Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Ethanol (alcohol)
7.Conclusie
dat het in het belang van de slachtoffers is dat de gevolgen van bepaalde uitsluitingsclausules worden beperkt tot de betrekkingen tussen de verzekeraar en de voor het ongeval aansprakelijke persoon’, is onder invloed van de Derde richtlijn motorrijtuigverzekering in artikel 4 lid 1 WAM Pro juist bepaald dat (alleen) de aansprakelijkheid jegens de bestuurder nog van dekking kan worden uitgezonderd.[vt. 7: Zie hierover Blees, Vrb. 1993, p. 4 e.v.]
5.De slotsom
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
aansprakelijkeverzekerde (bijvoorbeeld de bestuurder) kan zijn WAM-verzekeraar
niettot vergoeding van zijn
eigen schadeaanspreken, dat volgt al uit de aard zelf van de verzekeringsovereenkomst inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid, zo is uitgemaakt door het BenGH [18] . In de casus van deze zaak reden twee broers in de auto van de één en door een fout van de bestuurder van die auto ontstond een aanrijding met een ander voertuig, waarbij beide broers zwaar gewond raakten en de niet-eigenaar van de auto een paar jaar later overleed. Voor zijn overlijden had hij de WAM-verzekeraar van zijn broer aangesproken, maar in geen van de (straf- en civiele) zaken kon worden vastgesteld wie de auto had bestuurd op het moment van het ongeval. Dit arrest heeft tot voor onze zaak interessante bespiegelingen geleid over bestuurderschap, nadat het Hof van Beroep te Luik had geoordeeld dat ook een aansprakelijke bestuurder benadeelde verzekerde was met een rechtstreekse actie op de WAM-verzekeraar, omdat hij een vervoerde persoon zou zijn in de zin van art. 3 lid 2 WAM Pro (Belgische variant). Dat zou neerkomen op een ‘first party- verzekering en dat wijst het BenGH af. Een
aansprakelijkebestuurder kan zelf niet als ‘benadeelde’ opkomen voor zijn eigen schade tegen de WAM-assuradeur en ook niet als ‘vervoerde persoon’, nu het BenGH hier heeft beslist dat iemand niet tegelijkertijd in hoedanigheid van ‘bestuurder’ (degene die het voertuig werkelijk en zelfstandig bestuurt en aldus in feite verantwoordelijk is voor het sturen, rov. 17) als in hoedanigheid van ‘vervoerde persoon’ (dat zijn personen die het voertuig niet besturen, rov. 18 en anderen dan degene die de verzekering aangaat, rov. 19) verzekerd kan zijn (rov. 20, 24 en ook 30); ‘bestuurder’ en ‘vervoerde persoon’ zijn verschillende personen, hoewel beide de hoedanigheid van verzekerde kunnen hebben (rov. 20). In rov. 22 wordt dit nog nader onderbouwd met het oordeel dat met de passage uit art. 3 lid 2 WAM Pro dat de verzekering mede de schade moet omvatten toegebracht aan personen die ‘onder welke titel dan ook worden vervoerd’ niet is bedoeld: ongeacht de hoedanigheid van derde, passagier of bestuurder, maar: of zij om niet of om baat worden vervoerd. Het beperkte karakter van verzekering tegen aansprakelijkheid jegens verkeersslachtoffers van gemotoriseerd verkeer is in rov. 13 van deze uitspraak aldus verhelderd, dat met art. 3 en Pro 4 WAM geen systeem van individuele verzekering tegen letselschade is ingevoerd, waarbij de WAM-verzekeraar verplicht zou zijn de schade te vergoeden die door alle zich in het motorrijtuig bevindende personen wordt geleden.
niet zelf aansprakelijkis, maar wel getroffen is en schade lijdt, terwijl daarvoor aansprakelijk is de bezitter van het verzekerde motorrijtuig bijvoorbeeld, of een passagier, zoals in het geval waarin een ‘vervoerde persoon’ plotseling aan de handrem of het stuur trekt met schade aan de bestuurder tot gevolg. Alle in art. 3 lid 1 WAM Pro genoemde personen voor wie aansprakelijkheid door de verzekering moet zijn gedekt, kunnen als benadeelde aanspraken hebben op grond van de WAM, voor zover zij schade lijden en zelf niet voor deze schade aansprakelijk zijn [20] .
andere oorzaakonder de WAM-verzekering te brengen als schade veroorzaakt door een motorrijtuig [21] . Om dit te voorkomen opende art. 4 lid 1 WAM Pro (oud) voor de verzekeraar de mogelijkheid om in de verzekeringsovereenkomst de aansprakelijkheid voor schade te exonereren van de bestuurder, de verzekeringnemer, de eigenaar en de houder van het motorrijtuig en de echtgenoten van deze personen en hun bloed- en aanverwanten in de rechte lijn die bij hen inwonen en door en worden onderhouden. De ratio voor deze exoneratie van de verzekeringnemer als benadeelde particulier was dat deze doorgaans zelf in de hand heeft wie hij in zijn motorrijtuig toelaat en als contractspartij om de door hem of zijn gezinsleden ondervonden schade zelf te verzekeren (ongevallenverzekering, all-risk-verzekering, dus een first party verzekering voor eigen schade van de verzekerde) en dat een eventueel voertuiggebrek dat de schade (mede) veroorzaakt in zijn risicosfeer ligt, zo dat al niet aan zijn schuld is te wijten. Dat is anders bij een benadeelde die geen contractspartij is, zodat de verzekeringnemer hier in de ogen van de regering niet de bijzondere bescherming van de WAM nodig heeft [22] .
Assurance Liégeoise/Adam-Mutualité Chrétiennesleerde in rov. 27 ‘dat artikel 4 niet Pro op de voor het ongeval aansprakelijke bestuurder slaat, doch op de bestuurder van het motorrijtuig dat het ongeval veroorzaakt.’ NJ-annotator Mendel verduidelijkt in zijn noot onder 3 [26] : de uitsluiting ziet niet, zoals het Luikse Hof oordeelde, (mede) op de voor het ongeval aansprakelijke bestuurder, maar op de niet aansprakelijke, schade lijdende bestuurder dat het ongeluk veroorzaakt en geeft als voorbeelden een ruk aan het stuur van een passagier of een krant van de passagier die de bestuurder het zicht ontneemt, of een meegenomen lifter die die een ontsnapte misdadiger blijkt te zijn die met zijn pistool een automobilist dwingt een politieauto te rammen in een poging door een blokkade te breken. Dat brengt niet aanstonds de gewenste verduidelijking en al helemaal niet voor de ons bezig houdende vraag of de oorspronkelijke bestuurder nog als ‘bestuurder’ is te beschouwen vanaf het moment dat een ‘vervoerde persoon’ aan de handrem trekt. Om deze vragen te kunnen beantwoorden loop ik achtereenvolgens (i) de definitie van ‘bestuurder’ langs die het BenGH heeft gegeven, (ii) de invulling van het bestuurdersbegrip in het wegenverkeersrecht en (iii) hoe dit in België wordt uitgelegd, waar in de WAM een overeenkomstige exoneratie voor bestuurders geldt, waarna ik onder (iv) toekom aan de kwestie of de oorspronkelijke bestuurder die hoedanigheid verliest als een passagier aan de handrem trekt tijdens het rijden, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Definitie ‘bestuurder’ BenGH
Assurance Liégeoise/Adam-Mutualité Chrétiennesdat bestuurder is ‘hij die het voertuig werkelijk en zelfstandig bestuurt en aldus in feite verantwoordelijk is voor het sturen’ (rov. 17). Met ‘besturen’ en ‘sturen’ wordt volgens Van Dale bedoeld: ‘het voertuig de gewenste richting uit te doen gaan’ [27] . Ook weten we sinds dit arrest dat de ‘bestuurder’ en de ‘vervoerde persoon’ niet tegelijkertijd in die hoedanigheid verzekerde persoon kunnen zijn, en meer in het algemeen, dat het verschillende personen zijn. Daar uit lijkt te volgen dat er niet tegelijkertijd meerdere inzittenden bestuurder kunnen zijn.
Bestuurderschap in het wegenverkeersrecht (WVW en RVV)
Bestuurder in de zin van de Belgische WAM
Assurance Liégeoise/Adam-Mutualité Chrétiennesgegeven maatstaf (‘werkelijk en zelfstandig besturen en aldus in feite verantwoordelijk zijn voor het sturen’) niet iemand onder die bij een behendigheidswedstrijd uit het raam hangt waarbij feitelijk is vastgesteld dat deze op geen enkele wijze invloed kan uitoefenen op het besturen van het voertuig. Dat is geen bestuurder [46] .
geen controlemeer heeft over het motorrijtuig.
Verliest de oorspronkelijke bestuurder ook naar Nederlands recht de hoedanigheid van ‘bestuurder’ volgens art. 4 lid 1 WAM Pro op het moment dat een inzittende aan de handrem trekt?
andere oorzaakonder de WAM-verzekering te brengen als schade veroorzaakt door een motorrijtuig) hier geen opgeld doet, hetgeen ook geldt (iv) voor de notie dat het de verantwoordelijkheid van de bestuurder is wie hij in zijn auto laat stappen (het was hier het busje van de voetbalclub dat door spelers van de club werd gebruikt voor vervoer naar uitwedstrijden), (v) de gegeven definitie van het begrip bestuurder door het BenGH en (vi) (in mindere mate, maar toch:) de gelijkenis van de invulling van het bestuurdersbegrip in het wegenverkeersrecht en
last but not least(vii) de vaste rechtspraak van het Belgische Hof van Cassatie over de parallelle Belgische WAM-bepaling, lijkt mij dat voor de vraag of de oorspronkelijke bestuurder in deze zaak nog als van de aansprakelijkheidsverzekering uitgesloten ‘bestuurder’ kan worden aangemerkt in de zin van art. 4 lid 1 WAM Pro ervan afhangt of deze op het moment van het aantrekken van de handrem door een inzittende realiter nog invloed kon uitoefenen op het besturen van het motorrijtuig. Anders gezegd: was er nog sprake van ‘meesterschap’ bij [de onder bewind gestelde] , zoals de vraag zou zijn naar Belgisch WAM-recht. Behield [de onder bewind gestelde] als oorspronkelijke bestuurder op het moment van het ongeval door het aantrekken van de handrem door zijn passagier nog de feitelijke controle over de bus; verloor hij de macht over het stuur door toedoen van een andere inzittende of door een ‘intrinsieke’ oorzaak? De inmiddels gedateerde ratio voor de uitzondering stammend uit 1962-1963, waarvan de redelijkheid niet (meer) aanstonds aanspreekt, biedt onvoldoende tegenwicht om de bepaling niet zo strikt uit te leggen als redelijkerwijs mogelijk is indachtig de belangrijke verkeersslachtoffersbeschermingsratio van de WAM. Nationale Nederlanden brengt daar bij s.t. 7.4 tegen in dat de ratio voor het niet onder de verplichte WAM-dekking brengen nog steeds voor een helder systeem zorgt: ‘Een bestuurder beslist zelf welk voertuig hij gebruikt en wie hij laat instappen. Een WAM-verzekeraar mag daarom in een WAM-polis met de verzekeringnemer overeenkomen, dat schade die een bestuurder lijdt (door gebreken van het voertuig of fouten van die passagiers) voor zijn rekening blijft. Een bestuurder kan voor zijn eigen schade een first party-verzekering afsluiten (zoals in dit geval ook is gebeurd; er is een SVI afgesloten)’ [55] . Daargelaten dat dat laatste niet door de bestuurder, maar door de voetbalclub is gebeurd hier en de dekkingsvraag onder de SVI nog niet is uitgemaakt (maar buiten deze deelgeschilprocedure valt), is dit natuurlijk het beslispunt in deze zaak. Ik heb aangegeven waarom ik meer geporteerd ben voor de Belgische WAM-benadering, waarin de uitzondering op de verkeerslachtofferbeschermingshoofdregel uit de WAM conform de bedoeling restrictiever wordt uitgelegd, dan het stelsel dat Nationale Nederlanden schetst op grond van een laten we wel wezen ruim zestig jaar oude ratio, waarvan men zich kan afvragen of die wel zo redelijk is.
opzettelijkeinterventies die de oorspronkelijke bestuurder ‘het meesterschap’ doen verliezen, de voorbeelden die Nationale Nederlanden hier bij s.t. aandraagt lijken mij de bestuurder per ongeluk zijdens een passagier overkomen interventies die hem evenzogoed de feitelijke controle doen verliezen, doordat een ander hem – zij het per ongeluk – die controle ontneemt. Het is een kwestie van kwalificatie, maar ik zie daar geen principieel onderscheid tussen. Ook in die gevallen is immers geen sprake meer van ‘meesterschap’ in de zin van de hiervoor besproken vaste Belgische WAM-cassatierechtspraak.
Onderdeel 1klaagt dat [de onder bewind gestelde] op het moment dat [betrokkene 1] aan de handrem trok niet langer voldeed aan de definitie van bestuurder uit rov. 17 van het besproken arrest
Assurance Liégeoise/Adam-Mutualité Chrétiennes, hetgeen door het hof is miskend.
Onderdelen 2-4zetten uiteen dat en waarom het hof de besproken conclusie van A-G Machielse in de strafzaak uit 2005 verkeerd heeft gehanteerd, zoals hiervoor eveneens aan de orde is geweest en ook in de kritiek van Vellinga in haar VR noot onder de hofuitspraak tot uitdrukking komt. In het verlengde daarvan wijst
Onderdeel 5erop dat in de literatuur [60] daarbij is aangehaakt en is aanvaard dat onder omstandigheden een passagier bestuurder kan worden en daarbij het bestuurderschap kan overnemen van de persoon achter het stuur, zoals in het geval van een passagier die aan de handrem trekt omdat de bestuurder te hard gaat. Het hof heeft dit miskend.
Onderdeel 6beklaagt het oordeel dat [de onder bewind gestelde] ten tijde van het ongeval nog als bestuurder kon worden gezien als haaks staand op rov. 4.9 en 4.10 waarin is weergegeven dat in de strafzaak is overwogen dat [betrokkene 1] zich als bestuurder heeft gedragen in juridische zin en daarmee de werkelijke bestuurder totaal heeft verrast en dat het trekken aan de handrem een bestuurdershandeling is. Uit die passages volgt juist dat [betrokkene 1] met die handeling de hoedanigheid van bestuurder van [de onder bewind gestelde] heeft overgenomen, hetgeen is miskend.
Onderdeel 7richt een motiveringsklacht tegen de passage uit rov. 4.10 dat [de onder bewind gestelde] de persoon bleef die achter het stuur zat, de auto in beweging heeft gezet en snelheid en rijrichting heeft bepaald en de bedieningsorganen hanteerde, hetgeen niet anders werd toen [betrokkene 1] aan de handrem trok, omdat op dat moment niet langer relevant is dat [de onder bewind gestelde] tot aan dat moment als bestuurder kon fungeren.
Onderdeel 8beklaagt als niet concludent de verwijzing in rov. 4.11 naar rov. 20 van het besproken BenGH-arrest uit 1994 dat niemand tegelijkertijd in hoedanigheid van bestuurder en van vervoerde persoon verzekerd kan zijn en dat het mede begrijpen van de bestuurder onder vervoerde personen neerkomt op ingaan tegen het karakter van aansprakelijkheidsverzekering, omdat [de onder bewind gestelde] niet heeft gesteld dat hij ten tijde van het ongeval zowel bestuurder als vervoerde persoon was, maar juist dat hij toen niet langer als bestuurder kon gelden. In
Onderdeel 9klaagt [de onder bewind gestelde] dat rov. 4.11 en 4.12 de besproken BenGH uitspraak miskennen, omdat gelet op de gegeven definitie van bestuurder [de onder bewind gestelde] vanaf het moment dat [betrokkene 1] aan de handrem trok geen bestuurder meer was en daarin besloten ligt dat hij vanaf dat moment ‘vervoerde persoon’ was geworden, zodat de uitsluiting van art. 4 WAM Pro toepassing mist. Hij hoefde dan ook niet te motiveren waarom hij als vervoerd persoon had te gelden, omdat dat volgt uit zijn stelling dat hij op het moment van het ongeval geen bestuurder was. Dat tast ook rov. 4.13 en 4.14 aan, omdat nu juist niet valt in te zien waarom [de onder bewind gestelde] op het handremtrekmoment, waarop de besturing als het ware is overgenomen niet als vervoerde persoon in de zin van de WAM kan worden aangemerkt.
Onderdeel 10verklaart voor juist het rechtbankoordeel in deze, onder het citeren van rov. 4.6-4.9 van de beschikking, waaruit volgens de klacht volgt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd anders heeft geoordeeld.
feitelijke controleover het motorrijtuig behield en daarmee als bestuurder kon gelden. Ik meen dat de Hoge Raad bij vernietiging van dit rechtsoordeel van het hof de zaak zelf kan afdoen door het primair gevorderde declaratoir toe te wijzen. Dat vergt voor zover ik kan overzien geen nadere feitelijke beoordeling; na beëindiging van deze deelgeschillenprocedure kan de bodemprocedure worden vervolgd, wanneer partijen vervolgens geen overeenstemming zouden bereiken over een minnelijke regeling.
acte éclairé. Volgens mij is Benelux-rechtelijk wel sprake van een
acte clair,met name gelet op de in 4.18-4.21 besproken recente bestendige rechtspraak van het Belgische Hof van Cassatie: criterium voor bestuurderschap is of de betreffende persoon op het moment van het ongeval de feitelijke controle over het motorvoertuig heeft, naar Belgisch WAM-recht met dezelfde Beneluxrechtelijke wortels als het onze betiteld als ‘meesterschap’, ‘maîtrise’ in het Frans. Al eerder is door de Hoge Raad in een WAM-zaak geoordeeld dat een bepaalde uitleg mede gelet op Belgische rechtspraak Beneluxrechtelijk als een
acte clairkon gelden, zodat geen prejudiciële verwijzing naar het BenGH nodig werd gevonden [62] . In België is in hoogste instantie uitgemaakt dat geen ‘maîtrise’ meer bestaat bij de oorspronkelijke bestuurder als een passagier een plotselinge ruk aan het stuur geeft waardoor het voertuig niet meer onder controle is van degene die achter het stuur zit (zie hiervoor in 4.21) en dit lijkt mij één op één door te kunnen worden getrokken naar het aantrekken van de handrem door een passagier in onze zaak. Indien geoordeeld zou worden dat over de uitleg van het bestuurdersbegrip wel gerede twijfel mogelijk is, dienen prejudiciële vragen gesteld te worden aan het BenGH en/of het HvJEU – naar ik meen is in dit geval dan het Luxemburgse Hof dan het meest praktisch [63] . Ik bepleit dat als gezegd niet en wijs erop dat de Belgische cassatierechter – en wel betrekkelijk recent en een aantal keer in verschillende zaken – geen aanleiding heeft gezien tot prejudiciële verwijzing over de ‘bestuurdersvraag’ in dit soort gevallen. Dat is
acte clairin België.