Conclusie
1.Inleiding
remittancebepaling in art. 2(5) van het belastingverdrag tussen Nederland en Malta (Verdrag NL-MT). Deze bepaling beoogt een heffingsvacuüm voor niet-overgemaakt inkomen te voorkomen. Zij luidt als volgt:
income taxgedaan en daar voor haar winsten vrijstelling gevraagd en verkregen omdat zij haar winsten niet naar Malta had overgemaakt (
foreign income not remitted). In haar winst 2012 is een vermogenswinst begrepen en in haar winst 2013 een vermogensverlies.
non-remittanceregime vielen. De Inspecteur heeft haar toen bericht de aanslag 2013 zonder aftrek elders belast te zullen opleggen en over 2012 te zullen navorderen.
geschilis of en in hoeverre de geciteerde
remittancebepaling Nederlandse heffing toelaat.
Rechtbankoordeelt dat het Verdrag NL-MT het heffingsrecht over belanghebbendes winsten in beginsel aan Malta toewijst, maar dat, nu die winsten niet zijn overgemaakt naar Malta, art. 2(5) Verdrag NL-MT Nederlands heffingsrecht voorbehoudt. Volgens de Rechtbank vallen er ook vermogenswinsten onder, nu de in het Verdrag niet omschreven term ‘inkomsten’ volgens art. 3(2) Verdrag uitgelegd moet worden naar nationaal recht,
i.e.de Wet Vpb, die geen onderscheid maakt tussen soorten inkomsten.
remittance-bepaling vallen, maar dat de term ‘hetzij volledige, hetzij gedeeltelijke vermindering van belasting’ de vraag doet rijzen of ook inkomen bestreken wordt dat het Verdrag exclusief aan één Staat toewijst en dus niet in de heffingsgrondslag van de andere Staat is begrepen. Bij dergelijk geheel vrijgesteld inkomen lijkt de term ‘vermindering’ niet te passen. Het Hof acht de tekst van art. 2(5) Verdrag inconcludent, en baseert uiteindelijk vooral op doel en strekking van die bepaling (voorkoming van een heffingsvacuüm) dat zij ziet op alle gevallen waarin een nationale heffing op grond van het Verdrag achterwege blijft of beperkt wordt, dus ook op inkomen dat exclusief aan Malta is toegewezen.
drie cassatiemiddelen, waarvan het
eerstede navorderingsbevoegdheid betwist en het
tweedeNederlandse heffing in strijd acht met de EU-vestigingsvrijheid. Volgens het
derdemiddel heeft het Hof art. 2(5) Verdrag NL-MT op drie manieren te ruim uitgelegd:
BNB1977/111 (op exclusieve toewijzing wordt alleen een uitzondering gemaakt als die onmiskenbaar uit het Verdrag blijkt), en (c) het gegeven dat ‘s Hofs uitleg tot dubbele heffing kan leiden;
remittancebepaling omdat (a) zij in Malta hoe dan ook zijn vrijgesteld, (b) uit HR
BNB1999/347 volgt dat ‘inkomen’ een subcategorie is van de verzamelterm ‘bestanddelen van het inkomen’; vermogenswinsten vallen wel onder de laatste, maar niet onder de eerste term en (c) de Wet Vpb wel degelijk onderscheid maakt tussen soorten inkomsten, bijvoorbeeld in art. 17 Wet Pro Vpb; en
remittancebepaling ziet niet op inkomsten uit niet-Nederlandse bron, want (a) daarmee heeft Nederland niets te maken na belanghebbendes volledige emigratie en (b) anders zou ook in dat opzicht dubbele belasting ontstaan, want het bronland heft ook.
regulatory burdenen mogelijke dubbele belastingplicht een gevolg van wetgevingsdispariteit en parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheid door twee lidstaten. Art. 2(5) Verdrag NL-MT omvat zijns inziens ook inkomsten waarover Nederland volgens het verdrag niet mag heffen. Dat volgt hieruit dat het oude Verdrag NL-VK 1967 is gewijzigd naar aanleiding van HR
BNB1977/111 om in het Verdrag NL-VK een aan art. 2(5) Verdrag NL-MT nagenoeg gelijke bepaling op te nemen
juist omook de gevallen te vatten waarin Nederland volgens het Verdrag geen heffingsrecht heeft. De
remittancebepaling omvat volgens hem ook vermogenswinsten omdat de niet-gedefinieerde verdragsterm ‘inkomsten’ volgens art. 3(2) Verdrag NL-MT en HR
BNB1999/347 moet worden uitgelegd naar nationaal recht.
non-remittancebelastingvrijdom genoot in Malta, (ii) haar aangifte 2013, waarin zij uiteindelijk wel haar winst 2013 vermeldde en aftrek elders belast vroeg, ondanks herinnering en aanmaning pas in 2016 deed en (iii) kennelijk pas na drie informatie-vorderingen in 2015 en 2016 de voor correcte verdragstoepassing benodigde opening van zaken gaf over haar
non-remittanceen belastingpositie in Malta.
Van Hilten-van der Heijdenvolgt dat voortdurende onderwerping van onderdanen na hun emigratie de EU-verkeersvrijheden niet schendt omdat zij niet ongunstiger worden behandeld dan niet-emigranten. Uit HvJ EG
Gillyblijkt dat de lidstaten hun heffingsaanknopingspunten ook kunnen baseren op de nationaliteit van natuurlijke personen en dat zo’n aanknoping EU-rechtelijk neutraal is. Uit onder meer HvJ EU
Überseeringvolgt dat (onder meer) oprichtingsrecht voor rechtspersonen EU-rechtelijk fungeert als nationaliteit van natuurlijke personen. De vergelijking met een emigrerende
nietnaar Nederlands recht opgerichte vennootschap,
i.e.met een
niet-onderdaan, is niet relevant, nu het EU-recht zich niet verzet tegen eventuele omgekeerde discriminatie (ongunstiger behandeling van eigen onderdanen). Voor zover dubbele administratieve lasten en wellicht dubbele belasting ontstaan, is dat een gevolg, niet van discriminatie en ook niet van een dispariteit, maar van parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheid door zowel het oprichtingsland als het feitelijke-leidingland. Daartegen bieden de EU-verkeersvrijheden geen bescherming, zoals blijkt uit HvJ EU
Kerckhaert-Morres,
Damseauxen
Block.
vermindering’niet de best denkbare. ‘Vermindering’ lijkt te verwijzen naar de voorkomingsbepaling (art. 25), maar het gaat om een andere ‘vermindering’, want art. 25(1)-(3) geldt alleen voor
inwonersen in casu is juist niet Nederland maar Malta woonstaat. Het gaat dus om de betekenis van de term ‘vermindering’ in de context van een
remittancebepaling,
i.e.in de context van een
saving clausedie blijkens haar tekst de Verdragsbelemmeringen van Nederlandse heffing uitschakelt als Malta als gevolg van
non-remittanceniet heft over inkomsten waarvoor het Verdrag hem heffingsrecht geeft. ‘Vermindering’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT betekent mijns inziens in die context dus wat de term ‘relief’ in de Engelstalige versie van die bepaling betekent, nl. elke
verlichtingvan belasting ingevolge enige bepaling van het Verdrag. Exclusieve toewijzing aan de andere Staat valt mijns inziens
squarebinnen de term ‘volledige [verlichting] van belasting op grond van een bepaling van deze Overeenkomst in een van de Staten’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT.
remittancebepaling in art. 27(1) van het Verdrag NL-VK 1980, die nagenoeg gelijk luidt aan het litigieuze art. 2(5) Verdrag NL-MT. In art. 27(1) Verdrag NL-VK 1980 werd de oude
remittancebepaling van het Verdrag NL-VK 1967 geherformuleer
juist omóók exclusief toegewezen inkomensbestanddelen (in dat geval: pensioen) te kunnen vatten, zulks naar aanleiding van HR
BNB1977/111, waarin u oordeelde dat ‘vermindering’ in het Verdrag NL-VK 1967 niet mede ‘vrijstelling’ omvatte omdat dat oude Verdrag een duidelijk onderscheid maakte tussen ‘vermindering’ en ‘vrijstelling’. De term ‘
volledigevermindering’ werd in 1980 toegevoegd om daarmee ook ‘vrijgestelde’,
i.e.exclusief aan het andere land toegewezen inkomensbestanddelen te kunnen vatten. Dat impliceert dat de identieke term ‘
volledigevermindering’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT hetzelfde betekent, nl. door het Verdrag onttrokken aan jurisdictie, zoals art. 7 Verdrag Pro doet met de winst van een Nederlandse BV die feitelijk in Malta is gevestigd en geen v.i. in Nederland heeft. HR
BNB1977/111 is gewezen op 26 januari 1977 en het Verdrag met Malta is ondertekend op 18 mei 1977, zodat de kwestie van ‘vrijgesteld’ inkomen onder de
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK toen al vele jaren liep. De
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980 is dus waarschijnlijk juist gekopieerd uit het Verdrag NL-MT 1977.
non-remittance, zoals art. 2(5) Verdrag stipuleert. Ik acht art. 2(5) Verdrag NL-MT inderdaad alleen van toepassing als de niet-belasting in Malta een gevolg is van niet-overmaking. Art. 2(5) is immers geen algemene
saving clauseof
claw backdie aangrijpt in
elkgeval waarin de toewijzingsstaat geen gebruik maakt van het hem toegewezen heffings-recht. De belanghebbende heeft deze stelling over Maltees recht echter bij het Hof niet ingenomen en vreemdrechtelijke nova zijn in cassatie niet toegelaten. Art 8:69(2) Awb gaat niet zo ver dat het Hof van ambtswege zou hebben moeten bedenken dat Malta mogelijk wetgeving zou kunnen hebben die niet-Maltese vermogenswinsten van houdsters niet belast om
andereredenen dan
non-remittanceen daar onderzoek naar zou hebben moeten doen.
bepaalde inkomsten’in art. 2(5) Verdrag NL-MT omvat volgens de belanghebbende geen vermogenswinsten omdat u in HR
BNB1999/347 aldus oordeelde, overwegende dat zowel het Verdrag NL-VK 1980 als de Wet IB 1964 onderscheid maakten tussen
inkomstenuit vermogen en
vermogenswinsten. De uitkomst in dat arrest werd mijns inziens echter geheel bepaald door (i) het in 2001 afgeschafte fundamentele onderscheid tussen vruchten en bron in de oude Wet IB 1964, (ii) de feiten van het geval en (iii) de hoedanigheid van de belastingplichtige, een natuurlijke persoon/aanmerkelijk-belanghouder. Geen van die drie omstandigheden is relevant in belanghebbendes zaak, die maar één inkomenscategorie betreft, nl. ‘winst/ voordelen uit onderneming’ (‘business profits’ / ‘profits of an enterprise’). Mede gegeven dat ‘Income’ ook
business incomeen
corporate incomeomvat, lijkt mij in elk geval de Engelse tekst duidelijk: ‘income’ / ‘bepaalde inkomsten’ omvat bij ondernemingen ‘winst/voordelen uit onderneming’ / ‘business profit’/‘profits of an enterprise’, inclusief de door een onderneming op ondernemingsvermogen gerealiseerd vermogensresultaat. Zou daarover al twijfel bestaan, dan volgt uit HR
BNB1999/347 dat art. 3(2) Verdrag NL-MT ertoe noopt om de term ‘inkomsten’ / ‘income’ uit te leggen volgende de relevante Nederlandse wetgeving,
i.e.de Wet Vpb, die de ‘winst’ belast, omvattende alle voordelen uit onderneming, ook vermogensresultaten. Dat art. 17(3)(b) Wet Vpb een terminologische bijzonderheid bevat voor de bepaling van het Nederlandse belastbare bedrag van een buitenlands belastingplichtige (wat de belanghebbende niet is), lijkt mij niet relevant.
remittancebepaling vallen. Dit partijdebat lijkt echter geen feitelijke basis te hebben, want de feitenrechters hebben niet vastgesteld dat de belanghebbende in 2012 en 2013 voordeel uit derde landen heeft genoten. Ik meen daarom dat deze kwestie in casu hypothetisch is en dat het geen zin heeft - en misschien zelfs riskant is - om u er over uit te laten zonder feiten en zonder filtering door de feitenrechter(s).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
income taxgedaan voor de periode 16 februari t/m 31 december 2012 en voor het jaar 2013. Zij heeft aldaar voor haar winsten 2012 en 2013 ad respectievelijk € 151.383 en € 174.089 vrijstelling gevraagd en verkregen wegens
foreign income not remitted to Malta, waardoor haar Maltese fiscale winst over beide jaren nihil bedroeg. In haar Maltese aangifte 2012 is een vermogenswinst ad € 8.533 begrepen en in haar aangifte 2013 een vermogensverlies ad € 23.486. Voor het overige hebben de feitenrechters niet vastgesteld waaruit belanghebbendes winsten bestonden, noch waar zij hun bron hadden.
remittance base regimehad gebracht, inhoudende dat Malta niet heft over inkomsten die niet naar Malta zijn overgemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur de belanghebbende bericht geen aftrek elders belast voor 2013 te zullen verlenen en over 2012 te zullen navorderen.
corporate tiebreakerin art. 4(4) Verdrag NL-MT wijst het heffingsrecht over haar winst dan in beginsel toe aan Malta omdat haar feitelijke leiding daar zit. Nu belanghebbendes inkomsten echter niet zijn overgemaakt naar Malta, is op
remittance basegeen belasting verschuldigd in Malta, en voor dat geval heeft Nederland zich in art. 2(5) Verdrag NL-MT het recht voorbehouden om geen aftrek elders belast te verlenen. Wel rijst de vraag of vermogenswinsten na zetelverplaatsing onder art. 2(5) Verdrag NL-MT vallen, waardoor Nederland toch zou mogen heffen. Volgens de belanghebbende staat HR
BNB1999/347 (zie 5.4 hieronder) aan heffing in de weg: aanmerkelijk-belangwinst viel niet onder de toenmalige
remittance basebepaling in het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk 1980 [2] (Verdrag NL-UK). De Rechtbank heeft de in het Verdrag NL-MT niet omschreven term ‘inkomsten’ in art. 2(5) uitgelegd op basis van de Wet Vpb. Anders dan in de Wet IB wordt in de Wet Vpb geen onderscheid gemaakt tussen inkomensbestanddelen. Het Verdrag NL-MT staat volgens de Rechtbank dan ook niet aan Nederlandse belastingheffing in de weg:
NTFR2019/1952) acht deze zaak ook van belang voor andere Nederlandse belastingverdragen met een
remittancebepaling, waarbij de vragen rijzen of die bepaling ook ziet op
capital gainsen ook op inkomen uit niet-Nederlandse bron:
remittancebepaling (art. 2(5) Verdrag NL-MT) alleen geldt voor Nederlandse broninkomsten en subsidiair dat zij niet geldt voor vermogenswinsten. Die bepaling roept volgens het Hof twee vragen op: (i) wat betekent ‘bepaalde inkomsten’ en (ii) wat betekent ‘hetzij volledige, hetzij gedeeltelijke vermindering’? Het Hof overweegt:
,lid 1, Verdrag. Belanghebbendes verwijzing naar de toelichtende nota op het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk uit 1967, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de tekst van de remittance-bepaling in dat verdrag anders luidde. De remittance-bepaling in het Verdrag is juist vergelijkbaar met die in het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk uit 1980 en uit de toelichting daarop volgt juist dat deze bepaling een ruimere werking heeft. Het hof acht in dit kader niet doorslaggevend dat er geen uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen voor het geval de inkomsten alsnog naar Malta zouden worden overgemaakt.”
remittancebepaling.
NLF2020/1146) constateert dat verschillende feitenrechters de term ‘vermindering’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT verschillend uitleggen en dat u rechtseenheid moet brengen:
NTFR2020/1146) meent dat twee standpunten verdedigbaar zijn:
3.Het geding in cassatie
remittancebepaling te ruim toepast, blijkt onder meer uit (a) de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2(5) Verdrag NL-MT en het ontbreken van aanwijzingen over diens doel en strekking, (b) HR
BNB1977/111, inhoudende dat een
remitancebepaling alleen geldt als het verdrag Nederland als bronland heffingsbevoegdheid laat en dat op exclusieve toewijzingsbepalingen alleen een uitzondering kan worden gemaakt als dat uit de tekst van die toewijzingsbepaling of anderszins onmiskenbaar blijkt, en (c) het gegeven ‘s Hofs uitleg tot dubbele heffing kan leiden.
remittancebepaling vallen, volgt volgens de belanghebbende uit (a) het feit dat vermogenswinsten in Malta steeds zijn vrijgesteld, ongeacht of zij
remittedzijn, (b) HR
BNB1999/347 en de Engelse tekst van het Verdrag NL-MT: ‘inkomen’ / ‘income’ is slechts een subcategorie van de ruimere term ‘bestanddelen van het inkomen’ / ‘items of income’, en (c) het feit dat ook de Nederlandse Wet Vpb onderscheid maakt tussen verschillende soorten inkomsten, bijvoorbeeld in art. 17 Wet Pro Vpb.
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980 naar aanleiding van HR
BNB1977/111 is gewijzigd juist om ook het geval te omvatten waarin Nederland geen heffingsrecht heeft, en (b) ook ziet op vermogenswinsten, nu de verdragsterm ‘inkomsten’ volgens art. 3(2) Verdrag NL-MT en HR
BNB1999/347 moet worden uitgelegd naar nationaal recht.
4.Remittancebepalingen in belastingverdragen, met name die met het VK en Malta
remittancebepaling in Nederlandse belastingverdragen is terug te voeren op HR
BNB1959/368 (zie 5.1 hieronder), waarin u oordeelde dat Nederland niet kon heffen over een niet naar het VK overgemaakt en daarom aldaar niet belast Nederlands dividend waartoe een
non-domiciled residentvan het VK was gerechtigd. Nederland heeft de resulterende dubbele niet-belasting geprobeerd te verhelpen door in art. 6 van Pro het nieuwe belastingverdrag 1967 met het VK [13] een
remittancebepaling op te laten nemen die als volgt luidde (
curs. PJW):
verminderingmoet worden verleend van Nederlandse belasting over
bepaalde inkomstenen ingevolge de in het Verenigd Koninkrijk geldende wetgeving
een natuurlijke persoonter zake van die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten naar het Verenigd Koninkrijk zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, vindt de vermindering die Nederland ingevolge de Overeenkomst moet verlenen, slechts toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat naar het Verenigd Koninkrijk is overgemaakt of aldaar is ontvangen.”
remittancebepaling een ‘ruimere strekking’ heeft dan in het geciteerde hoofd van deze paragraaf aangegeven.
BNB1977/111 (zie 5.2 hieronder) werd duidelijk dat dit nieuwe art. 6 niet Pro voldeed. U oordeelde dat die
remittancebepaling niet gold voor inkomsten waarover Nederland volgens het Verdrag geen heffingsrecht meer heeft (exclusieve toewijzing; in casu een pensioenuitkering), maar alleen voor inkomsten waarover Nederland in beginsel wel enig heffingsrecht behoudt, maar een ‘vermindering’ van zijn belasting moet geven. In het heronderhandelde Verdrag 1980 met het VK werd daarom in lid 1 van art. 27 (diverse bepalingen) de volgende herziene
remittancebepaling opgenomen (
curs. PJW):
hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk verminderingmoet worden verleend van Nederlandse belasting
over welke inkomsten dan ooken ingevolge de in het Verenigd Koninkrijk geldende wetgeving
een natuurlijke persoonter zake van die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten naar het Verenigd Koninkrijk zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, vindt de vermindering die Nederland ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat naar het Verenigd Koninkrijk is overgemaakt of aldaar is ontvangen.”
curs.PJW):
any incomeis
relieved from Netherlands tax,
either in full or in part, and, under the law in force in the United Kingdom,
an individual, in respect of
the said incomeis subject to tax by reference to the amount thereof which is remitted to or received in the United Kingdom and not by reference to the full amount thereof, then the relief to be allowed under this Convention in the Netherlands shall apply only to so much of the income as is remitted to or received in the United Kingdom.”De toelichtende nota [15] bij het Verdrag NL-VK 1980 vermeldt over deze bepaling:
BNB1977/111 (over een pensioenuitkering die ‘slechts belastbaar’ was in het woonland van de genieter) dat de toelichters met de term ‘inkomsten waarvoor de heffingsbevoegdheid niet is verdeeld’ bedoelden: inkomsten die exclusief aan één Staat zijn toegewezen (‘slechts belastbaar’), zoals met name winst uit onderneming die niet met een vaste inrichting in de niet-vestigingsstaat wordt behaald (art. 7 OESO Pro-Modelverdrag en art. 7 van Pro het litigieuze Verdrag NL-MT) en inkomsten uit onroerend goed (art. 6 OESO Pro-Modelverdrag: exclusieve toewijzing aan het land van ligging).
BNB1999/347 (zie 5.4 hieronder) oordeelde u ten gunste van de belanghebbende dat vermogenswinsten niet onder de (nieuwe)
remittancebepaling vielen omdat zij, uitgelegd naar Nederlands belastingrecht, niet onder de term ‘inkomsten’ vallen. In HR
BNB2002/258 (zie 5.5 hieronder) oordeelde u daarentegen dat reguliere inkomsten (dividenden) uit een aanmerkelijk belang er wel onder vallen omdat het Verdrag NL-VK 1980 geen onderscheid maakt tussen dividenden uit a.b. of uit ander aandelenbezit.
remittancebepaling in het Verdrag met het VK is in verband met HR BNB 1999/347 in 2008 opnieuw heronderhandeld om ook vermogenswinsten te omvatten. Art. 22 (diverse bepalingen), lid 1, van het Verdrag NL-VK 2008 [16] bepaalt thans (
curs. PJW):
hetzij volledig hetzij gedeeltelijk verminderingmoet worden verleend van belasting in een Verdragsluitende Staat over
een inkomensbestanddeel of voordelenen
een persoonis ingevolge de in de andere Verdragsluitende Staat geldende wetgeving ter zake van dat inkomensbestanddeel of die voordelen niet voor het volle bedrag aan belasting onderworpen maar slechts voor zover het bedrag daarvan naar de andere Verdragsluitende Staat is overgemaakt of aldaar is ontvangen, vindt de vermindering die de eerstbedoelde Verdragsluitende Staat ingevolge dit Verdrag moet verlenen slechts toepassing op het deel van het inkomensbestanddeel dat of de voordelen die in de andere Staat belast wordt of worden.”
curs. PJW):
any item of income or gainsis
relieved from taxin a Contracting State,
either in full or in part, and under the laws in force in the other Contracting State
a personis subject to tax in respect of that item of income or those gains by reference to the amount thereof which is remitted to or received in that other Contracting State and not by reference to the full amount thereof, then the relief to be allowed under this Convention in the first-mentioned State shall apply only to so much of the item of income or gains as is taxed in the other State.”
Trb.1970, 67); Singapore (
Trb.1971, 95); Israel (
Trb.1974, 39); Maleisië (
Trb. 1988, 27) en Ghana.”
remittancebepaling in art. 2(5) Verdrag NL-MT luidt (
curs. PJW):
hetzij volledige, hetzij gedeeltelijke vermindering van belastingover
bepaalde inkomstenmoet worden verleend en ingevolge de in de andere Staat geldende wetgeving
een persoonter zake van die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten naar die andere Staat zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, vindt de vermindering die de eerstbedoelde Staat ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat naar de andere Staat is overgemaakt of aldaar is ontvangen.”
curs. PJW):
income is relieved from taxin one of the States,
either in full or in part, and, under the law in force in the other State,
a person, in respect of
the said income, is subject to tax by reference to the amount thereof which is remitted to or received in that other State and not by reference to the full amount thereof, then the relief to be allowed under this Agreement in the first mentioned State shall apply to so much of the income as is remitted to or received in the other State.”
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen:
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen niet tot inkomsten waarvan Nederland bronland is, maar laat in het midden waar de bron zich bevindt: gerefereerd wordt slechts aan inkomsten ‘afkomstig uit een ander land’ dan het land met het
remittance baseregime.
remittancebepaling zijn nationale wetgeving toepassen op pensioenen en uitkeringen die niet worden overgemaakt:
remittancebepaling niet om de ‘vermindering’ van belasting bedoeld in de voorkomingsregels in art. 25, lid 2 (belastingvrijstelling), en lid 3 (verrekening) van het Verdrag NL-MT, die immers alleen gelden voor ‘inwoners’ van Nederland (zie art. 25(1) Verdrag en het
Ierland-II-arrest [23] ). De belanghebbende is géén inwoner, zodat art. 25(1)-(3) Verdrag niet over haar geval gaat. Het gaat dus om de – volledige of gedeeltelijke – vermindering van belasting die voortvloeit uit de toewijzingsbepalingen van het Verdrag.
remittancebepaling bevat, maar het Commentaar op art. 1 Modelverdrag Pro vermeldde en vermeldt (thans, in de 2017-versie: in § 108) wel de mogelijkheid om zo’n bepaling op te nemen, en suggereert ook een tekst die de Staten desgewenst in hun verdrag kunnen opnemen (
curs. PJW):
income arising in a Contracting State is relieved in whole or in part from tax in that Stateand under the law in force in the other Contracting State
a person, in respect of
the said income, is subject to tax by reference to the amount thereof which is remitted or received in that other State and not by reference to the full amount thereof, then any relief provided by the provisions of this Convention shall apply only to so much of the income as is taxed in the other Contracting State.”
remittancebepalingen in de Nederlandse verdragen met Malta en het VK bevatten die beperking niet.
dual resident companiessinds 2017 geen
tie breakermeer bevat die de verdragsvestigingsplaats van niet-natuurlijke personen exclusief toewijst aan de plaats van feitelijke leiding. Het Model gaat sinds 2017 uit van een ‘
case by case solution’, inhoudende dat de betrokken vennootschap moet vragen om ontdubbeling van haar verdragsvestigingsplaats in een
mutual agreement proceduretussen de twee betrokken Verdragstaten, en dat als zij het daarover niet eens worden, de vennootschap zich niet op het Verdrag kan beroepen. Art. 4(3) van het OESO-Modelbelastingverdrag luidt sinds 2017:
1. Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag.
5.Rechtspraak over de remittancebepalingen in de Verdragen met het VK en Malta
BNB1959/368 [26] betrof een
non-domiciled residentvan het Verenigd Koninkrijk die dividend ontving op aanmerkelijk-belangaandelen in een Nederlandse vennootschap. Een deel daarvan was niet naar het VK overgemaakt en daarom aldaar niet belast. De vraag was of niettemin het gehele dividend in het VK was ‘onderworpen’. U beantwoordde die vraag bevestigend omdat een
non-domiciled residentwel degelijk subjectief belastingplichtig was in het VK. Het dividend was daarom vrijgesteld in Nederland:
Zou men oordelen, dat de uitlegging van den “Income Tax Act, 1952” in overeenstemming met de Engelse rechtsopvatting voor de interpretatie van het Verdrag niet zonder meer beslissend is, en de vraag of de belangh. in Engeland ter zake van het dividend aan belasting is onderworpen voor de toepassing van artikel VI van het Verdrag veeleer beheerst wordt door deze andere vraag of en in hoeverre in feite in Engeland een belastingschuld ontstaat, dan dient in aanmerking te worden genomen dat bezwaarlijk zou kunnen worden volgehouden, dat het niet getransfereerde deel van het dividend geen belastingschuld kan doen ontstaan. Over het bedrag daarvan wordt de belangh. immers belasting verschuldigd, bijaldien en nadat het eenmaal is getransfereerd, mits hij nog subjectief belastingplichtig is ten tijde dat die overmaking haar invloed op de berekening van de belasting kan doen gelden. Er kan dus niet worden gezegd, dat dat bedrag onvoorwaardelijk aan de heffing van de belasting ontsnapt. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie, dat in den zin van artikel VI van het Verdrag de belangh., inwoner van Engeland, aldaar in 1954 ter zake van het gehele dividend potentieel aan de belasting was onderworpen. Dit moet voldoende worden geacht om den verdragsregel te doen gelden, dat het gehele dividend in Nederland van belasting is vrijgesteld.
remittancebepaling in het latere Verdrag NL-VK 1967.
BNB1977/111 [27] (
remittance1) betrof de vraag of de vervolgens in het Verdrag NL-VK 1967 opgenomen
remittancebepaling alleen gold voor mede aan Nederland toegewezen inkomsten waarvoor Nederland ‘vermindering’ moest geven of ook voor inkomsten die ingevolge het Verdrag in Nederland waren ‘vrijgesteld’, zodat zich naar de letter geen onderworpenheid gevolgd door ‘vermindering’ voordeed. Het ging om een
non-domiciled residentvan het VK die een Nederlandse pensioenuitkering ontving die volgens art. 20(1) van het Verdrag ‘slechts belastbaar’ was in de woonstaat [28] en die deels niet werd overgemaakt naar het VK. U achtte de in het Verdrag NL-VK 1967 opgenomen
remittancebepaling (zie 4.1 hierboven) niet van toepassing op inkomsten die exclusief aan de andere Staat waren toegewezen. U overwoog:
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980.
BNB1999/347 [29] (
remittance2) betrof de vraag of de
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980 alleen ‘inkomsten’ omvatte of ook vermogenswinsten,
in casueen aanmerkelijk-belangwinst van een inwoner van het VK die niet werd overgemaakt en dus niet werd belast in het VK. U oordeelde dat het Verdrag NL-VK 1980 duidelijk onderscheid maakte tussen inkomsten en vermogenswinsten (net zoals het Verdrag NL-VK 1967 onderscheid maakte tussen ‘vermindering’ en ‘vrijstelling’), dat beide begrippen onder de verzamelterm ‘bestanddelen van het inkomen’ vielen en dat de Verdragsluiters in de
remittancebepaling niet die verzamelterm hadden gebruikt, maar de term ‘inkomsten’. Omdat via de uitlegregel van art. 3(2) van het Verdrag ook nationaal recht van belang was, woog u mee dat in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) vermogenswinsten evenmin onder de term ‘inkomsten’ vielen:
remittancebepalingen. Onder de Engelse term
reliefviel zijns inziens zowel belastingvermindering als vrijstelling:
remittancebepalingen naar hun strekking ook van toepassing lijken op vermogenswinsten, maar dat de tekst van het verdrag voorgaat op die strekking:
(…).
7.3. Nu zouden de verdragsluitende partijen aan de strekking van het Verdrag en het doel van de remittance bepalingen argumenten hebben kunnen ontlenen om de in art. 27, lid 1 gegeven remittance clausule ook te laten gelden voor vermogenswinsten. Dat had men kunnen bereiken door ook in art. 27, lid 1 te spreken van ‘bestanddelen van het inkomen’. Dat heeft men echter niet gedaan. Dat kan een gevolg zijn van slordigheid, maar het kan ook berusten op een bewuste keuze. Ik zie daarom geen reden om thans bij wege van uitleg de term ‘welke inkomsten dan ook’ op te vatten alsof er stond: 'bestanddelen van het inkomen' en om tot die inkomsten, in weerwil van het resultaat van de in art. 3, lid 2 gegeven uitlegregel, ook vermogenswinsten te rekenen.”
BNB2002/258 [31] (
remittance3) betrof de vraag of niet naar het VK overgemaakt dividend op Nederlandse aanmerkelijk-belangaandelen onder de
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980 viel. U oordeelde dat het Verdrag geen onderscheid maakte tussen dividenden uit a.b. en andere dividenden, zodat Nederland heffingsbevoegd was:
remittancebepaling vallen. Daarbij achtte hij ook van belang dat de
remittancebepaling eenzijdig ten gunste van Nederland strekt: zij kan alleen door Nederland – niet door het VK – worden toegepast:
remittancebepaling in geschil was. In sommige van die zaken was mede in geschil of die bepaling alleen ziet op inkomsten uit Nederlandse bron of ook op de inkomsten die de naar Nederlands recht opgerichte BV uit derde landen geniet.
remittancebepaling (art. 2(5) Verdrag NL-MT) mag heffen over onder meer de niet naar Malta overgemaakte rente ontvangen op vorderingen op haar in Zwitserland wonende grootandeelhouder. De Rechtbank oordeelde op basis van het
Ierland-II-arrest [34] dat de belanghebbende BV na haar emigratie nog slechts beperkt binnenlands belastingplichtig was, nl. alleen voor inkomsten die volgens het Verdrag nog in Nederland belast mochten worden:
remittancebepaling wel degelijk kan heffen over alle niet-overgemaakte inkomsten van een feitelijk op Malta gevestigde BV die het Verdrag in beginsel exclusief aan Malta toewijst:
dual residentBV op basis van de
tie breakin het Verdrag NL-MT op Malta is gevestigd, er door de resulterende uitgeklede belastingplicht in Nederland in het algemeen niet meer wordt toegekomen aan toepassing van de
remittance basebepaling:
6.Literatuur
BNB1977/111 dat art. 2(5) Verdrag NL-MT ook ziet op inkomsten die in Nederland volledig moeten worden vrijgesteld, omdat het ruimer geformuleerd is dan art. 6 Verdrag Pro NL-VK 1967, dat in HR BNB 1977/111 aan de orde was en volgens u geen heffing toestond als het Verdrag noopte tot vrijstelling in plaats van ‘vermindering’ in Nederland (zie 5.2 hierboven):
remittance-arresten 1, 2 en 3 (HR
BNB1959/368, HR
BNB1977/111 en HR
BNB1999/347) steeds voor de grammaticale methode koos bij de uitleg van de
remittancebepalingen in de opvolgende Verdragen met het VK, en weinig betekenis toekende aan doel en strekking van die bepalingen. Zijns inziens strookt het met de in art. 31(1) Verdrag van Wenen voorgeschreven tekstuele interpretatie om dicht bij de gewone betekenis van een verdragsterm in zijn context te blijven. Hij concludeert dat als de Verdragsluiters het ontgaan van belasting via het Verdrag willen uitsluiten, zij dat uitdrukkelijk moeten bepalen:
BNB1999/347) meende dat de Nederlandse verdragsluiter (opnieuw) werd afgestraft en dat dit strookte met art. 31(1) Verdrag van Wenen:
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen. De
remittancebepalingen in de verdragen met Ierland, Israël, Singapore en Thailand acht zij op basis van hun tekst alleen van toepassing op inkomsten waarvoor Nederland een ‘vermindering’ moet geven. De
remittancebepalingen in de verdragen met Barbados, Ghana, Japan, Maleisië, Malta en het VK daarentegen gelden volgens haar naar hun tekst ook als Nederland vrijstelling moet verlenen. Zij meent op basis van HR BNB 1999/347 dat alle
remittancebepalingen, behalve die in de Verdragen met Barbados en Japan, beperkt zijn tot ‘inkomsten’ en daarom niet zien op vermogenswinsten:
BNB1999/347 dat de
remittancebepaling in art. 2(5) Verdrag NL-MT niet ziet op vermogenswinsten omdat zij bij grammaticale uitleg van die bepaling niet onder ‘inkomsten’ vallen:
remittancebepaling vallen:
remittancebepalingen met
claw back-bepalingen die het heffingsrecht doen terugkeren naar de bronstaat als de woonstaat geen gebruik maakt van de hem toegewezen heffingsbevoegdheid. Zij merken op dat
7.Beoordeling
Middel (i): de navorderingsbevoegdheid
non-remittancehoefde te doen naar aanleiding van het gegeven dat de belanghebbende zichzelf verplaatst had naar Malta. Emigratie hoeft er geenszins op te wijzen dat de emigrante ten onrechte alleen het verlies ad -/- € 98.205 uit gewone bedrijfsvoering over de pre-emigratie aangeeft in plaats van aftrek elders belast te vragen voor de rest van het jaar of dat een bijzonder risico van onjuistheid of te lage heffing bestaat. De Inspecteur kon heel wel de kans dat belanghebbendes aangifte volledig was als geenszins denkbeeldig beschouwen. [43]
niethet gegeven opgenomen dat zij haar winst 2012 buiten bereik van de belastingjurisdictie van haar nieuwe vestigingsstaat hield door niet over te maken, zodat de Inspecteur aan dat niet-opgegeven gegeven ook niet redelijkerwijze hoefde te twijfelen. De belanghebbende lijkt zich op eigen nalatigheid te beroepen, gegeven dat zij (i) in haar aangifte 2012 geen post-emigratie-inkomsten vermeldde, noch aan de orde stelde dat zij daarover wegens
non-remittancebelastingvrijdom genoot in Malta, (ii) haar aangifte 2013, waarin zij uiteindelijk haar winst 2013 wel vermeldde en aftrek elders belast vroeg, ondanks herinnering en aanmaning pas in 2016 deed en (iii) kennelijk pas na drie informatievorderingen in 2015 en 2016 de voor correcte verdragstoepassing benodigde opening van zaken gaf over haar
non-remittanceen belastingpositie in Malta.
non-remittancenaar en belastingvrijdom in Malta, zodat er hoe dan ook een nieuw feit is.
Van Hilten-van der Heijden [46] volgt dat als emigranten (nog tien jaar na emigratie) onderworpen blijven aan het inwonerregime, dat geen schending van de EU-verkeers-vrijheden oplevert, nu de emigrant alsdan niet ongunstiger wordt behandeld dan de niet-emigrant. Ik voeg daaraan toe dat uit HvJ EG
Gilly [47] blijkt dat de lidstaten hun personele heffingsaanknopingspunt kunnen baseren op onder meer de nationaliteit van natuurlijke personen en dat dat criterium EU-rechtelijk neutraal is, alsmede dat uit onder meer HvJ EU
Überseering [48] volgt dat (onder meer) het oprichtingsrecht voor rechtspersonen EU-rechtelijk fungeert als de nationaliteit van natuurlijke personen.
nietnaar Nederlands recht opgerichte vennootschap, i.e. met een
niet-onderdaan, is niet relevant, nu het EU-recht zich niet verzet tegen eventuele omgekeerde discriminatie (ongunstiger behandeling van eigen onderdanen). [49]
siège réèlland. Daartegen bieden de EU-verkeersvrijheden geen bescherming, zoals blijkt uit onder meer de HvJ-arresten
Kerckhaert-Morres, [50] Damseaux [51] en
Block. [52] Afhankelijk van de soeverein door lidstaten (mits neutraal) bepaalde personele heffingsaan-knopingspunten kan dubbele heffing of een dubbele
regulatory burdenontstaan.
remittancebepaling staat op drie punten ter discussie: (a) ziet zij alleen op inkomensbestanddelen waarvoor het Verdrag Nederland enige heffingsjurisdictie laat, maar waarvoor een ‘vermindering’ moet worden geven, of ook op inkomens-bestanddelen die exclusief zijn toegewezen aan de andere Verdragstaat en daarmee geheel onttrokken zijn aan Nederlandse heffingsjurisdictie, zoals in casu ‘voordelen uit onderneming’ / ‘profits of an enterprise’ (art. 7 Verdrag Pro)? (b) Ziet de
remittancebepaling alleen op winst uit gewone bedrijfsvoering of ook op vermogensresultaten? (c) Vallen ook voordelen uit derde Staten onder de
remittancebepaling?
Ierland II-arrest HR BNB 1994/163 [53] en het
grensambtenaararrest HR
BNB1980/170: [54] de exclusief aan het andere land toegewezen inkomsten verdwijnen uit de naar nationaal recht bepaalde heffingsgrondslag.
remittancebepaling,
i.e.in de context van een
saving clausedie blijkens haar tekst Verdragsbelemmeringen van Nederlandse heffing uitschakelt als Malta als gevolg van
non-remittanceniet heft over door het Verdrag aan de Maltese heffingsjurisdictie toegewezen inkomsten. ‘Vermindering’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT betekent mijns inziens dus wat de Engelse term ‘relief’ in de gelijkelijk authentieke Engelstalige versie van de
remittancebepaling betekent (aldus ook de A-G Van den Berge in zijn conclusie voor HR
BNB1999/347; zie 5.4 hierboven), nl. elke
verlichtingvan Nederlandse belasting ingevolge enige bepaling van het Verdrag.
squarebinnen de term ‘volledige [verlichting] van belasting op grond van een bepaling van deze Overeenkomst in een van de Staten’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT.
juist omexclusief toegewezen inkomensbestanddelen (in dat geval: pensioenen) ook te kunnen vatten, zo blijkt uit de in 4.4 geciteerde toelichting. Dat was nodig omdat u in HR
BNB1977/111 (zie 5.2 hierboven) had geoordeeld dat ‘vermindering’ niet mede ‘vrijstelling’ omvat als het Verdrag (zoals art. 14 Verdrag Pro NL-VK 1967) een duidelijk onderscheid maakt tussen ‘vermindering’ en ‘vrijstelling’ (exclusieve toewijzing aan de andere Staat). De term ‘
volledigevermindering’ werd in 1980 toegevoegd om ook vrijgestelde,
i.e.exclusief aan het andere land toegewezen inkomensbestanddelen te kunnen vatten. Dit impliceert mijns inziens dat de identieke term ‘
volledigevermindering’ in art. 2(5) Verdrag NL-MT hetzelfde betekent, nl. door het Verdrag onttrokken aan Nederlandse heffingsgrondslag, zoals art. 7 Verdrag Pro doet met de winst van een Nederlandse BV die feitelijk in Malta is gevestigd en geen v.i. in Nederland heeft.
BNB1977/111 is gewezen op 26 januari 1977 en dat het Verdrag met Malta is ondertekend op 18 mei 1977, zodat de kwestie van vrijgesteld inkomen onder de
remittancebepaling in het Verdrag met het VK toen al vele jaren liep in bezwaar, beroep en cassatie, dus ook jarenlang tijdens de verdragsonderhandelingen met Malta, hetgeen ongetwijfeld mede de tekst van art. 2(5) in het Verdrag met Malta heeft bepaald. Het ligt mijns inziens voor de hand om te veronderstellen dat de
remittancebepaling in het Verdrag NL-VK 1980 is gekopieerd uit het Verdrag NL-MT.
income] niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten/
incomenaar [Malta] zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen’. Dat betekent mijns inziens dat de niet-belasting in Malta een gevolg moet zijn van de niet-overmaking. Art. 2(5) is geen algemene
saving clauseof
claw backdie aangrijpt in
elkgeval waarin de
winner Stategeen gebruik maakt van het hem toegewezen heffingsrecht, maar grijpt alleen aan als de niet-belasting een gevolg is van wetgeving die
non-remitted incomeonbelast laat. De belanghebbende betoogt (5.2.11 cassatieberoepschrift) dat niet-Maltese vermogenswinsten in Malta zijn vrijgesteld, ongeacht
remittance. Als dat zo is, is de niet-belasting in Malta ter zake van vermogenswinsten geen gevolg van diens
remittance base regime, maar van andere Maltese wetgeving, die art. 2(5) Verdrag niet activeert.
NJ2006/505 [56] als volgt in een geschil tussen echtelieden met de Marokkaanse nationaliteit over de vraag of de echtscheiding kon worden uitgesproken:
BNB2001/194 [57] hoeft de feitenrechter ook niet van ambtswege na te gaan of EU-lidstaten hun verplichtingen ex het VN Psychotrope Stoffen Verdrag nakomen:
andereMaltese rechtsgrond dan
non-remittance.
bepaalde inkomsten’/ ‘
income(…) relieved from tax’ (
curs. PJW) geen vermogenswinsten. Ik zou echter niet weten waarom niet. Zoals de belanghebbende zelf betoogt, verwijst ‘bepaalde inkomsten’ tekstueel naar de in de toewijzingsbepalingen van het Verdrag geregelde verschillende soorten inkomen, waaronder dus ook de inkomenssoort ‘winst/voordelen uit onderneming’ (art. 7 Verdrag Pro), die ook vermogenswinsten omvat, tenzij anders toegewezen door een andere (specialis) Verdragsbepaling. In de context van een
saving clausezoals de litigieuze
remittancebepaling gaat het dus om de (volledige of gedeeltelijke) ‘vermindering’ (i.e.
verlichting) van belasting die voortvloeit uit de toewijzingsbepalingen voor de inkomenssoorten die het Verdrag regelt.
BNB1999/347 (
remittance2; zie 5.3 hierboven), waarin u oordeelde dat zowel het Verdrag NL-VK 1980 als de Wet IB 1964 voor natuurlijke personen onderscheid maakten tussen inkomsten uit vermogen en vermogenswinsten. De uitkomst van dat arrest werd mijns inziens echter geheel bepaald door het fundamentele onderscheid tussen vruchten en bron in de Wet IB 1964, door Verdragsbepalingen die niet over winst uit onderneming gingen, door de feiten van het geval en door de hoedanigheid van de belastingplichtige (natuurlijke persoon/aanmerkelijk-belanghouder). Geen van al die omstandigheden is relevant in belanghebbendes zaak, die maar één inkomenscategorie betreft, nl. ‘winst/ voordelen uit onderneming’ (‘business profits’ / ‘profits of an enterprise’). Het hoofd van art. 7 Verdrag Pro heeft het over ‘winst uit onderneming’; lid 1 heeft het over ‘voordelen uit een onderneming’; de Engelstalige versie heeft het over ‘business profits’ resp. ‘profits of an enterprise’. Ik merk op dat in het Engels de term ‘income’ ook ‘business income’ omvat, en ook ‘corporate income,’ zodat mij net zoals bij ‘vermindering’ / ‘relief’ in elk geval de authentieke Engelse tekst duidelijk lijkt: ‘income’ / ‘bepaalde inkomsten’ omvat ook ‘voordelen uit onderneming’, ‘winst uit onderneming’, ‘business profit’ en ‘profits of an enterprise’. Daaronder vallen mijns inziens ook de door een onderneming op ondernemingsvermogen gerealiseerde vermogensresultaten.
BNB1999/347 - anders dan de belanghebbende betoogt - dat art. 3(2) Verdrag NL-MT ertoe noopt om voor de term ‘inkomsten’ / ‘income’ te rade te gaan bij de Nederlandse wetgeving over de relevante belasting,
i.e.de vennootschapsbelasting. Door het Verdrag niet gedefinieerde termen zoals ‘bepaalde inkomsten’ / ‘income’ in art. 2(5) Verdrag en ‘winst’ / ‘profit’ en ‘voordelen’ / ‘profit’ in art. 7 Verdrag Pro hebben volgens art. 3(2) Verdrag immers de betekenis die die termen volgens de wetgeving met betrekking tot de vennootschapsbelasting hebben. In de Wet Vpb gaat het steeds om de ‘winst’, omvattende alle voordelen uit onderneming, ook alle vermogensresultaten op ondernemingsvermogen. Niet valt in te zien dat het zinsverband anders zou eisen.
remittancebepaling vallen, maar kennelijk zonder feitelijke grondslag, want de feitenrechters hebben niet vastgesteld dat de belanghebbende in 2012 en 2013 voordelen heeft genoten uit derde landen. De belanghebbende stelt wel dat er geen Nederlandse inkomenbronnen waren, [58] maar niet uit welke derde landen dan welk deel van haar winsten 2012 en 2013 afkomstig waren. Voor zover er iets over aard en herkomst van haar winsten in die jaren is vastgesteld, is het dat zij in de maanden vóór haar emigratie een verlies uit gewone bedrijfsvoering had geleden en dat zij in de geschiljaren een vermogenswinst en een vermogensverlies heeft gemaakt, volgens de Rechtbank op Nederlandse aandelen. [59] Voor het overige hebben de feitenrechters niets vastgesteld over aard of herkomst van belanghebbendes winsten.
cliff hangerbewaren voor de conclusie in die zaak, waarnaar desgewenst, in de woorden van Van Dun (zie 2.16 hierboven), reikhalzend kan worden uitgekeken omdat ‘daarin op bondige wijze, aan de hand van een heldere analyse van de aan de orde zijnde vragen, en onder verwijzing naar de relevante rechtsbronnen een leidraad wordt geboden’ voor uw oordeelsvorming. Om verwachtingen te reguleren, merk op dat de kans bestaat dat u ook in die zaak niet aan de kwestie toe komt, nu het Hof er in die zaak slechts subsidiair op ingaat: primair wordt het hogere beroep van de Inspecteur in die zaak gegrond verklaard op het voornamelijk feitelijke oordeel dat de belanghebbende in die zaak feitelijk niet op Malta, maar in Nederland was gevestigd.