Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ als bedoeld in artikel 175 lid Pro 2 (oud) WVW 1994 geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die onder meer heeft geleid tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid zoals hiervoor bedoeld, dus de zwaarste vorm van schuld, en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan nadere aandacht te geven in zijn motivering van de bewezenverklaring. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in artikel 175 lid Pro 3 (oud) WVW 1994 omschreven gedragingen, omdat die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het strafmaximum dat op grond van het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldt.
Dat brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid Pro 2 (oud) WVW 1994, een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid Pro 2 (oud) WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin artikel 175 lid Pro 2 (oud) WVW een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ - in de betekenis van ‘onberaden’ - wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid Pro 2 (oud) WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer gedragingen die in artikel 175 lid Pro 3 (oud) WVW 1994 worden genoemd en die zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leiden. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960.)
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
6.Beslissing
2 februari 2021.