuurd) dat via de contactpersoon van [A] (die de ‘oude’ administratie van [H] Kinderopvang B.V. voor hen nakijkt en beheert) helaas weinig gegevens te achterhalen zijn van deze familie. [betrokkene 26] had als reactie: ‘Ook met deze gegevens zijn de ouders en kinderen niet te vinden. De factuur is nagemaakt, dat is duidelijk. Het contract ziet er netjes uit maar met die gegevens geen ouders te vinden.’ Het hof is gelet op het voorafgaande van oordeel dat het vaststaat dat [betrokkene 11] in de relevante periode geen opvang heeft genoten.
De computer, waarop de hiervoor bedoelde documenten zijn aangetroffen, bevond zich in de woning van de verdachte. Dat deze computer uitsluitend door [betrokkene 15] zou zijn gebruikt acht het hof niet aannemelijk geworden. [betrokkene 16] , de moeder van de verdachte, heeft bij de rechter commissaris verklaard dat zij misschien twee keer per week bij haar dochter was, dat zij [betrokkene 15] niet mocht en dat hij een laptop gebruikte. Of het een grijze of een zwarte laptop was, weet ze niet. Het hof ziet in deze verklaring, wat daarvan ook zij, geen reden om aan te nemen dat de verdachte geen gebruik maakte van de grijze laptop. Op de computer zijn veel documenten aangetroffen die verband houden met onterechte aanvragen van KOT. Uit hetgeen hiervoor onder feit 1 is overwogen, houdt het hof de verdachte daarvoor verantwoordelijk. Verder volgt uit feit 1 dat de kinderen van de verdachte, [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] geen kinderopvang hebben genoten. De hierop betrekking hebbende documenten die op de laptops zijn aangetroffen zijn daarom vals en/of vervalst. Ook de jaaropgave met betrekking tot [betrokkene 11] , een van de kinderen van [betrokkene 22] , is vals en/of vervalst.
In het onderzoek naar fraude met kinderopvangtoeslag is naar voren gekomen dat tussen de bankrekeningen waarover de verdachte beschikte en bankrekeningen van aanvragers financiële transacties hebben plaatsgevonden. Van de verdachte, haar dochtertje [betrokkene 1] en haar (toenmalige) partner [betrokkene 15] zijn de gegevens van de volgende bankrekeningen opgevraagd:
- rekeningnummers [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 6] op naam van de verdachte; - rekeningnummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 2] op naam van [betrokkene 1] ;
- rekeningnummer [rekeningnummer 5] op naam van [betrokkene 15] .
Uit het dossier blijkt dat in de periode van 22 februari 2013 t/m december 2014 op rekening van de verdachte bedragen zijn uitbetaald op grond van de WKO (het hof begrijpt: de Wet Kinderopvang).
Van de rekening van [betrokkene 4] is op 22 september 2019 een bedrag van € 8.500,- overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 1] , en een bedrag van € 2.500,- en van € 10,- naar de rekening van de verdachte. Vanaf de rekening van [betrokkene 15] is € 7.500,- overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 4] en vanaf de rekening van de verdachte € 10,- naar de rekening van [betrokkene 4] . Volgens de verklaring van [betrokkene 4] (A-05-V001) is een contant bedrag van € 150,- betaald. Per saldo is door [betrokkene 4] een bedrag van € 3.660,-betaald.
Vanaf de rekening van [betrokkene 6] zijn tussen 22 april 2013 en 11 februari 2014 bedragen voor in totaal € 14. 881 ,- op de rekening van de verdachte gestort. Op 22 november 2013 is een bedrag van € 125,- door de verdachte gestort op de rekening van [betrokkene 6] .- Door [betrokkene 6] is per saldo € 14.756,- aan de verdachte betaald.
[betrokkene 8] heeft tussen 20 september 2013 en 13 januari 2014 in totaal € 2.700,- op een van de rekeningen van de verdachte overgemaakt. De verdachte [heeft] € 350,- naar de rekening van [betrokkene 8] overgemaakt. Per saldo heeft [betrokkene 8] € 2.350,- betaald. De hiervoor bedoelde bedragen zijn van eigen misdrijf afkomstig.”
Bespreking van het eerste middel