Conclusie
1.Athenian Breweries S.A.,
Heineken N.V.,
ABen
Heinekenen samen als
Heineken c.s.. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als
MTB.
1.Inleiding
Brussel I-bis, bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB. De rechtbank oordeelde van niet en heeft zich in zoverre onbevoegd verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de rechtbank op grond van art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis wél bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB, omdat tussen die vorderingen en de vorderingen van MTB tegen Heineken een nauwe samenhang bestaat. Ik meen dat dit oordeel juist is.
HvJEUof
Hof), waarin is uitgemaakt dat het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip niet alleen van toepassing is op de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht door mededingingsautoriteiten, maar ook op de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de burgerlijke rechter door partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht. [2]
de Commissie) een kartel tussen ondernemingen uit verschillende landen heeft vastgesteld (zogenoemde
follow on-acties). De aangezochte rechter kan, als er verschillende gedaagden zijn waarvan er ten minste één in Nederland is gevestigd, ten aanzien van elk van de gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis (en aan het equivalent daarvan, art. 7 lid 1 Rv Pro, voor zover gedaagden woonplaats hebben buiten de Europese Unie).
follow on-acties bij Nederlandse gerechten:
follow on-acties.
2.Feiten
operating companydeel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan 70 landen.
Hellenic Competition Commission(hierna:
HCC), ambtshalve een onderzoek gestart naar het algemene handelsbeleid van AB. De HCC heeft bij beschikking van 19 september 2014 geoordeeld dat AB een economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft en die positie heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014, door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, welk gedrag is aan te merken als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU Pro en het nationale equivalent daarvan, art. 2 van Pro de Griekse Mededingingswet (in het Engels afgekort als
GCA).
Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company
3.Procesverloop
de rechtbank) gevorderd om voor recht te verklaren dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een inbreuk op art. 102 VWEU Pro dan wel art. 2 GCA Pro op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014. MTB heeft tevens de volledige vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van die inbreuk(en) gevorderd. Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit de HCC-beschikking blijkt dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie op de Griekse biermarkt(en) door concurrenten uit te sluiten van die markt (onder andere door afneempunten exclusief aan zich te binden). Volgens MTB vormen Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU Pro vanwege de beslissende invloed die Heineken op AB uitoefent, zodat ook Heineken onrechtmatig heeft gehandeld en samen met AB hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die MTB ten gevolge van deze schending van het mededingingsrecht heeft geleden.
primair, dat de rechtbank i) zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB en ii) de vorderingen tegen Heineken afwijst, dan wel,
subsidiair, de hoofdzaak aanhoudt totdat de HCC-beschikking onherroepelijk is geworden of nietig is verklaard, dan wel,
meer subsidiair, een afwijkende procesorde bepaalt waarbij eerst een conclusiewisseling en een beoordeling van het door Heineken c.s. te voeren verjaringsverweer zal plaatsvinden. Heineken c.s. leggen aan hun primaire incidentele vordering ten grondslag dat Heineken en AB zich feitelijk en rechtens in een verschillende situatie bevinden en het voor AB in het geheel niet voorzienbaar was dat MTB haar zou oproepen voor de rechtbank Amsterdam. Daar komt bij dat de constructie van een niet-bestaande vordering tegen Heineken misbruik van (proces)bevoegdheid oplevert, omdat de vordering enkel is ingesteld om een forum te creëren. MTB heeft in het incident gemotiveerd verweer gevoerd.
het hof). Heineken heeft voeging aan de zijde van AB gevorderd. Bij tussenarrest van 25 juni 2019 heeft het hof voeging toegestaan. Heineken c.s. hebben vervolgens gemotiveerd verweer gevoerd.
nietschuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie, zodat toewijzing van de vordering niet op voorhand redelijkerwijs reeds uitgesloten moet worden geacht (rov. 3.8-3.9).
4.Juridisch kader
forum rei). Slechts in afwijking van deze algemene regel voorziet de verordening in limitatief opgesomde gevallen in een bijzondere of exclusieve bevoegdheid waardoor de verweerder kan, of naar gelang het geval moet, worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat. [7]
de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder.
De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt.(…).
alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vorderingof
de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.(…).”
forum connexitatis). Doel van deze bijzondere bevoegdheid is niet de band tussen het gerecht en de vordering, maar de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken (vgl. overweging (16), geciteerd in 4.4). Samenhang tussen vorderingen houdt in dat er gevaar voor ‘onverenigbare beslissingen’ bestaat wanneer die vorderingen afzonderlijk worden berecht. Het begrip ‘onverenigbare beslissingen’ moet ruim worden uitgelegd als ‘tegenstrijdige beslissingen’, waarbij de tegenstrijdigheid zich moet voordoen in ‘een zelfde situatie, feitelijk en rechtens’. [10]
Freeport/Anderssonde eis dat sprake moet zijn van een zelfde juridische situatie in zoverre genuanceerd dat aan die eis ook kan zijn voldaan als vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben. [11] In het arrest
Painervoegde het Hof daar aan toe – mogelijk als tegenwicht voor de verruiming tot vorderingen met verschillende rechtsgrondslagen – dat voor verweerders voorzienbaar moest zijn dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste een van hen woonplaats heeft. [12]
’, maar hij hoeft daarbij niet over te gaan tot een bewijsprocedure. [14] De bevoegdheid mag dus niet worden bepaald op basis van enkel de door eiser gekozen grondslag en de door hem aangevoerde feiten. [15]
SEN/AGCMin een geschil tussen een Italiaanse onderneming en de Italiaanse mededingingsautoriteit. Het Hof oordeelde
Skanskavan 14 maart 2019 heeft het Hof echter uitgemaakt dat
het Unierechtbepaalt welke entiteit gehouden is tot vergoeding van de door een inbreuk op art. 101 VWEU Pro veroorzaakte schade. [22] Het (autonome) ondernemingsbegrip dat wordt toegepast bij publiekrechtelijke handhaving wordt aldus doorgetrokken naar de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de civiele rechter. [23]
Skanska-zaak is tamelijk specifiek. Drie deelnemers aan een asfaltkartel in Finland zijn nadien door andere partijen uit de branche overgenomen en vervolgens geliquideerd. De Finse mededingingsautoriteit heeft de verkrijgende vennootschappen een boete opgelegd. Daarbij was de in het Europese mededingingsrecht gebruikelijke figuur van de ‘economische continuïteit’ toegepast: als de activiteiten van een vennootschap die een kartelinbreuk heeft begaan nadien door een andere partij zijn voortgezet en de karteldeelnemer vervolgens is ontbonden, is de aansprakelijkheid voor de kartelinbreuk overgegaan op de verkrijger. Deze rechtsfiguur stond haaks op een beginsel van Fins vermogensrecht dat aansprakelijkheid voor schade uitsluitend kan rusten op de juridische entiteit die de schade heeft veroorzaakt. De Finse rechter die moest oordelen over een schadevergoedingsactie tegen de verkrijgende vennootschappen worstelde met de combinatie van genoemd vermogensrechtelijk beginsel en de omstandigheid dat de feitelijke inbreukmakers niet meer bestonden waardoor de benadeelde partij (een gemeente) achter het net dreigde te vissen.
Skanska-arrest hebben Nederlandse gerechten inmiddels enkele malen ‘opwaartse aansprakelijkheid’ van een moedermaatschappij aangenomen voor inbreukmakend gedrag van een dochtermaatschappij. [24] Daarnaast is in ten minste één zaak ‘neerwaartse aansprakelijkheid’ van een dochtermaatschappij voor gedragingen van de moedermaatschappij aangenomen. [25] Dat was nog vóór het arrest van 6 oktober 2021 in de zaak
Sumal, welke zaak betrekking heeft op neerwaartse aansprakelijkheid.
Sumal [26] verduidelijkte het Hof in de eerste plaats dat ook buiten de nogal specifieke context van de
Skanska-zaak (waar een risico van omzeiling aan de orde was) op grond van het Unierecht moet worden bepaald welke partijen aansprakelijk gehouden kunnen worden voor schade die het gevolg is van een inbreuk op de mededingingsregels. Het Hof verduidelijkte in de tweede plaats aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor het aannemen van neerwaartse aansprakelijkheid van een dochtermaatschappij: (a) de dochter- en de moedermaatschappij vormden gedurende de periode van de inbreuk een economische eenheid en (b) ten tijde van de inbreuk bestond er een ‘concreet verband’ [27] tussen de activiteit van de dochtermaatschappij en het voorwerp van de inbreuk. [28]
Sumalverdedigen, erkennen alleen een exceptie voor conglomeraten. Als een concern bijvoorbeeld actief is in de sectoren chemie en farmacie en de topholding is beboet voor deelname aan een chemiekartel, kunnen de dochtervennootschappen van de farmacietak niet aansprakelijk gesteld worden (vgl. punt 47 van het arrest), maar alle vennootschappen van de chemietak wel, ook dochter-, zuster- en andere vennootschappen die geen enkele betrokkenheid bij het kartel of zelfs maar het kartelproduct hebben gehad. Ik geef een fictief voorbeeld: als een Zweedse moeder is beboet voor deelname van een Duitse dochter aan een kartel op de markt van Roemenië en Bulgarije, dan kan in Nederland een schadevergoedingsactie worden ingesteld indien hier te lande een zustervennootschap van de Duitse dochter is gevestigd, zelfs als die Nederlandse vennootschap zich uitsluitend bezig houdt met andere chemische producten dan waar de inbreuk op ziet.
follow-onacties en waarbij het ging om vorderingen tegen dochtermaatschappijen en/of hun holdingmaatschappij die door de Commissie als karteldeelnemer waren geïdentificeerd.
CDC/Akzouit 2015. Het Hof aanvaardde in die zaak de rechtsmacht van Landgericht Dortmund, omdat een van de verweerders daar haar zetel had. Het oordeelde dat in het betreffende geval was voldaan aan de voorwaarde van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. De ingestelde vorderingen waren gebaseerd op één enkele voortdurende inbreuk op het Europese mededingingsrecht. Het Hof oordeelde verder dat deelnemers aan een kartel er rekening mee moeten houden dat zij kunnen worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin één van hen zijn vestigingsplaats heeft, wanneer de Commissie een bindende beslissing heeft gegeven waarin een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie is vastgesteld. [30]
follow-onactie van nutsbedrijven uit het Midden-Oosten tegen rechtspersonen van ondernemingen die hebben deelgenomen aan het door de Commissie beboete stroomkabelkartel. Tot de gedagvaarde rechtspersonen behoorde enkele in Nederland gevestigde rechtspersonen die kennelijk behoren tot de onderneming van enkele inbreukmakers. De vraag of zij gelet op deze Nederlandse ankergedaagden rechtsmacht had ten aanzien van de verschillende buitenlandse gedaagden beantwoordde de rechtbank ontkennend. Het feit dat de Nederlandse ankergedaagden, die in het besluit van de Commissie niet waren genoemd als deelnemer aan het kartel, deel uitmaken van ondernemingen waarvan wél is vastgesteld dat zij daaraan hebben deelgenomen, was volgens de rechtbank onvoldoende om een ‘nauwe band’ tussen de vorderingen te kunnen aannemen. [34]
Skanskaen
Sumal, die niet gingen over een bevoegdheidskwestie, toch van invloed zijn op de uitleg en toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels, in het bijzonder art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis. Hierover is al het nodige geschreven in de vakliteratuur. Ik geef daarvan hieronder een – verre van uitputtend – overzicht (onderstrepingen zijn steeds door mij toegevoegd). [35]
Skanska, voor
Sumal):
Ongetwijfeld zullen eisers bij toekomstige zaken op zoek gaan naar groepsvennootschappen van de inbreukmakende onderneming die zijn gevestigd in een ‘gunstige’ jurisdictie, om daarmee een forum te creëren waarin alle overige karteldeelnemers kunnen worden gedagvaard. Naar onze mening kan een eiser evenwel niet naar believen elke entiteit binnen een onderneming als ankergedaagde betrekken, simpelweg omdat de Commissie ook niet iedere groepsvennootschap kan beboeten voor het gedrag van één rechtspersoon binnen de onderneming.Dochter- en zustervennootschappen van de vennootschap die de concurrentiebeperkende gedragingen heeft verricht, zijn niet (boete)aansprakelijk, uitzonderingen daargelaten. Dit laat uiteraard onverlet dat sinds de Skanska-zaak er allicht wel meer ruimte zal worden gezocht voor cherry-picking uit moedervennootschappen die beslissende invloed hebben uitgeoefend op de inbreukmakende dochtervennootschap. (…)” [36]
Skanska-arrest in vergelijkbare zin heb uitgelaten als weergegeven in de onderstreepte passage: de Commissie doet zelf niet aan ‘toerekening naar beneden’ en al helemaal niet aan ‘zijwaartse toerekening’ aan zustervennootschappen. Gelet op de nagestreefde parallellie met publieke handhaving zou private handhaving ook niet zo ver moeten gaan, of daar zouden bijzondere redenen voor moeten zijn. [37]
Skanskaen voor
Sumal)) dat nog geen duidelijkheid bestaat over de doorwerking van het
Skanska-arrest in de bepaling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Brussel Pro I bis. [38] Van Dijken is van mening dat:
Skanska Industrial Solutions geen directe doorwerking heeft in artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I-bis, om ten minste drie (samenhangende) redenen: (i) het maakt een te vergaande inbreuk op het beginsel van oproeping voor het forum rei (….), (ii) het leidt tot onvoorzienbaarheid in de aanneming van rechtsmacht (…), en (iii) het [zou] ongerijmd zijn met artikel 6 lid 3 onder Pro b Rome II (..).”
Sumal-arrest. Ik begin met een artikel van Cornelissen c.s. van zeer kort daarna. De auteurs benadrukken de beperkende voorwaarden die het Hof volgens hen heeft gesteld aan ‘toerekening naar beneden’: [39]
Sumal-arrest van het HvJ EU leidt er in ieder geval toe dat de meest ruime uitleg van het 'ondernemingsbegrip' en het toerekeningsvraagstuk op grond waarvan elke entiteit binnen een vennootschapsrechtelijk concern aansprakelijk gehouden kan worden – (…) – definitief van tafel is. Deze uitleg is onverenigbaar met het functionele karakter van het 'ondernemingsbegrip' en het voor toerekening 'naar beneden' vereiste concreet verband.
Hiermee wordt ook de mogelijkheid van 'forum shopping' door claimende partijen beperkt tot die jurisdicties waarin concreet inbreukmakend gedrag heeft plaatsgevonden. Jurisdictie trachten te creëren in vestigingslanden van concernentiteiten waarvan de activiteiten niet in concreet verband staan met de inbreuk behoort dan niet meer tot de mogelijkheden.”
Als bewezen kan worden dat er een verband bestaat tussen de economische activiteit van de groepsvennootschap en het voorwerp van de inbreuk, zal die groepsvennootschap aansprakelijk zijn. Dat creëert rechtsmacht in de lidstaat van de verweerder. Dit is een logisch gevolg van de toepassing van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip.
Niettemin bestaat in het Europese internationaal bevoegdheidsrecht de wens om de bevoegdheid enigszins te beperken tot die jurisdicties waarmee een concrete band bestaat, om een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting mogelijk te maken(vgl. Asser/Vonken 10-I 2018/3). Mogelijk zorgt de mogelijkheid tot forum shopping voor een verhoging van de druk op de rechtspraak in populaire jurisdicties (bijv. Nederland). De confrontatie van deze belangen leidt ongetwijfeld op korte termijn tot nieuwe discussie bij het Hof van Justitie.”
Aangezien de Europese Commissie in inbreukbeschikkingen vrijwel steeds één voortdurende inbreuk vaststelt, zal in de meeste kartelschadezaken zijn voldaan aan het vereiste voor toepassing van artikel 8 lid 1 EEX Pro-Vo. Dat geeft op zichzelf al ruime mogelijkheden voor forum shopping. De Sumal-doctrine vergroot die evenwel aanzienlijk.
Een eiserhoeft zich nu immers niet beperkt te weten tot de gerechten van de vestigingsplaatsen van de geadresseerde inbreukmakers. Hij
kan ook een procedure beginnenvoor de gerechten in bijvoorbeeld Boekarest met als ankergedaagde de aldaar gevestigde dochtermaatschappij die 1% van de concernverkopen vertegenwoordigt in het product dat voorwerp is van de inbreuk.”
Sumalen heeft kritiek op het in 4.26 genoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam in de zaak stroomkabels: [42]
Het enige en doorslaggevende criterium voor aansprakelijkheid is of [de moeder- en dochtermaatschappij] behoren tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd. Voor zover hierover al onduidelijkheid zou hebben bestaan, dan is die met het arrest Sumal definitief weggenomen.
In dat geval behoren de Nederlandse entiteiten immers niet ipso facto tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd en zal toerekening enkel mogelijk zijn indien er sprake is van een specifieke band als bedoeld in Sumal(ervan uitgaande dat de Nederlandse entiteiten onder de beslissende invloed staan van de (beboete) moedermaatschappijen). Dat hoeft (ook volgens het gerechtshof Amsterdam) ook helemaal niet vast te staan in het bevoegdheidsincident.”
Sumal, om daaruit af te leiden dat iedere groepsvennootschap binnen de economische eenheid die de inbreukmakende onderneming vormt, civielrechtelijk aansprakelijk is en daarom in aansprakelijkheidszaken als ankergedaagde kan fungeren. Althans geldt dit voor vennootschappen die hetzelfde product verkopen: [43]
Sumaljudgment, and this likely also applies to the sale of products downstream or upstream of the cartelized product. However, the assessment becomes less clear when it concerns the provision of administrative services for group companies or the sale of complementary products.”
Sumal-arrest.
caveatkeer ik terug naar de onderhavige zaak.
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1vecht het oordeel aan dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en Heineken een voldoende nauwe band bestaat.
Onderdeel 2acht het onjuist dan wel onbegrijpelijk dat MTB volgens het hof geen misbruik van procesrecht maakt.
Onderdeel 3bestrijdt het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij door MTB voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd.
rov. 3.5als uitgangspunt neemt dat de Nederlandse rechter pas toekomt aan een beoordeling van de vordering jegens Heineken als aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, zodat de rechter een oordeel over het handelen van AB moet geven. In de bedoelde passage overweegt het hof:
aansprakelijk kan zijnvoor de gestelde schade indien is vastgesteld dat AB
aansprakelijk is. Het omgekeerde, dat AB niet aansprakelijk wordt gehouden maar Heineken wel, is niet goed voorstelbaar. De klacht faalt derhalve. De voortbouwende klachten tegen rov. 3.3.3, 3.6, 3.7 en 3.13 [45] kunnen om dezelfde reden niet slagen.
Kolassa-arrest op zijn minst (kenbaar) inhoudelijk diende in te gaan op de betwisting van Heineken c.s. dat sprake is van één onderneming en ook op de stelling van Heineken dat het behoren tot één onderneming niet voldoende is voor aansprakelijkstelling omdat het
Skanska-arrest alleen ziet op de situatie van economische opvolging, althans had het hof (kenbaar) moeten nagaan of MTB op die punten aan haar stelplicht heeft voldaan. Volgens het subonderdeel impliceert de opvatting van het hof dat een in een bepaalde staat gevestigde dochteronderneming die wordt beschuldigd van misbruik van machtspositie op de markt van die staat, steeds voor de rechter kan worden gedaagd van de staat waarin haar moedervennootschap/topholding is gevestigd, op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedervennootschap beide deel uitmaken van één onderneming. Deze opvatting is niet alleen in strijd met de op de rechter rustende verplichting uit het
Kolassa-arrest, maar holt ook de toets van art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis uit terwijl deze bepaling als bijzondere bevoegdheidsgrond eng moet worden uitgelegd.
Kolossa-arrest van het HvJEU dat de rechter bij de beoordeling van de bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking dient te nemen, waaronder de betwistingen van de verweerder. Deze verplichting gaat naar mijn mening echter niet zo ver dat de rechter pas zou kunnen beslissen op een bevoegdheidsverweer als hij voorshands heeft geoordeeld of aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan, of dat hij over zou moeten gaan tot een bewijsprocedure. [46] Subonderdeel 1.2 gaat dan ook uit van een te ruime uitleg van de genoemde verplichting uit het
Kolassa-arrest.
heeftbetrokken in zijn beoordeling. In
rov. 3.5overweegt het hof dat in geschil is of ‘Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU Pro vormen.’ Het hof vervolgt dat het belang van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken voor de bevoegdheidsvraag beperkt is. Het hof doelt hierbij mijns inziens op de feitelijke dan wel juridische positie in de context van de inhoudelijke aansprakelijkheidskwestie. In rov. 3.7 oordeelt het hof in dezelfde zin immers dat ‘de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak, zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, is om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is.’
rov. 3.9van het bestreden arrest, dat als volgt luidt (ik citeer ook rov. 3.8):
valt uit te sluitendat AB en Heineken in mededingingsrechtelijk opzicht als één onderneming moeten worden aangemerkt (in cassatie onbestreden), (ii) dat in de beschikking van de HCC niet valt te lezen dat de HCC meent dat Heineken zich
nietschuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie (welk oordeel met subonderdeel 2.2 wordt aangevochten) en (iii) dat MTB van de Nederlandse rechter een oordeel verwacht over het gedrag van Heineken om te komen tot een schadevergoeding die (ook) door Heineken verschuldigd is. In het licht van deze overwegingen, en in combinatie met de overwegingen in rov. 3.5-3.7 dat tussen de vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis bestaat, is niet onbegrijpelijk wat het hof bedoelt met de ‘positie’ van MTB.
rov. 3.9(hiervoor geciteerd) een verkeerde uitleg van de HCC-beschikking ten grondslag heeft gelegd. Het subonderdeel betoogt dat de beschikking voor de Griekse civiele rechter negatief bindende werking zou hebben gehad (omdat deze op grond van art. 9 Richtlijn Pro 2014/104/EU [50] gebonden is aan de vaststelling van de Griekse mededingingsautoriteit dat Heineken geen overtreder is van het Griekse mededingingsrecht), dat MTB dit – voor Heineken gunstige – effect probeert te ontwijken door zich tot de Nederlandse rechter te wenden, wat volgens haar misbruik van procesrecht oplevert.
parental liability.
(…) there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements’. De voetnoot ziet dan ook niet op het zinsdeel van rov. 89 dat volgt, te weten ‘
or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary’, waarin het criterium van de beslissende invloed en het daarbij geldende ‘Akzo-vermoeden’ centraal staat.
rov. 3.11van het bestreden arrest, waarin het hof beoordeelt of het voor AB voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd. De rechtsoverweging luidt als volgt.
subonderdeel 3.2is het hof met dit oordeel buiten de door art. 24 Rv Pro. gestelde grenzen van de rechtsstrijd getreden en/of heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. MTB heeft gesteld dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan vanwege de beslissende invloed die Heineken als (over)grootmoedervennootschap op AB zou hebben, maar het hof heeft zich nu juist niet uitgesproken over die invloed en ook niet of Heineken en AB één onderneming vormen.
6.Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel
Onderdelen 2 en 5zijn
voorwaardelijkaangevoerd. Ik zal de klachten in volgorde bespreken.
rov. 3.7onjuist, voor zover het hof daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het ondernemingsbegrip uit art. 102 VWEU Pro enkel bij economische opvolging in de context van het opleggen van geldboeten door de Commissie geen andere betekenis heeft dan in de context van een schadevergoedingsactie wegens schending van het Europees mededingingsrecht. Daarmee heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven van het
Skanska-arrest.
rov. 3.11heeft miskend dat de eis van voorzienbaarheid op grond van art. 8 lid 1 Brussel Pro I-bis slechts geldt als de vordering(en) op de verschillende verweerders een verschillende rechtsgrondslag hebben. Ik wijs erop dat de juistheid van die opvatting weliswaar niet vaststaat, [52] maar dat zij zonder meer verdedigbaar is (zie hiervoor 4.9, en noot 12). Wat daar ook van zij, MTB heeft geen belang bij deze klacht nu zij op dit punt in het gelijk is gesteld. Het hof heeft in rov. 3.11 immers geoordeeld dat voor AB in redelijkheid was te voorzien dat het haar gemaakte verwijt ook wordt gericht aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap.
rov. 3.1.2dat de door MTB als producties 24 en 25 overlegde opinies van prof. Whish (van 6 februari 2020) respectievelijk van prof. Athanassiou en prof. Liappis (van 20 maart 2020) buiten beschouwing dienen te blijven omdat MTB in de eerste termijn van haar schriftelijke pleidooi op 14 juli 2020 deze producties en het belang daarvan niet nader heeft toegelicht, hetgeen niet strookt met de eisen van een goede procesorde. Het onderdeel voert aan dat het overleggen van producties bij de eerste termijn van een schriftelijk pleidooi als uitgangspunt tijdig is, tenzij bijzondere omstandigheden maken dat overlegging op dat moment in strijd is met de goede procesorde. Mocht het oordeel van het hof echter juist zijn, dan is het onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar is nagegaan of de aard en de omvang van de opinies een beletsel zou vormen om binnen de beschikbare tijd van 14 dagen daarvan voldoende kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en of dit een voldoende bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van de hoofdregel. MTB voert verder aan dat haar aan het schriftelijke pleidooi voorafgaande processtukken dateren van vóór het
Skanska-arrest en zij nog niet op dat arrest had kunnen ingaan, terwijl AB die gelegenheid wél heeft gehad bij haar memorie van antwoord van 6 augustus 2019. Bovendien zien de producties op de uitleg van een rechterlijk oordeel en niet op feitelijke kwesties. Tot slot wijst MTB erop dat er voor het indienen van producties voorafgaand aan een mondeling pleidooi volgens art. 4.5 Procesreglement voor de Hoven 2019 jo. art. 87 lid 6 Rv Pro een termijn van 10 dagen geldt, terwijl Heineken c.s. hier 14 dagen hadden om te reageren.
rov. 3.9voor het aannemen van misbruik van art. 8 lid 1 Brussel Pro I bis heeft miskend dat daarvan slechts sprake kan zijn als het instellen van een vordering voor de Nederlandse rechter gelet op de
evidenteongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoorde te kennen of stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Het oordeel is volgens het onderdeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat daaruit niet blijkt dat het hof aan deze criteria heeft getoetst.
rov. 3.9van de HCC-beschikking geeft. MTB acht de uitleg dat de HCC enkel heeft afgezien van een onderzoek naar de vraag of Heineken schuld heeft aan misbruik van machtspositie in Griekenland onbegrijpelijk. Volgens haar heeft de HCC afgezien van een onderzoek naar de feitelijke handelingen van Heineken en in dat licht is niet navolgbaar dat en waarom de HCC zich zou hebben uitgelaten over het ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot de schuld van Heineken.