Conclusie
adv.: mrs. B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove
International Flavors & Fragrances I.F.F. (Nederland) B.V.
Zurich Insurance Public Limited Company,
adv.: mr. G.C. van Nieuwland (voorheen mr. K. Teuben)
IFFrespectievelijk
Zurich, gezamenlijk ook als
IFF c.s.
1.Feiten en procesverloop
[het renovatiebedrijf]).
[de werknemer]) en de door [het renovatiebedrijf] ingeschakelde zzp-er [de zzp-er] (hierna:
[de zzp-er]). [2]
[deskundige 1]) van 14 september 2012. [6] [deskundige 1] heeft onderzoek gedaan in opdracht van Crawford & Company (Nederland) BV (hierna:
Crawford), die op haar beurt was ingeschakeld door Zurich, de verzekeraar van IFF;
[deskundige 2]) van 9 januari 2013 [7] , uitgebracht in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiseres] ;
de rechtbankdeskundige) als deskundige benoemd.
De plaats van de werkzaamheden. Het staat vast dat ter plaatse van de installatie nieuwe dakbedekking is gelegd met hulp van branders. Er is dus gebruik gemaakt van open vuur. De dakdekkers hebben op enig moment ook in de ruimte voor de installatie gewerkt. Het tijdstip waarop het vuur is ontstaan behoeft niet gelijk te zijn aan het tijdstip waarop de brand is ontdekt. Een filterbrand begint altijd met broei en er zal dus enige tijd verstreken zijn voordat de brand uitbrak en zichtbaar werd. De deskundige heeft ‘met zekerheid’ vastgesteld dat de brand is ontstaan in het filtermateriaal van de installatie. (rov. 3.9 sub a)
De vraag of de installatie lucht uitblies dan wel aanzoog.Er kan op basis van de rapporten van de deskundigen geen twijfel over bestaan dat de installatie lucht aanzoog. (rov. 3.9 sub b)
Een elektrische storing als mogelijke oorzaak.De mogelijkheid dat de brand is ontstaan door een elektrische storing is (vrijwel) uitgesloten. Het hof verwijst daarbij naar het deskundigenrapport dat IFF heeft overgelegd, naar het rapport van de rechtbankdeskundige en naar de reactie daarop van onderzoeksbureau Gorpa Schadeonderzoek (hierna:
Gorpa [20] ), zoals vermeld in de conclusie na deskundigenbericht zijdens IFF c.s., nr. 6-8. (rov. 3.9 sub c)
9.1 Causaliteit
Voor beide partijen geldt dat bij de uitvoering van het werk onvoldoende oplettendheid is betracht om te voorkomen dat brandbare stoffen in de luchtbehandelingsinstallatie terecht zouden komen waardoor brand is ontstaan. Uit de verklaringen van de als getuigen gehoorde dakdekkers blijkt dat zij niet bekend waren met bepaalde veiligheidsvoorschriften en uit de verklaringen van deskundigen blijkt dat niet alle voorschriften, over de toepasselijkheid waarvan geen overeenstemming bestaat, in acht zijn genomen. Het hof acht van belang dat bij de werkzaamheden in de buurt van een installatie die lucht aanzuigt extra oplettendheid had moeten worden betracht en dat een dergelijke oplettendheid verwacht had mogen worden van degenen die de onderhavige werkzaamheden als professionele dakdekkers uitvoerden. (rov. 3.12)
BBr) (2000) mag het regresrecht jegens niet-particulieren alleen worden uitgeoefend als de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten. Het begrip ‘onzorgvuldig’ dient volgens vaste rechtspraak naar objectieve, gebruikelijke maatstaven te worden uitgelegd (HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4621) en kent dus niet een andere uitleg dan ‘toerekenbaar handelen of nalaten’ als bedoeld in art. 6:162 BW Pro. (rov. 3.17.1)
2.Inleiding: de luchtbehandelingsinstallatie
voor’ de luchtinlaat (dus
naastde kast) en/of daadwerkelijk ‘
onder’ de kast.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1komt erop neer dat eerstgenoemd oordeel – dat het gebruik van branders de meest aannemelijke oorzaak van de brand is geweest – onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van door [eiseres] ingenomen stellingen waarop het hof niet (voldoende) kenbaar heeft gerespondeerd, te weten:
altijd’ begint met broei zodat enige tijd verstreken kan zijn voordat de brand uitbrak en zichtbaar werd (rov. 3.9 sub a). In dat geval is deze overweging volgens het subonderdeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van [eiseres] ’ stelling (a) dat het filtermateriaal binnen een kwartier ontbrandt. Uit deze stelling volgt immers dat de ‘
enige tijd’ waarin de brand zal ontstaan, maximaal een kwartier kan zijn, waardoor de brand alleen door de dakdekkers kan zijn veroorzaakt indien deze binnen een kwartier voorafgaand aan het ontstaan van de brand voor de installatie hebben gewerkt. Daarmee is dus relevant op welk tijdstip de dakdekkers precies vóór de installatie hebben gewerkt. Het hof heeft dit volgens het subonderdeel dan ook niet in het midden kunnen laten.
onderde installatie aan het werk waren. Ik teken hierbij aan dat IFF c.s. de onder de installatie uitgevoerde werkzaamheden nu juist mede als feitelijke grondslag voor de aansprakelijkheid van [eiseres] heeft aangevoerd. [34] De opmerking van [eiseres] moet dan ook kennelijk worden begrepen tegen de achtergrond van (haar beroep op [35] ) de vaststelling door getuige-deskundige [deskundige 3] [36] en de rechtbankdeskundige [37] dat – kort samengevat – vanaf die locatie, gelet op de windrichting, (theoretisch) geen materialen de kast kunnen zijn ingezogen. [38] De rechtbank is aan dit punt niet toegekomen. Dat geldt ook voor het hof, dat de aansprakelijkheid van [eiseres] kennelijk reeds heeft gebaseerd op de op enig moment vóór de kast uitgevoerde werkzaamheden (rov. 3.9-3.10).
ontdekkingvan de brand
onderde installatie bezig waren, in de periode
voorafgaandaan de ontdekking van de brand met hun brander
vóórde luchtbehandelingskast hebben gewerkt (MvG, nrs. 48-49). [eiseres] reageert daarop in haar memorie van antwoord als volgt:
Grief 3suggereert dat de rechtbank een ‘feit’ genegeerd zou hebben. Betoogd wordt thans dat de dakdekkers voorafgaand aan de brand vóór de LBK hebben gewerkt. Het probleem is (...) dat niet van een relevant feit sprake is.
gigantisch” brandbaar. [deskundige 3] [40] verklaart dat de brand in het filtermateriaal binnen enkele minuten kan beginnen c.q. in een mum van tijd, maar uiterlijk binnen een kwartier ontstaat.
naastde kast
nietmet een brander werd gewerkt (vonnis van 12 juli 2017, rov. 2.a.3), heeft [eiseres] voorts op de in het middel aangegeven vindplaats betoogd:
niet vast staat.
onderde kast als potentiële oorzaak van die brand. [42]
Uitsluiten elektrische oorzaak’) vermeld dat bij de plaats van het ontstaan van de brand twee verlichtingspunten aanwezig zijn. Tijdens een technisch onderzoek (op 29 juni 2012, p. 4) zijn metingen verricht door ‘een ter zake kundige’, waarbij werd geconstateerd (i) dat er vanuit de meterkast
totde schakelaar van de verlichting (aan de buitenkant van de kast) spanning stond, en (ii) dat de schakelaar uitstond (p. 11-12). Een elektrische oorzaak wordt uitgesloten (§ 7.1, p. 12 [45] ) respectievelijk hoogst onwaarschijnlijk geacht (§ 9.1, p. 14).
10 maanden na de brand’) naar voren dat het onderzoek is uitgevoerd door Imtech en dat de schakelaar aan twee zijden gemeten is, wordt niet duidelijk waarom dat niet in het rapport van [deskundige 1] is gemeld en is het rapport van [deskundige 1] niet aangepast naar aanleiding van de opmerkingen van Crawford (p. 10).
nade schakelaar de bedrading spanningsloos was (§ 3.4), waaraan de gevolgtrekking wordt verbonden dat een elektrische oorzaak niet mogelijk is (§ 3.6). Hetzelfde is het geval in de eveneens bijgevoegde reactie van [deskundige 3] van Crawford van 28 december 2018 (p. 2-3). [48]
De nu door Gorpa gepresenteerde feiten zijn:
• De bedrading van de verlichting was spanningvoerend tot aan de schakelaar;
• De verlichtingsschakelaar stond in de stand “Uit”;
• De bedrading was na de schakelaar niet spanningvoerend;
(...)
De deskundige vindt het opmerkelijk dat belangrijke metingen uitgevoerd tijdens een brandonderzoek pas 10 maanden na het onderzoek in een rapport van een opdrachtgever naar voren komen. In het originele rapport van het onderzoek naar de oorzaak van de brand heeft deze meting niet geleid tot het kunnen uitsluiten van een elektrische oorzaak.
Het rapport van een onderzoek moet voor derden controleerbaar zijn. Een derde moet immers de gang van zaken van het onderzoek na kunnen gaan en vast kunnen stellen of op basis van alle beschikbare feiten de juiste conclusie getrokken is. Gorpa heeft niet gerapporteerd wie de meting heeft uitgevoerd en heeft de meting niet volledig gerapporteerd. (...)”
onderde kast, dus niet voor de door het hof in rov. 3.10 tot uitgangspunt genomen werkzaamheden
voorde kast (nog daargelaten dat die uitspraak door de deskundige zelf onmiddellijk wordt gerelativeerd).
subonderdeel 1.3faalt.
subonderdeel 1.4klaagt [eiseres] dat het bestreden oordeel – dat een elektrische oorzaak van de brand (vrijwel) is uitgesloten – onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van haar stelling (onder verwijzing naar een rapport van [deskundige 2] [50] ) dat de gelijkluidende conclusie uit het rapport van [deskundige 1] is gebaseerd op tegenstrijdige onderzoeksresultaten. [51] Deze tegenstrijdigheid bestaat hierin dat volgens [deskundige 1] het koper van de elektrische bedrading zou zijn gesmolten, zodat zich een temperatuur van 1083 °C moet hebben voorgedaan. [52] Volgens [deskundige 2] is ter plaatse echter ook slechts ten dele versmolten glas (smeltpunt 600 °C) en aluminium (smeltpunt 639 °C) aangetroffen, terwijl die materialen bij versmelting van de bedrading
als gevolg van de brandvolledig versmolten zouden moeten zijn. [53] Dit duidt er volgens het subonderdeel op dat de kabels door kortsluiting moeten zijn versmolten, dat er dus spanning op de kabels moet hebben gestaan en dat een technische oorzaak van de brand niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan worden uitgesloten.
geen spanningstond, zodat ‘de hypothese aangaande het ontstaan van de brand ten gevolge van enig defect in de elektrische installatie als
nietmogelijk (moet) worden beschouwd.’
subonderdeel 1.4moet falen.
naasthet in rov. 3.10-3.11 vastgestelde causaal verband tussen de uitgevoerde werkzaamheden en het ontstaan van de brand.
gevolgis van de tekortkoming in de verplichting om voldoende oplettendheid te betrachten om te voorkomen dat brandbare stoffen in de installatie terecht zouden komen.
Tegen dit argument wordt aangevoerd dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het enkele ontstaan van brand in het licht van de tussen [eiseres] en IFF gesloten overeenkomst een tekortkoming oplevert, terwijl dit niet per definitie het geval is (waarbij wordt verwezen naar subonderdeel 2.1).
Tegen dit argument wordt aangevoerd dat het hof niet motiveert welke voorschriften niet in acht zijn genomen en of het niet in acht nemen van die voorschriften, in het licht van de overeenkomst tussen [eiseres] en IFF, een tekortkoming oplevert.
Tegen dit argument wordt aangevoerd dat het hof niet motiveert waarom het niet instrueren over brandpreventie en het niet controleren op de naleving van de (niet gegeven) instructies een tekortkoming oplevert jegens IFF.
subonderdeel 2.2faalt.
Subonderdeel 2.4klaagt dat het hof door niet te expliciteren welke voorschriften zijn geschonden, niet (voldoende begrijpelijk) heeft geoordeeld of het niet in acht nemen van de voorschriften in verband staat met het ontstaan van de brand en daarmee in causaal verband staat met de schade. Het oordeel dat bepaalde voorschriften zijn geschonden kan daarom niet het oordeel dragen dat [eiseres] aansprakelijk is jegens IFF.
onderdeel 2falen.
Echoput-arrest [60] op een geval waarin een installateur (L) in zijn offertes steeds naar bepaalde algemene voorwaarden had verwezen, maar deze verwijzing ontbrak in de ‘opdrachtbevestiging’ door aanvaarding waarvan de overeenkomst tot stand was gekomen. Uw Raad betrok mede het (passieve) gedrag van de wederpartij in zijn beoordeling: [61]
first shot rulede algemene voorwaarden waarnaar het eerst is verwezen op de overeenkomst van toepassing zijn. [65] Aan welke vereisten een afwijzing moet voldoen om
uitdrukkelijkte zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, al blijkt uit de tekst van de wet dat een enkele verwijzing naar eigen algemene voorwaarden niet voldoet. [66]
(i)IFF heeft echter niet of onvoldoende weersproken gesteld dat zij in haar “Purchase order” van 12 mei 2007 in het kader van eerdere werkzaamheden aan [eiseres] heeft meegedeeld dat zij alleen op bepaalde condities wenste te contracteren en dat haar algemene voorwaarden deel uitmaken van de te sluiten overeenkomst. [67] (ii)Omdat hier sprake is van een reeks opdrachten en [eiseres] de algemene voorwaarden van IFF niet heeft afgewezen, kan zij geen beroep doen op een exoneratie.
(iii)Het hof verwerpt het standpunt van [eiseres] dat zij op 3 mei 2012 de mondelinge opdracht heeft bevestigd: uit de inhoud en strekking van haar bescheid blijkt onmiskenbaar dat er sprake was van een offerte die nog voor akkoord moest worden ondertekend, hetgeen niet is gebeurd. (…)”
(i) het (primaire) betoog van IFF c.s. dat tussen IFF en [eiseres] in ieder geval vanaf 2008 een bestendige handelsrelatie bestond [70] en dat IFF [eiseres] bij afzonderlijk schrijven (verwezen wordt naar de e-mail van 12 mei 2007) heeft laten weten dat op alle te sluiten overeenkomsten haar algemene voorwaarden van toepassing zouden zijn, welke aan [eiseres] zijn toegezonden. Deze vantoepassingsverklaring zag derhalve ook op de onderhavige overeenkomst. [eiseres] heeft deze algemene voorwaarden bij offertes van 2 september 2011 en 3 mei 2012 niet van de hand gewezen. Op grond van art. 6:225 lid 3 BW Pro zijn de voorwaarden van IFF van toepassing, aldus IFF c.s. (MvG, grief 28, nr. 142);
(ii) het (subsidiaire) betoog van IFF c.s. dat, als naar het oordeel van het hof haar voorwaarden niet van toepassing mochten zijn, ook de (niet ter hand gestelde) algemene voorwaarden van [eiseres] niet van toepassing zijn, omdat IFF de (niet door [eiseres] ondertekende) offerte van 3 mei 2012 ook niet voor akkoord heeft ondertekend en in haar opdrachtbevestiging heeft verwezen naar de algemene voorwaarden van IFF [71] (MvG, nr. 143), en
(iii) het verweer van [eiseres] (tegen grief 28) dat zij, na een mondelinge aanvraag van IFF en een offerte harerzijds van 21 september 2011 (waarbij de toepasselijkheid van haar (bijgevoegde) algemene voorwaarden is gestipuleerd), na overleg over die offerte een opdrachtbevestiging d.d. 3 mei 2012 heeft gestuurd waarin opnieuw haar ( [eiseres] ’) algemene voorwaarden zijn gestipuleerd. Op 11 mei 2012 stuurde IFF een ‘Purchase order’, waarin zij conform offerte opdracht gaf tot het uitvoeren van het werk. Die purchase order is als opdrachtbevestiging tardief, omdat [eiseres] op 3 mei 2012 de verleende opdracht al had bevestigd. In die purchase order is niet ex art. 6:225 lid 3 BW Pro in uitdrukkelijke bewoordingen vervat dat de algemene voorwaarden van [eiseres] van de hand werden gewezen. Aan de eis van een duidelijke afwijzing is dus niet voldaan, aldus [eiseres] (MvA, nrs. 106-110).
aanvaard, zo begrijp ik de vierde volzin (in het middel en hiervoor genummerd (iii)) van rov. 3.14.
subonderdelen 3.1 en 3.2zijn gericht tegen het in rov. 3.14 vervatte oordeel (in het middel en hiervoor genummerd (i)) dat IFF c.s. niet of onvoldoende weersproken heeft gesteld dat IFF in haar (lees:) e-mail van 12 mei 2007 heeft meegedeeld dat zij alleen op bepaalde condities wenste te contracteren en dat haar algemene voorwaarden deel uitmaken van te sluiten overeenkomsten.
subonderdeel 3.1heeft het hof met oordeel (i) miskend dat voor het toepasselijk worden van algemene voorwaarden vereist is dat de wederpartij de gelding van die voorwaarden heeft
aanvaard, dat wil zeggen dat de wederpartij haar daarop gerichte wil heeft geuit, althans de gebruiker van de algemene voorwaarden erop mag vertrouwen dat de wederpartij die gelding wil aanvaarden.
niet kon volstaanmet de enkele overweging dat [eiseres] onvoldoende heeft weersproken dat IFF heeft meegedeeld dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn, aldus de klacht. [75]
subonderdelen 3.3 en 3.4wordt opgekomen tegen rechtsoverweging (ii), luidende: “Omdat hier sprake is van een reeks opdrachten en [eiseres] de algemene voorwaarden van IFF niet heeft afgewezen, kan zij geen beroep doen op een exoneratie.”
subonderdeel 3.4.
toev. A-G] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar zijn omdat
(iv)[eiseres] zich onvoldoende heeft ingespannen om het risico van brand tijdens de opgedragen werkzaamheden te voorkomen en
(v)de oorzaak van de brand grove schuld oplevert van degenen die de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van [eiseres] , althans als haar hulppersonen hebben uitgevoerd.
(vi)Het hof verwerpt het verweer van [eiseres] c.s. dat IFF heeft nagelaten een CAR-verzekering te sluiten. [eiseres] c.s. hadden zich daarvan vooraf op de hoogte moeten stellen. In elk geval is [eiseres] ter zake van aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige verzekerd.
(vii)Het ligt het meest in de rede schade die het gevolg is van door onvoorzichtigheid ontstane brand, te doen vergoeden door de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij en niet grotendeels voor rekening te laten van de benadeelde partij.”
subonderdeel 3.7heeft het hof in rov. 3.14 de bij zijn beoordeling te betrachten terughoudendheid miskend, omdat de genoemde omstandigheden noch tezamen, noch afzonderlijk de conclusie kunnen dragen dat sprake is van onaanvaardbaarheid van [eiseres] ’ beroep op haar exoneratie.
In ieder geval is het oordeel niet toereikend gemotiveerd, aangezien niet (voldoende) kenbaar is welk gewicht het hof heeft toegekend aan de genoemde omstandigheden en waarom deze omstandigheden op zichzelf of in onderling verband kunnen leiden tot de conclusie dat het beroep van [eiseres] op het exoneratiebeding in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 3.8klaagt dat het oordeel van het hof onjuist en in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd op grond van bezwaren tegen de afzonderlijke omstandigheden ((iv)-(vii)) zoals die door het hof aan zijn oordeel ten grondslag zijn gelegd.
Omstandigheid (iv):[eiseres] heeft zich onvoldoende ingespannen om het risico van brand te voorkomen.
Tegen deze omstandigheid wordt ingebracht dat zij niet (zonder meer) kan meebrengen dat de brand/schade te wijten is aan grove schuld van [eiseres] . Voor het aannemen van grove schuld is immers een bijzondere graad van verwijtbaarheid nodig.
Omstandigheid (v): de oorzaak van de brand levert grove schuld op van degenen die de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van [eiseres] , althans als haar hulppersonen, hebben uitgevoerd.
Geklaagd wordt dat het hof aldus heeft miskend dat de aanwezigheid van grove schuld van bedoelde personen zonder nadere motivering niet meebrengt dat aan [eiseres] geen beroep toekomt op het exoneratiebeding. Volgens de klacht is voor die conclusie meer nodig, bijvoorbeeld opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar zelf of van met de leiding van haar bedrijf belaste personen.
Omstandigheid (vi):in ieder geval is [eiseres] is ter zake van aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige verzekerd.
Omstandigheid (vii):het ligt het meest in de rede schade die het gevolg is van door onvoorzichtigheid ontstane brand, te doen vergoeden door (de verzekeraar van de) aansprakelijke partij en niet grotendeels voor rekening te laten van de benadeelde partij.
Met betrekking tot deze omstandigheden wordt geklaagd dat die niet door IFF c.s. aan haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag zijn gelegd, zodat het hof deze omstandigheden niet mede aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen (art. 24 Rv Pro).
subonderdelen 3.7 en 3.8falen.
Slotsom