ECLI:NL:PHR:2022:636

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
21/04466
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:74 WftArt. 5 UitleveringswetArt. 18 UitleveringswetArt. 26 UitleveringswetArt. 28 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over uitlevering aan Bermuda en toepassing Uitleveringsverdrag NL-VK 1898

De zaak betreft het cassatieberoep tegen de toelaatbaarheid van uitlevering van een persoon aan Bermuda op grond van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk uit 1898. De verdediging betwistte de toepasselijkheid van het verdrag op Bermuda, de genoegzaamheid van de stukken, het bewijsminimum en de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht.

De conclusie van de procureur-generaal bevestigt dat Bermuda nog steeds als een kolonie of overzeese bezitting van het Verenigd Koninkrijk moet worden beschouwd in het kader van het verdrag. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat het verdrag van toepassing is en dat het uitleveringsverzoek voldoet aan de formele eisen, waaronder de voldoende duidelijke omschrijving van de feiten en de juiste waarmerking van de bewijsstukken.

Met betrekking tot het bewijsminimum oordeelt de conclusie dat het bijgevoegde bewijsmateriaal een redelijk vermoeden van schuld oplevert dat aan de Nederlandse maatstaf voldoet. De klacht dat witwassen niet strafbaar zou zijn volgens het verdrag faalt, omdat de uitlevering ook kan worden toegestaan voor andere misdrijven mits voldaan aan de voorwaarden van het verdrag en de Nederlandse uitleveringswet. De strafbaarheid van het witwassen en het verstrekken van misleidende informatie aan de Bermuda Monetary Authority wordt bevestigd.

De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak om art. 225 Sr Pro als toepasselijke wetsbepaling te vermelden en tot verwerping van de overige klachten.

Uitkomst: Conclusie AG adviseert gedeeltelijke vernietiging voor het vermelden van art. 225 Sr en verwerping van overige klachten, bevestigend dat uitlevering toelaatbaar is.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04466 U

Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de opgeëiste persoon.

Inleiding

1. Bij beslissing van 12 oktober 2021 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bermuda Eilanden (hierna: Bermuda) toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde verzoek”, waarmee is bedoeld “het uitleveringsverzoek van 4 maart 2021”. [1] Aan de uitspraak is een gewaarmerkte fotokopie van een gedeelte van dit verzoek gehecht, waarop door middel van haken de feiten zijn gemarkeerd waarvoor de uitlevering wordt gevraagd (en toelaatbaar wordt geacht).
2. Namens de opgeëiste persoon hebben G.A. Jansen en Th. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur van 3 april 2022 zeven middelen van cassatie voorgesteld. Op 9 mei 2022 is een eerste aanvulling op deze schriftuur ingediend, nadat inzage was verleend in opgevraagde stukken die niet in het webportaal geplaatst konden worden en de behandeling van de zaak in cassatie tot 10 mei 2022 was aangehouden. In deze aanvullende schriftuur is het eerder ingediende tweede middel ten dele aangevuld en ten dele ingetrokken, en is de toelichting op het derde middel aangevuld. Vervolgens is op 8 juni 2022, dus ná 10 mei 2022, de dienende dag bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 31, vierde lid, Uitleveringswet (hierna: UW), een tweede aanvulling op de schriftuur ingediend. In deze schriftuur wordt het vierde middel nader toegelicht. Ik laat deze nadere toelichting verder buiten bespreking nu de Hoge Raad daarop geen acht kan slaan. Een schriftelijke toelichting op de reeds ingediende cassatiemiddelen diende uiterlijk ter rolzitting van 10 mei 2022 te zijn overgelegd dan wel tot aan de dag voor die rolzitting te zijn ingediend. [2]
3. Voor een goed begrip van de zaak en de feiten waarvoor de uitlevering is toelaatbaar verklaard, wijk ik iets af van de volgorde waarin de middelen zijn gepresenteerd. Nadat in het eerste middel de vraag is beantwoord of het door de rechtbank toegepaste verdrag van toepassing is op het uitleveringsverzoek, bespreek ik het zevende middel dat betrekking heeft op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Daarna volg ik de volgorde van de schriftuur.

Het eerste middel: de toepasselijkheid van het Uitleveringsverdrag NL-VK

4. Het eerste middel komt er kort gezegd op neer dat het in 1898 tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers (hierna: Uitleveringsverdrag NL-VK) in deze zaak niet van toepassing is. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uitleveringsverdrag NL-VK de vereiste verdragsbasis biedt voor uitlevering omdat Bermuda geen kolonie of bezitting is van het Verenigd Koninkrijk. De tweede klacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht en vastgesteld of is voldaan aan de in het art. XVIII Uitleveringsverdrag NL-VK gestelde eis dat de verdragsbepalingen slechts van toepassing zijn “op de ‘koloniën’ en ‘overzeesche bezittingen’ van het Verenigd Koninkrijk ‘voor zoover zij vereenigbaar zijn met de wetten in die koloniën of bezittingen van kracht’”.
5. Voordat ik het middel bespreek, merk ik op dat ter zitting van de rechtbank niet is aangevoerd dat niet is voldaan aan de in art. 2 UW Pro en art. 5, eerste lid, Grondwet gestelde eis dat uitlevering alleen plaatsvindt op basis van een verdrag. Integendeel. In de ter zitting overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon het verdrag als basis voor deze uitlevering genoemd en aangegeven dat “dit oude verdrag van stal gehaald” moest worden omdat “Bermuda is uitgesloten in alle Brexit onderhandelingen”. Toen het Verenigd Koninkrijk nog deel uitmaakte van de EU, behoorde Bermuda overigens tot de zogenoemde niet-Europese landen en gebieden welke bijzondere betrekkingen onderhouden met het Verenigd Koninkrijk. [3] Ook toen was de overleveringsprocedure dus niet van toepassing op Bermuda wat betekent dat het Uitleveringsverdrag NL-VK al die tijd van toepassing is gebleven.
6. Art. XVIII, eerste lid, Uitleveringsverdrag NL-VK houdt het volgende in:
“De bepalingen van het tegenwoordige verdrag zullen van toepassing zijn op de koloniën en overzeesche bezittingen der beide Hooge Contracteerende Partijen, doch, daar zij gegrond zijn op de wetgeving van het moederland, zullen zij van weerszijden slechts worden nagekomen voor zoover zij vereenigbaar zijn met de wetten in die koloniën of bezittingen van kracht.” [4]
7. De stellers van het middel brengen naar voren dat de opgeëiste persoon zich op het standpunt stelt “dat, anno 2022, Bermuda geen ‘kolonie’ en ook geen ‘bezitting’ meer is van het Verenigd Koninkrijk”. Bovendien, zo brengen zij naar voren, zou de opgeëiste persoon “en naar hij aanneemt: de bevolking van Bermuda […] er met verbazing kennis van nemen als Nederland (en uw Raad) dat anders zouden zien.” Daarbij doen de stellers van het middel nog een beroep op onder meer “het dekolonisatieproces dat zich heeft voltrokken sinds 1898” en gevolgen die het aanmerken van Bermuda als een kolonie zou hebben “voor de landen en openbare lichamen binnen het Koninkrijk der Nederlanden” omdat in art. XVIII wordt gewezen op koloniën en overzeese gebieden “der beide” verdragspartijen.
8. Ik wijs allereerst op
Tractatenblad1967, 131, waarin op pagina 1 wordt vermeld dat het Uitleveringsverdrag NL-VK op 14 maart 1899 in werking is getreden onder de voorwaarden gesteld in artikel XVIII, eerste lid, voor de Britse koloniën en overzeese gebiedsdelen, waarbij uitdrukkelijk Bermuda wordt genoemd. [5] Daaruit volgt dat Bermuda in ieder geval in 1967 nog werd aangemerkt als “koloniën en overzeesche gebieden” waarnaar wordt verwezen in art. XVIII, eerste lid, Uitleveringsverdrag NL-VK. Ik wijs er verder op dat het uitleveringsverzoek afkomstig is van de Gouverneur van Bermuda die aan dat verzoek het verdrag ten grondslag heeft gelegd waarvan de stellers van het middel in cassatie betwisten dat het van toepassing is. Alleen al op basis van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat dit verdrag ten minste volgens de verzoekende Staat van toepassing is en dat Bermuda nog steeds moet worden aangemerkt als een van de “koloniën en overzeesche gebieden” van het Verenigd Koninkrijk.
9. De klacht dat het Verenigd Koninkrijk of Bermuda “nimmer een verklaring heeft afgelegd dat Bermuda moet worden beschouwd als een ‘kolonie’ of ‘bezitting’ in de zin van artikel XVIII van het Uitleveringsverdrag 1898” faalt. In art. XVIII, eerste alinea, van het betreffende verdrag kan ik niet als voorwaarde lezen dat een verklaring moet worden afgelegd voordat het verdrag kan worden toegepast op een kolonie of overzeese bezitting. De tekst van het voorschrift is declaratoir: de bepalingen van het verdrag “zullen van toepassing zijn op de koloniën en overzeesche bezittingen”. De toepassing van het verdrag op koloniën is voor Nederland en het Verenigd Koninkrijk een reden geweest om opnieuw een uitleveringsverdrag te sluiten, relatief snel nadat tussen hen op 19 juni 1874 het Verdrag tot weederkerige uitlevering van misdadigers, tot stand was gekomen. [6] Op de vraag of het verdrag uit 1874 “ook van toepassing is op personen, die in de Britsche koloniën verblijf houden” antwoordde de Minister van Buitenlandse Zaken: het “uitleveringsverdrag met Groot-Britannie is, evenmin als de andere door Nederland gesloten verdragen van gelijke strekking, op de kolonien toepasselijk”. [7] In het verslag van de commissie die was “belast met het onderzoek van het bovengenoemd verdrag” werd de “noodzakelijkheid” beaamd “nevens het met Engeland gesloten tractaat in het leven te roepen eene overeenkomst met dat Rijk omtrent de uitlevering van misdadigeers uit de weederzijdsche kolonien”, waarin het verdrag uit 1874 dus niet voorzag. [8] Het resultaat was het verdrag van 26 september 1898 waarvan de toepasselijkheid ondubbelzinnig naar voren kwam in
Staatsblad1899 nummer 15, waarin werd opgenomen: het besluit “van den 2den Januari 1899, bepalende de plaatsing in het Staatsblad van het te Londen op 26 september 1898 tusschen Nederland en Groot-Britannië gesloten verdrag tot uitlevering van misdadigers, ook van toepassing op de wederzijdsche Koloniën”.
10. Uit de inhoud van
Tractatenblad1967, 131 volgt dat Bermuda moet worden beschouwd als een kolonie of bezitting in de zin van art. XVIII van het verdrag.
11. De nota’s die Nederland met andere “koloniën en overzeesche bezittingen” van het Verenigd Koninkrijk heeft gewisseld, maken dit niet anders. Die notawisselingen hebben telkens betrekking op landen die sinds 1898 onafhankelijk zijn geworden, zoals India. In de betreffende notawisseling wordt naar het verdrag verwezen dat rechten en plichten creëerde voor India “at a time when it was a territory under the sovereign jurisdiction of the United Kingdom”. [9]
12. Dan de klacht dat de rechtbank ten onrechte niet zou hebben onderzocht en vastgesteld of is voldaan aan de in art. XVIII, eerste lid, van het Uitleveringsverdrag NL-VK genoemde voorwaarde dat de verdragsbepalingen slechts van toepassing zijn “voor zoover zij vereenigbaar zijn met de wetten in die koloniën of bezittingen van kracht”. De verplichting om het verdrag te goeder trouw ten uitvoer te leggen en het vertrouwensbeginsel, brengen mee dat Nederland als de om uitlevering verzochte Staat – en ook de uitleveringsrechter – er in beginsel van moet uitgaan dat het uitleveringsverzoek voldoet aan de daaraan in het verdrag gestelde voorwaarden, zoals de voorwaarde dat de verdragsbepalingen “vereenigbaar zijn met de wetten in die koloniën of bezittingen van kracht”. De raadsvrouw heeft ter zitting niets aangevoerd waaruit kan volgen dat de verdragsbepalingen niet verenigbaar zouden zijn met de wetten die in Bermuda van kracht zijn. [10] Verder wijs ik erop dat het uitleveringsverzoek is ondertekend door R. Lalgie, op briefpapier waarvan het briefhoofd vermeldt “GOVERNMENT HOUSE BERMUDA” met onder de daarop gedrukte naam van R. Lalgie de opdruk “Governor en Commander-in-Chief”. Het lijkt mij geen te wilde veronderstelling dat een uitleveringsverzoek dat is ondertekend door de gouverneur en opperbevelhebber van Bermuda, verenigbaar is met de wetten die daar van kracht zijn. Gelet op het voorgaande was de rechtbank niet gehouden ervan blijk te geven te hebben onderzocht of, en vastgesteld dat is voldaan aan de in art. XVIII, eerste lid, van het Uitleveringsverdrag NL-VK genoemde voorwaarde.
13. In voetnoot 7 van de schriftuur wordt opgemerkt dat zelfs als de Hoge Raad Bermuda zou kwalificeren als “kolonie” of “bezitting” van het Verenigd Koninkrijk, het uitleveringsverzoek gedaan had moeten worden door het “moederland” omdat het verdrag alleen voorziet in “rechtstreekse contacten” met een kolonie, zoals Bermuda, indien Bermuda de aangezochte partij is en niet, zoals in dit geval door de verzoekende partij. Dit miskent art. XVIII, vijfde lid, waarin is voorgeschreven dat de “aanvrage tot uitlevering” geschiedt “langs diplomatieken weg” zonder voor te schrijven dat het uitleveringsverzoek moet worden gedaan door het “moederland” al zal “Londen” wel de plaats zijn waarlangs die diplomatieke weg voert. Bovendien gaan de stellers van het middel voorbij aan de Note Verbale No. OTD/002/2021 van het
Foreign, Commonwealth and Development Officete Londen, die zich bij de stukken bevindt, waarmee het uitleveringsverzoek van de gouverneur en opperbevelhebber R. Lalgie, zijn weg heeft gevonden naar de Nederlandse ambassade te Londen en van daaruit verder de diplomatieke weg heeft afgelegd naar het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
14. Het middel faalt.

Het zevende middel: de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard

15. Het zevende middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte niet de deelnemingsbepalingen heeft vermeld onder de toepasselijke wetsartikelen. De tweede klacht houdt in dat de uitspraak niet voldoet “aan de eis dat zij een voldoende duidelijke vermelding dient te bevatten van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.” Ik begin met de tweede klacht omdat de feiten waarvoor de uitlevering naar het oordeel van de rechtbank kan worden toegestaan, van belang zijn voor de vraag of de deelnemingsbepalingen relevant zijn.
16. De tweede klacht heeft betrekking op art. 28, derde lid, UW, waarin is bepaald dat de rechtbank in geval van toelaatbaarverklaring van de uitlevering in haar uitspraak vermeldt “de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen, alsmede de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.” De stellers van de klacht voeren aan dat met het oog op het specialiteitsbeginsel “nauwkeurige vermelding” van de feiten vereist is “inclusief opgave van tijd en plaats”, en een “louter feitelijke omschrijving” van de feiten niet voldoende duidelijk is en dat tenminste “zal moeten blijken welke kwalificatie de omschreven feiten opleveren naar het recht van Bermuda”. Het gedeelte dat de rechtbank als bijlage bij de uitspraak heeft gevoegd, voldoet volgens de stellers van de klacht niet aan deze eisen, ten eerste niet omdat dit een gedeelte betreft van de “Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] ” die niet terugkomt in het dictum van de uitspraak en ten tweede niet omdat het een “louter feitelijke omschrijving” betreft zonder kwalificatie van de feiten naar het recht van Bermuda.
17. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde verzoek”. Wat met “het hiervoor genoemde verzoek” wordt bedoeld, blijkt uit het deel van de uitspraak waarin de rechtbank heeft aangegeven waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De uitspraak houdt onder het opschrift “Verzoek” het volgende in:
“De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten omschreven in het uitleveringsverzoek van 4 maart 2021. Van een gedeelte van dit verzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.”
18. Aan de uitspraak is een afschrift gehecht van een stuk van acht bladzijden, waarin in het door middel van haken aangeduide deel feiten worden omschreven. De bladzijden zijn een deel van de “Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] ”, die is overgelegd ter staving van het uitleveringsverzoek en die zich bij de stukken bevindt. De rechtbank heeft het uitleveringsverzoek klaarblijkelijk zo uitgelegd dat deze verklaring daarvan deel uitmaakt. De uitleg van het uitleveringsverzoek is aan de rechtbank en die uitleg is niet onbegrijpelijk. [11] De daarin uiteengezette feiten zijn de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. Met de verwijzing naar de aan de uitspraak gehechte uiteenzetting van feiten, heeft de rechtbank met voldoende duidelijkheid verwezen naar “enig stuk” en voldaan aan de eis in art. 28, derde lid, UW met betrekking tot de vermelding van de feiten. [12]
19. Voor zover de stellers van het middel klagen dat daarin een “opgave van tijd en plaats” ontbreekt, faalt die klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Vanwege de omvang zie ik er vanaf om hier de acht bladzijden met de uiteenzetting van de feiten integraal weer te geven. Ik beperk mij tot de volgende alinea’s omdat daarin de kern naar voren komt:

DE BESCHULDIGINGEN22 DAT vermeld wordt dat:
[I.]
[A] , voorheen [B] , is/was een in Bermuda opgericht bedrijf. Het is/was een Klasse C verzekeraar Bermuda Insurance Act 1978 en een gescheiden Accounts Company overeenkomstig sectie 6 van de gescheiden Accounts Companies Act 2000. Deze onderneming valt daarom onder het toezicht van de Bermuda Monetaire Autoriteit (BMA).
[II.] [A] bood beleggingsproducten, lijfrentes en levensverzekeringen aan voornamelijk cliënten uit Azië, terwijl de meerderheid van deze cliënten ervoor koos om kortlopende (3 tot 5 jaar) lijfrenteproducten te kopen. [A] is een volledige dochteronderneming van [C] en [opgeëiste persoon] is de uiteindelijk gerechtigde eigenaar van [C] . Daarom bezit [opgeëiste persoon] uiteindelijk [A] .
[…]
[IX.] In werkelijkheid is het merendeel van de verzekeringspremies via de [A] -rekeningen, via een rekening aangehouden bij Bank Julius Baer in Zwitserland, naar een gelieerde onderneming in het VK - [D] gevloeid. [D] bezit een substantieel eigendom - [D] , [a-straat] , [plaats] . [opgeëiste persoon] is ook de begunstigde eigenaar van [D] .
[…]
[XI.]
Het werd langzamerhand duidelijk voor de BMA dat [A] liquiditeitsproblemen had, omdat ze niet XI. over voldoende fondsen beschikten in “liquide activa” zoals contant geld en obligaties, om te dekken wat aan beleggers verschuldigd was. De BMA heeft geprobeerd deze kwestie in 2017 bij het bedrijf aan te pakken. Deze situatie verbeterde niet en [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] hebben uiteindelijk op 24 januari 2018 een bijeenkomst met de BMA bijgewoond.
[XII.]
Op deze bijeenkomst gaf [opgeëiste persoon] twee garanties:
a. Dat [A] een kredietfaciliteit zou verkrijgen die gelijk is aan de verplichtingen van de polishouder, verminderd met de liquide middelen die de onderneming in haar bezit heeft,
b Dat alle nieuwe activiteiten die door het bedrijf worden gegenereerd, in de vorm van de premies van beleggers zouden worden belegd, minus de operationele kosten van de onderneming, in bankdeposito's met een looptijd van een maand.
[XIII.] Deze verbintenissen werden bevestigd bij brief van 25 januari 2018 en ondertekend door [opgeëiste persoon] en [betrokkene 2] , de Insurance Manager, hoofdvertegenwoordiger (via de vennootschap [E] van [betrokkene 2] ) en een directeur van [A] .
[XIV.]
Op 6 april 2018 werden twee [A] lijfrenteproducten (elk $2,000,000) uitgegeven aan een [betrokkene 3] die in totaal 54,000,000 in [A] -producten had.
[…]
[XVI.]
De gegevens van de Julius Baer-rekening (0310.8812 2120.333.01) die door de BMA is verkregen, tonen een bedrag van $4.000,000 op deze rekening van [A] op 10 april 2018. Deze overdracht laat zien dat het geld van beleggers wordt overgedragen van [A] -rekeningen naar andere bedrijven die eigendom zijn van en gecontroleerd worden door [opgeëiste persoon] of [betrokkene 1] .
[XVII.]
Op 18 april 2018 schreef de BMA aan [A] om tussentijdse rekeningen aan te vragen. In antwoord op het BMA-verzoek stuurde een accountant bij [E] , [betrokkene 4] , op 15 mei 2018 een e-mailbericht, onder leiding van [opgeëiste persoon] . De documenten die aan deze e-mail zijn gehecht, bevatten een reeks tussentijdse [A] -rekeningen over de periode 3 1 december 2017 tot 31 maart 2018, die een aanzienlijke stijging van de ‘intercompany loans’ voor de periode vertoonden.
[…]
[XXIV.]
De BMA nam contact op met [A] en ontving op 27 juli 2018 een e-mail van [betrokkene 1] die beweerde aan te tonen dat de kredietlijn bestond.
[XXV.] Deze documentatie bestond uit:
a. Een kredietovereenkomst tussen [A] en Bank Julius Baer, Zwitserland
b. Een pandovereenkomst tussen [F] en Bank Julius Baer, Zwitserland
c. Een ondersteuningsovereenkomst tussen [F] en [A]
[XXVI.]
Het document onder a) was gedateerd 13 maart 2018 en ondertekend door [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] , namens [A] , maar niet ondertekend door iemand namens de Julius Baer Bank. Ontevreden over deze documentatie vroeg de BMA om aanvullend bewijs van de kredietlijn dat uiterlijk op 17 augustus 2018 zou moeten worden geleverd en op deze datum antwoordde [betrokkene 1] per e-mail, waaraan hij een brief van de Julius Baer Bank bij voegde. De e-mail beweerde dat de faciliteit aanwezig was, maar in het bijgevoegde document stond: ‘de lener moet een kredietlimiet aanvragen. Het ondertekenen van een kredietovereenkomst voorziet de lener met automatisch van een kredietlimiet’.
[XXVII.] Dit document geeft aan dat er op 13 maart 2018 geen kredietlimiet was ingesteld, zoals ten onrechte werd beweerd door [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] .
[…]
[XXXIII.]
Tussen 21 februari 2018 en 31 augustus 2018 werd $6.789,985.00 overgeboekt op rekeningen die door [A] bij HSBC Bank in Bermuda werden aangehouden, genummerd [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Dit geld werd vervolgens overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] . Een totaal van $5,420,343 werd vervolgens overgeboekt naar bedrijfsrekeningen gerelateerd aan [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] . als volgt:
[J] NV $86.252.30
[I] $784.091,23
[A] (Bank Julius Baer) $4,550,000.00
[XXXIV.]
In de periode van 3 april 2019 [ik lees verbeterd: 2018, DP] tot 30 juni 2018 werd een totaal van ten minste GBP 1,640,000 overgemaakt van de rekening van [A] bij Bank Julius Baer, rekeningnummer [rekeningnummer 4] , naar [D] , Londen.
[XXXV.]
[opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] , die beleggers hebben misleid om hun fondsen onder de hoede van [A] te plaatsen, hebben deze fondsen, niet op een ‘gescheiden rekening’ geplaatst of annuïteitbeleggingen gekocht, maar grote tranches geld overgedragen naar bedrijven die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door henzelf buiten de jurisdictie. Dit ging door, ondanks hel feit dat de BMA schriftelijk garanties had gegeven met betrekking tot die toekomstige acties van het bedrijf in januari 2018. Zij misleidden de BMA verder door misleidende documenten te verstrekken met betrekking tot het beslaan van een bestaande kredietlijn tussen Bank Julius Baer en [A] .
[…]
[XXIX.]
Op 14 november 2018 ontving de BMA een e-mail waarin werd opgemerkt dat [opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] ontslag hadden genomen als bestuurders en officieren van [A] .”
20. Hieruit volgen tijd en plaats van de feiten, te weten in de periode 24 januari 2018 tot en met 14 november 2018 te Bermuda.
21. Dan kom ik toe aan de eis dat tenminste “zal moeten blijken welke kwalificatie de omschreven feiten opleveren naar het recht van Bermuda”. In art. 28, derde lid, UW lees ik niet de eis dat de rechtbank de kwalificatie vermeldt van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, laat staan de kwalificatie naar het recht van de verzoekende Staat. [13] Met de in deze bepaling genoemde toepasselijke wetsbepalingen zijn “de bepalingen uit de Nederlandse wet” bedoeld, en dus niet de kwalificatie van de feiten. [14]
22. De tweede klacht faalt in alle onderdelen.
23. Met betrekking tot de eerste klacht merk ik op dat de uitleg van het uitleveringsverzoek en dus ook de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, is voorbehouden aan de rechtbank. [15] De rechtbank heeft de feiten kennelijk aldus uitgelegd dat de opgeëiste persoon daarbij als “dader” was betrokken en niet als deelnemer. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk gelet op de uiteenzetting van de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, de door de verzoekende Staat overgelegde toepasselijke strafbepalingen die geen betrekking hebben op deelneming, net zomin als de vijf aanklachten ter zake waarvan het openbaar ministerie te Bermuda de opgeëiste persoon wenst te vervolgen.
24. Ook de eerste klacht faalt.
25. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel: de genoegzaamheid van de stukken

26. Het tweede middel bevat drie klachten die betrekking hebben op tekortkomingen in de vermelding door de rechtbank van de stukken waarop zij acht heeft geslagen en het daarmee samenhangende oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn, zoals is bedoeld in art. 18 UW Pro en art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK.

Eerste klacht: de stukken waarop de rechtbank acht heeft geslagen

27. De stellers van het middel klagen ten eerste dat de rechtbank niet heeft “vermeld op welke van de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken het acht heeft geslagen” en ten tweede dat het oordeel van de rechtbank dat de “stukken voldoen aan de eisen van artikel XII van het verdrag en artikel 18 UW Pro” onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd.
28. De eerste (sub)klacht, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vermeld op “welke van de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken het acht heeft geslagen”, mist feitelijke grondslag gelet op wat de rechtbank in haar uitspraak onder het opschrift “Procedure” heeft weergegeven. Daarin is gewezen op een brief van de Minister van Justitie [ik vul aan: en Veiligheid] van 13 juli 2021 waarbij hij “het verzoek met de daarbij overgelegde stukken” in handen heeft gesteld van de hoofdofficier van justitie, zoals is voorgeschreven in art. 20, eerste lid, UW, waarna de officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen, zoals is voorgeschreven in art. 23, eerste lid, UW. De rechtbank heeft die vordering ter zitting van 28 september 2021 in behandeling genomen, zoals is voorgeschreven in art. 24 e.v. UW. Uit een en ander volgt dat de rechtbank acht heeft geslagen op “het verzoek met de daarbij overgelegde stukken”, wat betekent wat er staat, namelijk: “de daarbij overgelegde stukken”, dus alle daarbij overgelegde stukken.
29. De eerste subklacht faalt.
30. De tweede subklacht houdt in dat de rechtbank geen overzicht heeft gegeven van de stukken waarop het acht heeft geslagen, waardoor het oordeel dat de stukken genoegzaam zijn onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
31. Onder het opschrift “Genoegzaamheid van de stukken” houdt de uitspraak van de rechtbank het volgende in:
“Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel XII van het verdrag en artikel 18 Uw Pro.”
32. Daarmee heeft de rechtbank aangegeven dat is voldaan aan de in art. 18 UW Pro gestelde eisen voor wat betreft de genoegzaamheid van de stukken. Ter zitting is niet aangevoerd dat onduidelijk is op welke stukken de rechtbank acht slaat bij de behandeling van het uitleveringsverzoek. Hooguit is door de raadsvrouw aangevoerd dat de stukken ongenoegzaam zijn “omdat vooral over het witwassen de details onvoldoende uitgewerkt zijn.”, maar uit de uitspraak blijkt dat de rechtbank op basis van de overgelegde ‘uiteenzetting der feiten’ de strafbaarheid van het witwassen naar Nederlands recht heeft kunnen vaststellen. Het oordeel van de rechtbank is daarom niet ontoereikend gemotiveerd. Dit oordeel wordt niet onbegrijpelijk door de enkele omstandigheid dat de rechtbank in haar uitspraak de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken niet heeft opgesomd. Daaraan doet niet af dat in uitleveringszaken die opsomming doorgaans voor de inzichtelijkheid wel in de uitspraak wordt opgenomen.
33. De tweede subklacht faalt eveneens.
34. Tot slot wijs ik op de opmerking van de stellers van het middel “dat – zoals ook uit de navolgende middelen zal blijken – het Uitleveringsverdrag 1898 aanzienlijk hogere eisen stelt aan de te overleggen stukken, in het bijzonder ook het onderliggende bewijsmateriaal, dan de meeste moderne uitleveringsverdragen (zie hierover ook Middel III)”. Ik lees deze opmerking niet als afzonderlijke klacht dat bewijsstukken ontbreken en de stukken in zoverre ongenoegzaam zijn, te meer niet omdat daarover afzonderlijk wordt geklaagd in middel 3.
35. De eerste klacht faalt in alle onderdelen.
Tweede klacht: de stukken zijn ongenoegzaam ten aanzien van feit 1
36. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank, dat de stukken ten aanzien van feit 1 genoegzaam zijn en voldaan [is] aan de eisen van artikel XII Uitleveringsverdrag 1898 onbegrijpelijk [is] althans ontoereikend gemotiveerd”. De stellers van het middel wijzen daarbij onder meer op “anderen” die de opgeëiste persoon zouden hebben aangezet om geld te investeren bij [A] , anders dan de wel genoemde [betrokkene 5] . Met betrekking tot de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de “Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] ” onder nummer 23, voeren de stellers van het middel aan dat “op een niet ondergeschikt punt van de beschuldigingen – zo onduidelijk [is] wie wordt bedoeld met ‘ [betrokkene 5] en anderen’ dat de stukken ten aanzien van feit 1 niet genoegzaam zijn en niet voldoen aan de door art. XII Uitleveringsverdrag 1898 gestelde eisen”.
37. Voor de beoordeling van deze klacht is van belang dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor de strafvervolging wegens feiten die uiteen zijn gezet in een stuk dat ter staving van het uitleveringsverzoek is overgelegd met als onderwerp “First Affidavit of [betrokkene 6] ” onder nummer 22 met als opschrift “THE ALLEGATIONS”. In de Nederlandse vertaling zijn dit “Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] ” respectievelijk “DE BESCHULDIGINGEN”. Aan de uitspraak van de rechtbank is dit deel van de beëdigde verklaring gehecht en daarin uitgehaakt. Het gaat dus om de feiten uiteengezet onder nummer 22. De genoemde verklaring vermeldt onder nummer 23 en het opschrift “THE CHARGES” een vijftal aanklachten genummerd 1 tot en met 5. Feit 1 is in “DE AANKLACHT” als volgt omschreven:
“Feit 1:
Tussen de 2e dag van januari 2018 en de 14e dag van november 2018, op de eilanden van Bermuda, [betrokkene 5] en anderen ertoe heeft aangezet om geld te investeren op deposito bij [A] door oneerlijke verhulling van materiële feiten, namelijk dat [A] niet werd gerund als een gescheiden Accounts Company.
In strijd met artikel 404(a) van het Wetboek van Strafrecht”. [16]
38. De stellers van het middel voeren – kort gezegd – aan dat de stukken ongenoegzaam zijn voor wat betreft de persoon of de personen die de opgeëiste persoon heeft aangezet om geld te investeren voor zover die zijn aangeduid als “ [betrokkene 5] en anderen”. De uitlevering is echter niet toelaatbaar verklaard voor “DE AANKLACHT” die onder nummer 23 is opgenomen, maar voor “DE BESCHULDIGINGEN” zoals die onder nummer 22 uiteen zijn gezet. Zie daarover nader de bespreking van het zevende middel. In “DE BESCHULDIGINGEN” worden “ [betrokkene 5] en anderen” niet genoemd. De klacht dat uit de stukken niet kan blijken wie de “anderen” zijn, faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
39. Ik begrijp het misverstand omdat “DE AANKLACHT” onder 1 tot en met 5, zoals die is weergegeven in de beëdigde verklaring onder nummer 23, aansluit bij de inhoud van het aanhoudingsbevel dat ter staving van het uitleveringsverzoek is overgelegd en inhoudelijk overeenkomt met de vijf feiten zoals die zijn weergegeven in “FORM A INFORMATION FOR AN INDICTABLE OFFENCE” van 20 februari 2019, waarnaar in het uitleveringsverzoek wordt verwezen en dat als bijlage is gevoegd bij de beëdigde verklaring, terwijl de feiten ook nog eens inhoudelijk overeenkomen met het “overzicht van feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht”, zoals dat is opgenomen in de samenvatting van de officier van justitie als bedoeld in art. 26, tweede lid, UW. Maar, zoals gezegd, de rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard voor de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de beëdigde verklaring onder nummer 22.
40. De tweede klacht faalt.
Derde klacht: de overgelegde bewijsmiddelen en art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK
41. De derde klacht houdt in dat de overgelegde bewijsmiddelen niet voldoen aan het vereiste in art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK, omdat deze “niet zijn gewaarmerkt en ook de echtheid daarvan niet is verzekerd conform het bepaalde in voormeld verdragsartikel.” Bovendien bevinden zich bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden niet “de
originelestukken”. Een kopie volstaat niet, ook niet als het om digitale bestanden gaat, aldus de stellers van het middel.
42. Voor de beoordeling van de derde klacht wijs ik op art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK, waarbij ik de alinea’s voor de overzichtelijkheid heb genummerd en met haken gemarkeerd:
“[1.] Wanneer de voortvluchtige op Nederlandsch grondgebied is aangehouden requireert de Officier van Justitie binnen drie dagen na de aanhouding, of, zoo de aanhouding niet heeft plaats gehad of reeds vóór de aanvrage tot uitlevering is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven door de Nederlandsche Regeering, dat de opgeëischte persoon door de rechtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der uitlevering.
[2.] Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de rechtbank haar advies en hare beslissing, met de tot de zaak behoorende stukken, aan den Minister van Justitie.
[3.] De uitlevering zal alleen worden toegestaan op vertoon van het orgineel of van een gewaarmerkt afschrift -
1. Van een veroordeelend vonnis of
2. (a) Van een bevelschrift van gevangenneming (hetwelk volgens de wet van het Britsche Rijk het eenige stuk is dat wordt afgegeven wanneer op grond van onder eede afgelegde getuigeverklaringen bij rechterlijke uitspraak is beslist, dat de beschuldigde in bewaring behoort te worden gesteld), afgegeven in den vorm, door de Britsche wetgeving voorgeschreven, en waarbij het feit waarvan sprake is op zoodanige wijze is omschreven, dat de Nederlandsche Regeering in staat zij te beslissen of het, volgens de Nederlandsche wet, een der gevallen oplevert, in het tegenwoordige Verdrag voorzien; en
(b) Van de bewijsstukken.
[4.] Bij het onderzoek, hetwelk de Nederlandse autoriteiten overeenkomstig de voorgaande bepalingen moeten instellen, zullen zij als wettige bewijsstukken aannemen, beëedigde klachten of opgaven, of getuigeverklaringen in het Britsche Rijk afgelegd of gedaan, of afschriften daarvan, en eveneens de bevelschriften en vonnissen aldaar ter zake uitgevaardigd of gewezen, en stukken of gerechtelijke akten, waaruit blijkt van de veroordeeling, mits dezelve zijn gewaarmerkt als volgt: -
1.Een bevelschrift moet inhouden de verklaring van te zijn geteekend door een ‘Judge’, ‘Magistrate’ of ‘Officer’ van het Britsche Rijk.
2.Klachten of verklaringen of de afschriften daarvan, moeten de verklaring inhouden van te zijn gewaarmerkt door een ‘Judge’, ‘Magistrate’ of ‘Officer’ van het Britsche Rijk, als te zijn het origineel, of in de gevallen waarin zulks noodzakelijk is, het eensluidend afschrift daarvan.
3.Een stuk of gerechtelijke akte, constateerende de veroordeling, moet de verklaring inhouden dat het is gewaarmerkt door een ‘Judge’, ‘Magistrate’ of ‘Officer’ van het Britsche Rijk.
4.In ieder geval moet van zulk een bevelschrift, klacht, verklaring, afschrift, stuk of gerechtelijke akte de echtheid worden verzekerd hetzij door een beëedigde getuigeverklaring, hetzij door het daaraan gehecht officieel zegel van een van de ‘Principal Secretaries of State’ of eenig ander ‘Minister of State’ van het Britsche Rijk; doch hiervoor kan in de plaats treden eenig andere wijze van waarmerking, welke op dat tijdstip geoorloofd is volgens de wet van dat gedeelte van het Nederlandsch grondgebied, waar het onderzoek plaats heeft.”
43. Uit art. XII, derde alinea aanhef en onder b, Uitleveringsverdrag NL-VK volgt dat de uitlevering alleen zal worden toegestaan op vertoon van het origineel of van een gewaarmerkt afschrift “Van de bewijsstukken”. Vervolgens bevat de vierde alinea voorschriften over de wijze waarop de Nederlandse autoriteiten het onderzoek moeten verrichten naar het origineel of gewaarmerkt afschrift van de bewijsstukken.

Zijn de stukken getekend of gewaarmerkt overeenkomstig art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK?

44. De stellers van het middel voeren aan dat de door de verzoekende Staat vertoonde bewijsstukken – voor zover die bestaan uit verklaringen of afschriften daarvan – niet zijn getekend of gewaarmerkt door een “Judge”, “Magistrate” of “Officer” als bedoeld in art. XII, vierde alineaonder 2 en 3, Uitleveringsverdrag NL-VK, terwijl de echtheid van de verklaringen of afschriften daarvan ook niet is verzekerd door hetzij een beëdigde getuigenverklaring hetzij door het daaraan gehechte officieel zegel van een van de “Principal Secretaries of State” of enig ander “Minister of State” van het Britse Rijk. Volgens de stellers van het middel voldoet de verklaring van [betrokkene 6] niet aan deze eisen. Ten eerste omdat zich bij de stukken geen origineel van deze verklaring bevindt met een “natte handtekening”. Ten tweede voldoet de verklaring van [betrokkene 6] niet aan de eisen omdat hij volgens zijn eigen verklaring deze heeft ondertekend als “advocaat en procureur” en heeft verklaard dit te doen namens “de directeur van het Openbaar Ministerie […] reeds omdat deze directeur niet zelf een van voormelde hoge ambten bekleedt.”
45. Voordat ik de klacht inhoudelijk bespreek, geef ik een deel weer van de “FIRST AFFIDAVIT OF [betrokkene 6] ”:
“ [betrokkene 6] , CROWN COUNSEL IN THE DEPARTMENT OF PUBLIC PROSECUTIONS, BEING DULY SWORN, MAKE OATH AND STATE AS FOLLOWS:
1. THAT I am a Barrister and Attorney-at-Law and I am able to conduct prosecutions on behalf of the Director of Public Prosecutions, and I am authorised to swear this Affidavit on behalf of the Director of Public Prosecutions.
[…]
7. THAT I am one of the Prosecutors now seized with the responsibility for seeking the extradition from Holland of [opgeëiste persoon] who holds British Citizenship and a Belgian Residence Permit.
[…]
17. THAT, on 25th APRIL 2019, INDICTMENT No 13 of 2019 was signed by the Registrar of the Supreme Court of Bermuda in relation to [betrokkene 1] alone. This charged him with all the offences with which [opgeëiste persoon] is charged, save for one Count of Transmitting False Information to the Bermuda Monetary Authority.
18. THAT a record of statements and exhibits was prepared in relation to Indictment No 13 of 2019. The record of statements and exhibits prepared as the case against [betrokkene 1] contains the evidence upon which the prosecution will rely against [opgeëiste persoon] .
19. THAT now produced and shown to me and marked ‘ [betrokkene 6] ’, for identitifaction, is a true copy of the aforesaid record of statements and exhibits, on disc, prepared as the case against [opgeëiste persoon] .”
Hieruit volgt dat [betrokkene 6] in Bermuda bevoegd is tot en belast is met de vervolging van strafbare feiten en dat de organisatie waarvan hij deel uitmaakt, wordt geleid door de Director of Public Prosecutions. Naar Nederlands recht is [betrokkene 6] geen “advocaat en procureur” maar kan hij worden aangemerkt als officier van justitie en zou hij als zodanig deel uitmaken van het openbaar ministerie dat op Bermuda wordt geleid door de Director of Public Prosecutions.
Naast de eisen waarop de stellers van het middel een beroep doen, voorziet art. XII, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK aan het slot ook in een andere wijze van waarmerking, namelijk “eenig andere wijze van waarmerking, welke op dat tijdstip geoorloofd is volgens de wet van dat gedeelte van het Nederlandsch grondgebied, waar het onderzoek plaats heeft.” De stellers van het middel voeren niet aan dat de wijze waarop de bewijsstukken zijn gewaarmerkt, niet is geoorloofd volgens de Nederlandse wet, zodat de derde klacht reeds om die reden faalt.
Hierbij komt dat de klacht dat een “natte handtekening” ontbreekt niet voor het eerst met succes in cassatie kan worden opgeworpen. De vraag of een “natte handtekening” is gezet, vraagt een feitelijk oordeel dat in uitleveringsprocedures is voorbehouden aan de uitleveringsrechter, tenzij de Hoge Raad als feitenrechter optreedt wat bij de huidige stand van zaken in de onderhavige zaak niet het geval is. Uit het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt, blijkt niet dat daar is aangevoerd dat de bewijsstukken die zijn overgelegd, niet voldoen aan de eisen die daaraan in art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK worden gesteld, bijvoorbeeld omdat een “natte handtekening” ontbreekt. In cassatie wordt bovendien niet aangevoerd dat en waarom de bewijsstukken geen authentiek afschrift zouden zijn, anders dan het argument dat een bewijsstuk op een CD-ROM of USB-stick geen afschrift kan zijn als bedoeld in het verdrag. Op die kwestie kom ik nog terug.
Naar aanleiding van het middel heb ik desalniettemin de originele stukken bij de rechtbank laten opvragen. Bij de stukken van het geding die de rechtbank vervolgens aan de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, heb ik de verklaring van [betrokkene 6] aangetroffen met daarop een – naar het zich laat aanzien – “natte handtekening” van [betrokkene 6] . De genoemde affidavit is met een blauw schrijvende pen ondertekend door [betrokkene 6] waarbij is vermeld “SWORN […] AT Hamilton Magistrates Court This 4th day of March 2021”. Eronder is een onleesbare handtekening geplaatst door Worshipful Khamisi Tokunbo, waarbij is vermeld: “Magistrate Authorised for Administering Oaths, Affidavits and Declarations”. De handtekening is geplaatst over een stempel met als afdruk: “THE SEAL OF THE MAGISTRATES’ COURT OF BERMUDA”.
In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag, maar zoals gezegd gaat het om een kwestie die niet in cassatie aan de orde zou moeten zijn.
Ten tweede kan uit het verdrag zelf worden opgemaakt dat de ondertekening door [betrokkene 6] is geoorloofd volgens de Nederlandse wet. In het met art. XII corresponderende art. XI Uitleveringsverdrag NL-VK is aangegeven aan welke eisen de bewijsstukken moeten voldoen in het spiegelbeeldige geval waarin de voortvluchtige niet – zoals de opgeëiste persoon in deze zaak – in Nederland is aangehouden maar in het Verenigd Koninkrijk en de “wettige bewijsstukken” door Nederland moeten worden overgelegd.
Art. XI, eerste alinea onder 2, Uitleveringsverdrag NL-VK houdt in dat “verklaringen, of de afschriften daarvan […] de verklaring [moeten] inhouden van te zijn gewaarmerkt door een Nederlandse rechter, Officier van Justitie of andere bevoegde autoriteit, als te zijn het origineel of in de gevallen waarin zulks noodzakelijk is, het eensluidend afschrift daarvan.” Hieruit volgt dat de verklaring van een officier van justitie volstaat als “wijze van waarmerking” als het gaat om een Nederlands uitleveringsverzoek. [17] Hieruit maak ik op dat toen het verdrag tot stand kwam, naar Nederlands recht in de verdragsrelatie met het Verenigd Koninkrijk, de verklaring van een officier van justitie een geoorloofde wijze van waarmerking was.
53. Op basis daarvan mag naar mijn mening worden aangenomen dat de verklaring van een officier van justitie in Bermuda voldoet aan de voorwaarde in het spiegelbeeldige geval en geoorloofd is volgens de Nederlandse wet als bedoeld in art. XII, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK. Hieraan doet niet af dat in het verdrag een officier van justitie niet direct is aangewezen als bevoegd om afschriften te waarmerken omdat de opsomming uitdrukkelijk niet limitatief is.
54. Dan de kwestie of door de verzoekende Staat op een CD-ROM overgelegde bewijsstukken kunnen worden aangemerkt als een “afschrift” van bewijsstukken. Hieraan vooraf gaat de vraag of de CD-ROM in het ongerede is geraakt en de vraag of de stellers van het middel inzage in de bewijsstukken is verstrekt.

Inzage in de (bestanden op de) CD-ROM

55. De stellers van het middel betwisten dat hen de inhoud van de CD-ROM ter inzage is gegeven door hen een USB-stick te verstrekken omdat “niet kan worden aangenomen dat de bestanden op de USB-stick dezelfde zijn als de bestanden op de CD-ROM en daarmee gelijkgesteld kunnen worden.” Aangevoerd wordt dat wat de rechtbank heeft verstrekt, en dus door de Hoge Raad op 15 april 2022 ter inzage is gegeven, “evenmin een gelijkluidende kopie” is van de CD-ROM. Met deze klacht zijn de stellers van het middel te laat. In feite wordt namelijk geklaagd over ontbrekende stukken. En daarvoor hadden de stellers van het middel de rolrechter opnieuw moeten benaderen. Ik licht dit toe.
56. Naar de CD-ROM waarop de klacht betrekking heeft, wordt verwezen in zowel de brief waarmee de Minister van Veiligheid en Justitie het uitleveringsverzoek aan de officier van justitie in handen heeft gegeven ex art. 20, eerste lid, UW, als de al meerdere keren genoemde affidavit van [betrokkene 6] . De brief houdt in: “Ik maak u er tevens graag op attent dat er een CD-ROM bij de stukken gevoegd is.” De affidavit, waarvan ik een deel van de inhoud hierboven heb weergegeven bij randnummer 45, verwijst onder 19 naar “record of statements and exhibits, on disc”. In het webportaal is op 30 maart 2022 het volgende verzoek geplaatst:
“Verzoekt aanvullende stukken: De bestanden op de CD-ROM die als bijlage is gevoegd bij het uitleveringsverzoek (zie ook punt. 19 van de "Eerste Beedigde verklaring van [betrokkene 6] " d.d. 4 maart 2021)”.
57. Vervolgens is op 30 maart 2022 in het webportaal een pdf geplaatst waarvan door de griffie werd verondersteld dat dit de inhoud van de CD-ROM is. Het bleek echter een pdf van het uitleveringsverzoek met daarbij een afdruk van de omslag waarin de CD-ROM was meegezonden. In het webportaal is dan ook op 31 maart 2022 een nieuw verzoek geplaatst waarvan ik hier het relevante deel weergeef:
55. “Zoals ook aangegeven in mijn verzoek van 30 maart wordt naar de CD-ROM verwezen in par. 19 van de ‘Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] ’ d.d. 4 maart 2021. In deze paragaaf 19 staat:
‘Dat nu geproduceerd en aan mij getoond en gemarkeerd als " [betrokkene 6] " voor identificatie, een ware kopie is van voornoemd verslag van verklaringen en bewijsstukken, op disk, voorbereid als de zaak tegen [opgeëiste persoon] .’ ‘ [betrokkene 6] - TABBLAD 3 Verslag van de zaak tegen [opgeëiste persoon] op disk’
Het zijn dus deze bestanden (verklaringen en bewijsstukken etc) waar ik naar op zoek ben en niet de bestanden die gisteren in het portaal zijn gezet.
Hierbij herhaal ik dan ook mijn verzoek om alle bestanden die op voormelde, zich in het dossier bevindende, CD-ROM staan te uploaden in het portaal. Als de CD-ROM in het ongerede is geraakt verneem ik dat ook graag.”
58. Waar het mij om gaat is dat in het verzoek van 31 maart 2022 is gevraagd om “alle bestanden die op voormelde, zich in het dossier bevindende, CD-ROM staan” en niet om de CD-ROM zelf. Aan de (raadslieden van de) opgeëiste persoon is uiteindelijk een USB-stick ter inzage gegeven waarop de bestanden zijn gezet die staan op de CD-ROM die zich in het dossier bevindt.
59. Onbetwist is dat bij de Hoge Raad op 15 april 2022 de mogelijkheid tot inzage is gegeven en dat daarbij door of namens de stellers van het middel de inhoud van een USB-stick is ingezien. Nadat inzage is verleend, hebben de stellers niet aangegeven dat zich op de USB-stick niet de gevraagde bestanden van de CD-ROM bevonden. Bij de inzage van 15 april 2022 is aangegeven dat de inhoud van de CD-ROM is overgezet op een USB-stick. De brief van de griffie van de rechtbank Overijssel waaruit dat volgt, bevindt zich bij de stukken die op 15 april 2022 ter inzage zijn gegeven. Indien de stellers van mening waren dat de gevraagde bestanden niet ter inzage waren gegeven, dan betekent dit dat de processtukken niet volledig zijn en hadden zij opnieuw een verzoek om aanvulling moeten indien bij de rolraadsheer. [18]
60. Overigens voeren de stellers van het middel niets aan op grond waarvan betwijfeld zou moeten worden dat de inhoud van de USB-stick niet overeenkomt met de CD-ROM. De aanwezigheid van mp3-bestanden op de USB-stick, betekent niet dat deze niet op de CD-ROM aanwezig zijn. Ik heb de USB-stick bekeken en geopend. De USB-stick bevat bij het openen twee folders met als titel “CD 1” respectievelijk “CD 2”. De folder met CD 2 bevat vervolgens een folder met als opschrift “Copy of Disc to DPP” wat een gangbare afkorting is voor Director of Public Prosecutions. Deze folder en de inhoud ervan komt overeen met de inhoud van de CD-ROM die ik bij de stukken heb aangetroffen. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

De bestanden op de CD-ROM als “afschrift” als bedoeld in art. Uitleveringsverdrag NL-VK

61. Dan de vraag of de verzoekende Staat de bewijsstukken heeft verstrekt overeenkomstig het verdrag door deze op een CD-ROM aan te leveren. Het verdrag vereist het origineel of een “afschrift”. Het begrip afschrift is ruim genoeg om daaronder ook digitale afschriften te laten vallen. Een schriftelijk afschrift wordt niet vereist. [19] Daaraan doet niet af dat toen het verdrag tot stand kwam, CD-ROMs niet bestonden. De eveneens authentieke Engelstalige versie van het uitleveringsverdrag NL-VK verwijst naar “copy” en dat begrip is al even flexibel als het begrip “afschrift”.
62. Met de verklaring van [betrokkene 6] , dat de inhoud van de “disc” gewaarmerkte afschriften bevat, is voldaan aan de eisen die art. XII Uitleveringsverdrag NL-VK stelt aan het overleggen van bewijsstukken. Of daarmee is voldaan aan de eis dat op grond van die bewijsstukken ”eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen is”, komt aan de orde bij de bespreking van het derde middel.
62. De derde klacht van het tweede middel faalt.
Slotsom tweede middel
64. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

Het derde middel: het door de verzoekende Staat overgelegde bewijs

65. Het derde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht “of bij het uitleveringsverzoek voldoende bewijs is over[ge]legd op grond waarvan naar Nederlands recht ‘eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen’ is”. Voor zover de rechtbank dit wel zou hebben onderzocht, getuigt het impliciete oordeel van de rechtbank dat aan dit bewijsminimum is voldaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Bovendien moet het daarbij gaan om “bewijs dat naar Nederlands recht kwalificeert als een wettig bewijsmiddel”, aldus de stellers van het middel.
De aan te leggen maatstaf
66. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat art. XIII Uitleveringsverdrag NL-VK het volgende inhoudt:
“De uitlevering zal geen plaats vinden, tenzij er voldoende bewijs bestaat, volgens de wetten van den Staat, aan welken de uitlevering is aangevraagd […] om eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen, indien het misdrijf zou zijn gepleegd binnen het grondgebied van bedoelden Staat”.
67. De stellers van het middel doen voor de uitleg van deze voorwaarde een beroep op HR 18 januari 1983,
NJ1983/326, waarin als maatstaf werd aangelegd dat “indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, niet hoogstonwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten”. [20]
68. Ik meen dat deze maatstaf is achterhaald met het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2012. Het arrest heeft weliswaar betrekking op art. 9, derde lid onder b, Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, maar de inhoud van de daarin gestelde voorwaarde correspondeert met art. XIII Uitleveringsverdrag NL-VK voor zover het inhoudt dat een verzoek om uitlevering vergezeld moet gaan van:
“het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd”. [21]
69. Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2012 de maatstaf heeft samengevat die overeenkomt met de maatstaf die is aangelegd in het hierboven weergegeven HR 18 januari 1983, overweegt de Hoge Raad het volgende:
“De Hoge Raad is thans van oordeel dat voormelde maatstaf […] minder geschikt is omdat zij het oog heeft op de situatie waarin door het openbaar ministerie een dagvaarding (of kennisgeving van verdere vervolging) is uitgebracht, terwijl voormelde verdragsbepaling ziet op de situatie waarin dit nog niet aan de orde is. Gelet hierop […] dient voortaan te worden geoordeeld dat aan meergenoemde verdragseis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn.” [22]
70. Hieruit volgt dat om te beoordelen of bij het uitleveringsverzoek voldoende bewijs is overgelegd op grond waarvan naar Nederlands recht “eene verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen” is, als maatstaf moet worden aangelegd of uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn.
De toepassing van de maatstaf
71. De rechtbank heeft in haar uitspraak niet uitdrukkelijk aangegeven dat zij heeft onderzocht of voor alle feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, is voldaan aan de door het verdrag gestelde eis waarop het middel betrekking heeft.
72. Bij de beoordeling daarvan stel ik voorop dat ter zitting door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd dat niet is voldaan aan de in art. XIII Uitleveringsverdrag NL-VK neergelegde eis en de daarvoor volgens de Hoge Raad aan te leggen maatstaf. De raadsvrouw heeft met betrekking tot de “schuld” van de opgeëiste persoon aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, aangevoerd dat hij onverwijld zijn onschuld kan aantonen. Van hetgeen de pleitnota hierover inhoudt onder het opschrift “Onverwijld onschuldig” geef ik de tekst bij de randnummers weer die in het bijzonder betrekking hebben op de bewijsvoering. Op hetgeen met betrekking tot de strafbaarheid naar Nederlands recht van feit 2 is aangevoerd in verband met de kwalificatieuitsluitingsgrond in geval van witwassen, ga ik nader in bij de bespreking van het vijfde middel.

Onverwijld onschuldig
12. Naast hetgeen hiervoor is gemeld over de belemmeringen voor een uitlevering kan cliënt onverwijld aantonen onschuldig te zijn. Voor uw beoordeling hiervan is allereerst van belang te vermelden dat cliënt geen individuele operationele taken of verantwoordelijkheden had, hij was wat men noemt een non-executive chairman. [betrokkene 1] en [betrokkene 7] hielden zich bezig met de bedrijfsvoering. Cliënt werd tijdens de bestuursvergaderingen op de hoogte gehouden van deze bedrijfsvoering.
[…]
15. Cliënt zelf heeft nimmer contact gehad met [betrokkene 5] . De salesmanager en managing director [betrokkene 7] heeft dat contact gehad met de tussenpersoon, Pacific Bridge. [betrokkene 5] is Ivan de 70 investeerders. Het inlegbedrag is terzijde gesteld. Op 7 maart 2019 bevond dit bedrag zich op de rekening bij HSBC Bermuda [rekeningnummer 2] ,. Dat bedrag is er dus. Cliënt heeft op 10 oktober 2018 en 30 oktober 2018 toestemming gevraagd aan de BMA om dit bedrag terug naar [betrokkene 5] te mogen zenden (zie bijlage 7) maar zonder toestemming van BMA, die niet werd verleend, kon [A] het niet uitkeren in verband met de maatregelen van de BMA. Met andere woorden, er is geen sprake van oplichting, althans er is geen sprake van opzet op oplichting. Uitlevering voor dit feit is dan ook niet toelaatbaar.
16. Voor de verdenking van witwassen in het uitleveringsverzoek geldt dat het gaat om geldstromen van Bermuda naar buiten tussen 25 januari 2018 en 14 november 2018. Vooreerst verdient opgemerkt dat in het uitleveringsverzoek niet specifiek is beschreven om welke transacties het gaat. De omschrijving van de feiten dient immers zo nauwkeurig mogelijk te zijn vermeld in het verzoek (documentatie- en informatie- beginsel). Daarmee zijn de stukken van het uitleveringsverzoek op dit punt onvoldoende genoegzaam en kan de uitlevering niet toegestaan worden.
17. Mocht het gaan om de hierna volgende transacties dan is het van belang te melden dat die transacties zijn verricht nadat HSBC heeft medegedeeld dat de Bermudese rekening van [A] potentieel op non-actief zou worden gesteld vanwege uitstaande compliance vragen met betrekking tot [betrokkene 7] en [betrokkene 8] . Het gaat om het volgende:
- USD 550.000 op 28 maart 2018 van HSBC Bermuda naar Julius Baer Zwitserland
• [betrokkene 1] vraagt de betaling te doen aan [E] .
• [E] maakt de betaling mogelijk
• [betrokkene 1] tekent voor de overboeking
• [E] tekent voor de overboeking
• De transactie is niet als ongebruikelijk opgemerkt of gemeld aan de FIU;
- USD 4 miljoen op 10 april 2018 van HSBC Bermuda naar Julius Baer Zwitserland
• Het verzoek voor de overdracht kwam van [betrokkene 1] en de e-mail was gericht aan [E] ( [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 9] ) [E] heeft de details van de overdracht ingevoerd in het HSBC-banksysteem
• [betrokkene 1] handelde te goeder trouw en ondertekende elektronisch de overdracht van HSBC aan Julius Baer
• [E] heeft de overdracht elektronisch ondertekend. [E] heeft geholpen bij de overdracht van tegoeden buiten de jurisdictie van Bermuda en heeft dit niet als SARS bij de FIU gemeld.
• [opgeëiste persoon] werd ingekopieerd in e-mails, maar hij was geen partij bij de overdracht.
18. Voor strafbaarheid van dit feit moet bewijs zijn dat het geld crimineel eigendom is. Dat is er niet want het is niet crimineel eigendom. Dit geld komt van verschillende mensen die polissen hebben gekocht en die polissen zijn zo verwerkt zoals het hoort binnen Bermudese wet- en regelgeving. [E] heeft immers ook geen melding hiervan gedaan aan de Bermudese autoriteiten in de zin dat dit ongebruikelijke transacties zouden zijn. Het verplaatsen naar een Zwitserse bankrekening van een Bermudese verzekeraar valt onder de controlebevoegdheid van de BMA, omdat de bankrekening eigendom is van die Bermudese verzekering, die verplicht is die Bermudese wet-en regelgeving te volgen. Er is dus is geen sprake van het buiten Bermuda brengen van de gelden, laat staan dat dit verborgen of verhuld is.
19. Voor de feiten 3 en 4 geldt dat [betrokkene 1] voor die feiten buiten vervolging is gesteld. Nu [betrokkene 1] en niet cliënt die e-mails heeft gestuurd met de beweerdelijk onjuiste informatie, is er geen enkele grond om aan te nemen dat cliënt vervolgd kan worden voor deze twee feiten. Cliënt is op geen enkele wijze althans in veel mindere mate dan [betrokkene 1] , hierbij betrokken. Reeds daarom dient de uitlevering voor feit 3 en 4 ontoelaatbaar verklaard te worden.
20. Over feit 5, de e-mail van 15 mei 2018 van [betrokkene 4] dient opgemerkt te worden dat hier sprake is van een cirkelredenering, zie punt 78 van de uitspraak inzake [betrokkene 1] . Voor de email van 27 juli 2018 (feit drie zoals hiervoor gemeld) van [betrokkene 1] aan de BMA is onvoldoende grond voor vervolging. Dat is immers eenvoudigweg de verzending van de documenten die [betrokkene 4] op 15 mei 2018 aan de BMA stuurde. En als [betrokkene 1] de BMA zou hebben misleid op 27 juli 2018 dan geldt dat evenzeer voor [betrokkene 4] en de Raad van [A] die de documentatie van de e-mail van 15 mei 2018 hebben goedgekeurd. Het is duidelijk zo vervolgt het Hooggerechtshof in die uitspraak van 12 februari 2020 dat de BMA niet van mening is dat [betrokkene 4] of de Raad van [A] hen misleid hebben en dus moet je je afvragen waarom ze het gevoel hadden dat ze door [betrokkene 1] misleid waren. Kortom het Bermudese Hooggerechtshof heeft van de door [betrokkene 4] gestuurde e-mail van 15 mei 2018, zoals onder verdenking 5 is ten laste gelegd, reeds geoordeeld dat dit geen misleiding is, geen strafbaar feit. De uitlevering moet dan ook reeds hierom ontoelaatbaar worden verklaard.
21. Ten overvloede dient opgemerkt te worden dat cliënt deze e-mail niet zendt. In de voorbereiding van deze e-mail meldt hij [betrokkene 4] juist dat alle documenten over de krediet faciliteit verstrekt kunnen worden aan de BMA. Dat zij in haar antwoord aan de BMA vervolgens niet alles verstrekt en ineens refereert aan een kredietlijn is spijtig en verwarrend, maar niet de verantwoordelijkheid van cliënt. Die verwarring over de terminologie wordt door [betrokkene 4] ingezet en niet tegengeworpen aan [betrokkene 1] wanneer het Hooggerechtshof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is voor een vervolging voor de feiten 3 en 4 nu geen sprake is van misleiding. Hiervoor is reeds aangevoerd dat nu cliënt geen onderdeel uitmaakt van die communicatie reden te meer is om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.”
73. Ter zitting heeft de raadsvrouwe nog het volgende aangevoerd:
“Het klopt dat het feit dat [betrokkene 1] niet wordt vervolgd voor de feiten 3 en 4, niet betekent dat dit ook geldt voor cliënt. Maar er is ook niet onderbouwd waarom cliënt wél voor die feiten zou moeten worden vervolgd. Hem is geen grotere rol toegedicht, het gaat alleen om een verdenking.”
74. De rechtbank heeft het onderdeel van het verweer dat hier relevant is verworpen, en daarbij het volgende overwogen:

Onschuld van de opgeëiste persoon
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon onschuldig, is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht en dat hij dit onverwijld kan aantonen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de opgeëiste persoon bij zijn bedrijf [A] in Bermuda een ‘non-executive chairman’ was. Anderen hielden zich bezig met de bedrijfsvoering, waarover de opgeëiste persoon tijdens bestuursvergaderingen op de hoogte werd gehouden.
De rechtbank overweegt dat een onschuldverweer alleen opgaat als de uitleveringsrechter tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AU2698). De rechtbank overweegt dat de beoordeling van het verweer van de raadsvrouw een verdergaand onderzoek vergt, zodat niet geconcludeerd kan worden dat de opgeëiste persoon zijn onschuld onverwijld kan aantonen.
75. Hieruit volgt dat de raadsvrouwe zich in het licht van de voorhanden bewijsstukken, ter zitting heeft beperkt tot het voeren van een onschuldverweer als bedoeld in art. 26, derde lid, UW en tot het verweer dat waarvan de opgeëiste persoon wordt beschuldigd niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Aan beide verweren heeft zij feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die zij heeft ontleend aan door de verzoekende Staat overgelegde bewijsstukken.
76. Nu de raadsvrouwe ter zitting niet heeft aangevoerd dat de door de verzoekende Staat overgelegde bewijsstukken niet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in art. XIII Uitleveringsverdrag NL-VK, kan uit de enkele omstandigheid dat de rechtbank hieraan in haar uitspraak geen uitdrukkelijke overweging heeft gewijd, niet zonder meer worden afgeleid dat de rechtbank dit niet zou hebben onderzocht. De rechtbank behoefde haar oordeel dat aan de eisen van art. XIII van het verdrag is voldaan, zonder enig verweer daaromtrent, immers niet nader te motiveren, [23] terwijl de rechtbank onder het kopje ‘Toepasselijke artikelen’ art. XIII meldt als artikel waarop de beslissing is gegrond.
77. Om deze reden faalt de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te oordelen of is voldaan aan het bewijsminimum van art. XIII Uitleveringsverdrag NL-VK.
78. Dat brengt mij bij de klacht dat het eventuele impliciete oordeel van de rechtbank dat aan dit bewijsminimum is voldaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
79. De klacht faalt. In dat verband wijs ik allereerst op de beëdigde verklaring van [betrokkene 6] .
80. In de beëdigde verklaring verwijst [betrokkene 6] onder nummer 18 naar – ik volg zoveel mogelijk de vertaling die van het origineel is gemaakt – een verslag van verklaringen en bewijsstukken die zijn voorbereid in de zaak tegen [betrokkene 1] , dat het bewijsmateriaal bevat waarop de vervolging tegen de opgeëiste persoon zal steunen. Het verslag van verklaringen en bewijsstukken bevinden zich op disk waarnaar wordt verwezen in dezelfde beëdigde verklaring onder nummer 19. In dezelfde beëdigde verklaring wordt onder nummer 20 verwezen naar een uitspraak van het Supreme Court van 12 februari 2020 waarin is geoordeeld dat er voldoende bewijsmateriaal was om [betrokkene 1] te berechten ten aanzien van de beschuldigingen van frauduleuze aansporing om te investeren en het witwassen van geld. Ook wordt daar opgemerkt dat het Supreme Court heeft geconcludeerd dat er onvoldoende bewijsmateriaal was om [betrokkene 1] te berechten voor het doorgeven van valse informatie aan de Bermuda Monetaire Autoriteit, waarop volgt dat deze redenen niet beletten dat de opgeëiste persoon wegens deze overtredingen wordt veroordeeld. [betrokkene 6] verklaart vervolgens onder nummer 21 dat de overgelegde beslissing van het Supreme Court “is a true copy of the aforesaid judgment of the Supreme Court”. Bij de beëdigde verklaring bevindt zich de beslissing van het Supreme Court van 12 februari 2020 in de zaak [betrokkene 1] .
81. Ik wijs daarnaast op de beslissing van het Supreme Court van Bermuda van 12 februari 2020 in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] die eveneens door de verzoekende Staat ter staving van het uitleveringsverzoek is overgelegd.
82. In zijn beslissing geeft het Supreme Court uitvoerig de essentie weer van de verklaringen en bewijsstukken die zijn gebruikt in de zaak tegen [betrokkene 1] en waarvan [betrokkene 6] verklaart dat dit ook de verklaringen en bewijsstukken zijn waarop de zaak tegen de opgeëiste persoon berust. Naar het oordeel van het Supreme Court zijn deze bewijsmiddelen voldoende om de zaak voor te leggen aan de rechter in Bermuda voor wat betreft de feiten 1 en 2, maar onvoldoende voor de feiten 3, en 4 – kort gezegd omdat “verwarring kan zijn ontstaan over de terminologie van wat de BMA precies nodig had, namelijk een lijn van krediet, een kredietlijn, of een kredietfaciliteit”. [24] Voor de opgeëiste persoon kan dit anders liggen omdat hij, anders dan [betrokkene 1] , betrokken was bij het e-mailbericht dat op 15 mei 2018 aan de BMA is verstuurd (feit 5) waarin – voor zover dat blijkt uit het uitleveringsverzoek en de ter staving daarvan overgelegde stukken – voor het eerst misleidende informatie werd verstrekt over het bestaan van een kredietlijn zodat het voor de opgeëiste persoon niet verwarrend was welke informatie hij aan de BMA moest verstrekken. Dat het bewijs inderdaad vanuit het perspectief van de verzoekende Staat anders is voor de opgeëiste persoon, kan worden afgeleid uit de verklaring van [betrokkene 6] waarin hij opmerkt dat de redenen op grond waarvan het Supreme Court overwoog dat er onvoldoende bewijs was om [betrokkene 1] te berechten voor het doorgegeven van valse informatie (feit 3 en 4), niet beletten dat de opgeëiste persoon wegens deze overtredingen wordt veroordeeld. Bovendien wordt de uitspraak van het Supreme Court in de zaak [betrokkene 1] overgelegd ter staving van het uitleveringsverzoek van de opgeëiste persoon.
83. Met betrekking tot feit 5 wijs ik erop dat de raadsvrouwe in haar pleitnota onder nummer 20 wijst op een e-mail van 15 mei 2018 waarvan zij zelf aangeeft dat de opgeëiste persoon betrokken is geweest bij het voorbereiden van het opstellen van die e-mail die vervolgens is verstuurd aan de financieel toezichthouder van Bermuda. Uit de feiten 3 en 4 waarvoor de feiten toelaatbaar is verklaard, blijkt dat het telkens gaat om dezelfde, misleidende informatie, te weten informatie die de indruk wekte dat [A] een credit line had – in overeenstemming met de verplichtingen opgelegd door en in overeenstemming met de afspraak van de opgeëiste persoon met BMA op 24 januari 2018 – terwijl dit niet het geval was. Het verschil tussen de drie feiten heeft betrekking op de data waarop die misleidende informatie zou zijn verstrekt, te weten op 27 juli 2018 (feit 3), 17 augustus 2018 (feit 4) en op 15 mei 2018 (feit 5). Uit de feiten zoals die uiteen zijn gezet in de beëdigde verklaring van [betrokkene 6] blijkt dat het e-mailbericht van 15 mei 2018 (feit 3) is opgesteld onder leiding van de opgeëiste persoon en dat de opgeëiste persoon degene is geweest die tijdens de bijeenkomst met de BMA op 24 januari 2018 de garantie heeft gegeven dat [A] “een kredietfaciliteit zou verkrijgen” en ook degene is geweest die deze verbintenis heeft bevestigd bij brief van 25 januari 2018. Op deze onderdelen verschilt de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het verstrekken van misleidende informatie aan de BMA op 15 mei 2018 van de betrokkenheid daarbij van [betrokkene 1] . Bovendien beïnvloeden de garanties die de opgeëiste persoon aan de BMA heeft gegeven en vervolgens ook heeft vastgelegd, zijn wetenschap van het misleidende karakter van de informatie die later, op 27 juli 2018 en 17 augustus 2018 is verstrekt.
84. Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van de rechtbank dat aan het bewijsminimum is voldaan, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is haar oordeel evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
85. In zoverre faalt het middel.
86. Resteert de klacht dat het bij de overgelegde bewijsstukken moet gaan om “bewijs dat naar Nederlands recht kwalificeert als een wettig bewijsmiddel”, aldus de stellers van het middel. [25] Ik zie geen reden waarom de inhoud van de pdf-bestanden naar Nederlands recht niet als een wettig bewijsmiddel zou kunnen worden aangemerkt. De inhoud van de pdf-bestanden is samengevat weergegeven in de meermalen genoemde Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] en in de uitspraak van het Supreme Court dat ter staving van het uitleveringsverzoek is overgelegd. Daarmee faalt ook deze klacht.
87. Het derde middel faalt in alle onderdelen.

Het vierde middel: art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK

88. Het vierde middel komt met twee klachten op tegen het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan de voorwaarde die is neergelegd in art. II, laatste volzin, Uitleveringsverdrag NL-VK, te weten dat zowel door Nederland als door Bermuda toestemming kon worden verleend om uitlevering toe te staan ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5.
89. Voor een goed begrip van een en ander geef ik eerst – voor zover relevant – de inhoud van art. II Uitleveringsverdrag NL-VK weer. Omwille van de leesbaarheid heb ik de alinea’s (in de schriftuur aangeduid als paragrafen) genummerd en die nummering met haken gemarkeerd.
90. Art. II Uitleveringsverdrag NL-VK luidt – voor zover hier relevant – aldus:
“[1.] Art. II De misdrijven, ter zake waarvan de uitlevering zal worden toegestaan zijn de volgende:
[…]
9. Oplichting.
[…]
20. Opzettelijke brandstichting
[…]
[4.] Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend.”
91. Het gaat ten eerste om art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK, waarop de klachten zich rechtstreeks richten. In dat onderdeel is een uitzondering uitgewerkt op de regel die is neergelegd in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK, waarin enumeratief misdrijven zijn aangewezen waarvoor uitlevering zal worden toegestaan. De vraag die de stellers van het middel aan de orde stellen is of alleen mag worden uitgeleverd voor de uitdrukkelijk in het verdrag aangewezen misdrijven of dat ook mag worden uitgeleverd als is voldaan aan de uitzondering die is neergelegd in art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK en, zo ja, welke voorwaarden dan moeten zijn vervuld. Wat is, met andere woorden, de betekenis van wat de stellers van het middel aanduiden als de “restgrondslag”?
92. Ter zitting van de rechtbank heeft de raadsvrouwe van de opgeëiste persoon aangevoerd dat het Uitleveringsverdrag NL-VK geen grondslag biedt om de opgeëiste persoon uit te leveren ter strafvervolging wegens witwassen (feit 2). De door haar ter zitting overgelegde pleitnota houdt hierover het volgende in:

Witwassen4. Nu het verdrag leidend is dient het verzoek om uit te leveren voor het feit witwassen primair ontoelaatbaar verklaard te worden omdat het feit witwassen niet is opgenomen in de lijst met 28 feiten in artikel lI van het verdrag. De misdrijven, terzake waarvan de uitlevering zal worden toegestaan zijn de volgende – waarna een opsomming van tal van strafbare feiten volgt – is daar vermeld. Het feit witwassen bestond echter nog niet en er staat geen equivalent van het huidige witwassen opgesomd in die lijst, waardoor de uitlevering voor het feit witwassen ontoelaatbaar dient te worden verklaard.
5. De opmerking in dat artikel: ‘Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend’ maakt dat niet anders. Immers deze open ended bepaling, maakt uitlevering wel mogelijk voor andere dan de genoemde feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan naar Nederlands recht. Nu uitlevering naar Nederlands recht niet anders dan krachtens verdrag geschiedt is primair het standpunt van de verdediging dat er geen verdrag is en dus geen verdragsbasis op basis waarvan de uitlevering van het specifieke feit witwassen toelaatbaar kan worden geacht. Anders dan bijvoorbeeld de Bahama's heeft Bermuda noch Nederland in de afgelopen 123 jaren de mogelijkheid aangevat om verdergaande afspraken vast te leggen, dan in het verdrag zelf zijn aangegaan. Ook de Brexit is geen aanleiding geweest voor Bermuda, het Verenigd Koninkrijk voor Bermuda of Nederland om de afspraken over uitlevering te updaten. Daaruit kan niet anders dan volgen dat de betrokken staten dat niet hebben gewenst.”
93. Aansluitend heeft de raadsvrouwe ter zitting mondeling nog het volgende aangevoerd:
“De officier van justitie zegt dat uitlevering voor witwassen naar goeddunken van de staat kan worden toegestaan. Ik heb betoogd dat ‘goeddunken’ niet de verdragseis kan vervangen zoals dat in de Nederlandse Uitleveringswet staat. Nederland en Bermuda lijken uitlevering voor witwassen niet mogelijk te hebben willen maken. Er is bovendien geen praktische mogelijkheid om te toetsen of er op dit punt voldoende vertrouwen bestaat tussen beide landen. Daar loopt de toets mank. Daarom stel ik mij op het standpunt dat er in dit geval niet is voldaan aan de verdragseis en dat de uitlevering voor witwassen ontoelaatbaar is.
94. Voor de volledigheid merk ik op dat de raadsvrouwe ook met betrekking tot de feiten 3, 4 en 5 heeft betoogd dat dit geen feiten zijn waarvoor uitlevering mogelijk is, maar dat zij daarvoor andere gronden heeft aangevoerd dan art. II Uitleveringsverdrag NL-VK. [26]
95. De rechtbank heeft voormeld verweer met betrekking tot witwassen verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat de uitlevering ter zake van de verdenking van witwassen toelaatbaar kan worden verklaard. De lijst met feiten in artikel II van het verdrag is niet limitatief. Onderaan dit artikel is de volgende zinsnede opgenomen: ‘
Uitlevering zal ook kunnen worden toegestaan, naar het goeddunken van den staat, aan welken de uitlevering wordt aangevraagd, ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht, de toestemming kon worden verleend’. De rechtbank is van oordeel dat dit inhoudt dat uitlevering ook toelaatbaar is ten aanzien van feiten die niet specifiek in artikel II van het verdrag zijn genoemd, mits voldaan is aan de vereisten van de Uitleveringwet. In het geval van witwassen wordt voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 Uw Pro, waarbij de rechtbank ook in dit verband aansluiting zoekt bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over dubbele strafbaarheid, waaruit volgt dat bij beoordeling hiervan de strafbaarheid van de gedraging zoals omschreven in de ‘uiteenzetting der feiten’ beslissend is en dat niet is vereist is dat de delictsomschrijvingen uit beide staten elkaar precies dekken, zolang ze maar in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.”
96. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank vanuit Nederlands perspectief een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de voorwaarde dat toestemming kon worden verleend voor de uitlevering overeenkomstig de wetten “op dat tijdstip van kracht” in art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK. De stellers van het middel voeren aan dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd “dat vereist is dat uitlevering toelaatbaar kon worden verklaard in 1898 en op het moment van behandeling van het uitleveringsverzoek. Is op een van deze twee momenten uitlevering niet (meer) toelaatbaar” dan vindt de bepaling geen toepassing. De bepaling kan daarmee geen toepassing vinden op de feiten 2, 3, 4 en 5, omdat vanuit Nederlands perspectief “witwassen” en overtreding van art. 1:74 Wet Pro financieel toezicht niet zijn vermeld op de lijst met feiten in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK. De stellers van het middel beroepen zich ter ondersteuning van deze uitleg op notawisselingen en vier arresten van de Hoge Raad van 1 juli 1986 en 21 oktober 1986 die zijn uitgesproken in de zaken Kelly en McFarlane. Op beide zaken kom ik terug.
97. Ten eerste merk ik op dat het moment waarop naar het oordeel van de stellers van het middel de uitleveringsrechter moet beoordelen of toestemming voor uitlevering kan worden verleend, weinig specifiek is omschreven met “in 1898”. Ik ga ervan uit dat bedoeld is de dag waarop het in deze zaak toepasselijke uitleveringsverdrag in werking is getreden. Het op 26 september 1898 gesloten verdrag is op 14 maart 1899 in werking getreden. Bij de bespreking van de klacht ga ik er verder vanuit dat de stellers van het middel als toetsmoment 14 maart 1899 bedoelen, maar ook als ik zou zijn uitgegaan van 26 september 1898 zou de uitkomst van mijn standpunt hetzelfde zijn omdat de strafbaarheid van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard niet moet worden bepaald aan de hand van het moment waarop een verdrag in de negentiende eeuw tot stand is gekomen of in werking is getreden. Een aanwijzing dat dit een te beperkte uitleg is, biedt “het moment van behandeling van het uitleveringsverzoek” waarop de stellers van het middel een beroep doen maar waarmee zij voorbijgaan aan de regel dat de vraag naar de vereiste dubbele strafbaarheid wordt beoordeeld naar het moment waarop uitspraak wordt gedaan. [27]
98. Voor de beoordeling van de klacht zijn ten eerste de verdragsbepalingen van belang. In art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VL zijn in 28 genummerde onderdelen misdrijven aangewezen waarvoor Nederland vreemdelingen
zaluitleveren. Daarnaast voorziet art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK in de mogelijkheid de uitlevering te
kunnentoestaan, ter zake van misdrijven die niet in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK zijn aangewezen maar waarvoor uitlevering mogelijk is op grond van de wet die “op dat tijdstip van kracht is”. Anders gezegd: Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn met elkaar de
verplichtingaangegaan over en weer personen uit te leveren ter zake van de 26 misdrijven die zijn aangewezen in art. II, eerste lid, Uitleveringsverdrag NL-VK en hebben daarnaast voorzien in de
mogelijkheidom over en weer personen uit te leveren ter zake van andere feiten onder de voorwaarde dat die toestemming kon worden verleend. Voor die toestemming is niet het verdrag bepalend, maar het antwoord op de vraag of “toestemming kon worden verleend” overeenkomstig “de wetten der beide Contracterende Partijen op dat tijdstip van kracht”.
99. Met een beroep op nota’s die zijn uitgewisseld tussen de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk bij de totstandkoming van het verdrag, voeren de stellers van het middel aan dat de voorwaarde in art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK, dat toestemming kon worden verleend “ten opzichte van eenig ander misdrijf waarvoor, overeenkomstig de wetten der beide Contracteerende Partijen op dat tijdstip van kracht”, betekent dat het verdrag geen ruimte zou bieden voor uitlevering van “feiten waarvan ongewis was of ze ooit (door Nederland) strafbaar zouden worden gesteld en, zo ja, of daar dan ook uitlevering voor mogelijk zou kunnen zijn.” Het kader voor de feiten waarvoor die toestemming zou kunnen worden verleend, werd in feite gegeven door de toentertijd geldende kaderwet voor uitlevering, de Wet van 6 april 1875 tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten. [28] Die wees in 26 onderdelen van art. 2 limitatief Pro misdrijven op waarvoor vreemdelingen konden worden uitgeleverd. Het zal geen verrassing zijn dat onder die 26 misdrijven niet de misdrijven zijn gemeld die de feiten 2, 3, 4 en 5 naar het oordeel van de rechtbank naar Nederlands recht opleveren.
100. Ter verdere onderbouwing doen de stellers van het middel een beroep op een viertal arresten van de Hoge Raad waaruit de door de stellers van het middel aangevoerde beperkte uitleg van de “restgrondslag” zou volgen. De arresten hebben betrekking op verzoeken van het Verenigd Koninkrijk waarbij de uitlevering werd verzocht van Kelly en McFarlane, twee toenmalige leden van het Iers Republikeins Leger (IRA), wegens onder meer het “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing”. Met betrekking tot het teweegbrengen van een ontploffing verklaarde de Hoge Raad als feitenrechter uiteindelijk de uitlevering ontoelaatbaar onder verwijzing naar een notawisseling die als briefwisseling wordt aangeduid, waarop de stellers van het middel zich nu ook beroepen. De notawisseling komt er kort gezegd op neer dat het Verenigd Koninkrijk in het kader van de onderhandelingen over een verdrag dat zou resulteren in het Uitleveringsverdrag NL-VK om enkele misdrijven alsnog in het verdrag op te nemen, en wel in art. II, eerste alinea, waardoor een verplichting tot uitlevering ter zake van die misdrijven zou ontstaan. Het gaat om misdrijven die in de tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk uitgewisselde diplomatieke nota’s, zijn samengevat als “dynamietmisdrijven”. [29] Uit die nota’s blijkt dat de Nederlandse regering destijds niet bereid was om het verdrag te wijzigen dat al tot stand was gekomen maar nog niet was goedgekeurd. Eén van de redenen die werd gegeven, was dat deze dynamietmisdrijven nog niet (allemaal) in Nederland strafbaar waren. In plaats van een aanvulling van het tot stand gekomen uitleveringsverdrag, werd de bereidheid uitgesproken deze “dynamietmisdrijven” op te nemen in een later tot stand te brengen additioneel verdrag indien deze strafbaar zouden zijn gesteld in Nederlandse wetgeving. [30] Dat additionele verdrag is er niet gekomen. [31]
101. De stellers van het middel doen in het bijzonder een beroep op een nota van 21 maart 1898 van de Minister van Buitenlandse Zaken die het volgende inhoudt:
“thans worden ter elfder ure nieuwe voorstellen gedaan waarvan de bedoeling blijkbaar is om voor sommige dynamiet-misdrijven eene speciale internationale regeling in te voeren. Daargelaten de wenschlijkheid eener regeling overeenkomstig die voorstellen, betreffen zij in de aangeboden redactie misdrijven, waarvoor grootendeels noch volgens de Britsche, noch volgens de Nederlandsche wetgeving uitlevering kan worden toegestaan. Het komt mij voor, dat — wil men ooit tot onderteekening geraken — het verdrag alleen op de bestaande wetgeving behoort te berusten en geene beloften mag bevatten omtrent toekomstige wetsbepalingen, waarvan niemand voorspellen kan of, wanneer en in welken vorm zij in de wetgeving zullen worden opgenomen. Echter zou ik er geen bezwaar in zien om aan de Britsche Regeering te kennen te geven, dat onzerzijds ernstig zal worden overwogen of de door Haar genoemde feiten, voor welke thans geene uitlevering kan worden toegestaan, daartoe vatbaar kunnen worden gemaakt, en dat — wanneer onze uitleveringswet in dien zin mocht zijn veranderd — er bij de Nederlandsche Regeering wel geen bezwaar zal bestaan om een additioneel verdrag in bedoelden geest met Groot-Britannië te sluiten.” [32]
102. Onder verwijzing naar wat de Hoge Raad omschrijft als “briefwisseling”, waarvan de hier weergegeven nota deel uitmaakt, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van achtereenvolgens 1 juli 1986 en 21 oktober 1986 in twee stappen uitgemaakt dat het Uitleveringsverdrag NL-VK – kort gezegd – niet kan worden toegepast op “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing”. Als eerste stap overwoog de Hoge Raad in de arresten van 1 juli 1986 dat het “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing” niet gelijkgesteld kon worden met “opzettelijke brandstichting” dat één van de misdrijven is die zijn opgesomd in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK. Ik citeer de relevante overweging omdat de Hoge Raad daarnaar terugverwijst in zijn hieronder te bespreken arresten van 21 oktober 1986:
“In het licht toch van een briefwisseling tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Verenigd Koninkrijk gepubliceerd in de Bijl. Hand. II, zitting 1898-1899, p. 36, 37, 38 en 39, bij de behandeling van de Staatsbegroting voor het dienstjaar 1899 moet worden aangenomen dat Nederland van zodanige gelijkstelling niet heeft willen weten.” [33]
103. Nadat de Hoge Raad beide uitleveringszaken als feitenrechter had behandeld, werd vervolgens in de arresten van 21 oktober 1986 als tweede stap beslist dat het “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing” ook niet kon worden gebracht onder art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK, door de stellers van het middel samengevat als de restgrondslag. Daarbij werd verwezen naar één van de brieven waarnaar in de arresten van 1 juli 1986 werd verwezen. De Hoge Raad overwoog het volgende:
“Wel zou in het licht van het bepaalde in het laatste lid van genoemd art. II en in art. 157 Sr Pro een toelaatbaarverklaring kunnen worden uitgesproken ter zake van het in 3.2.1 eerstbedoelde feit, maar zulks wordt belet door de omstandigheid dat het Verdrag is gesloten nadat uitdrukkelijk tussen de verdragsluitende partijen was vastgesteld dat ter zake van dergelijke feiten door Nederland niet zou worden uitgeleverd. Dit komt tot uiting in de onder 6.3 van de uitspraak van 1 juli 1986 bedoelde briefwisseling, waarin staat dat de Nederlandse regering ernstig zal overwegen of feiten als het onderhavige, ‘voor welke thans geene uitlevering kan worden toegestaan, daarvoor vatbaar kunnen worden gemaakt en dat — wanneer onze uitleveringswet in dien zin mocht zijn veranderd — er bij de Nederlandsche Regeering wel geen bezwaar zal bestaan om een additioneel verdrag in bedoelden geest met Groot-Brittannie te sluiten’, en dat het Verenigd Koninkrijk zich bij deze opvatting heeft neergelegd, terwijl een additioneel verdrag niet tot stand is gekomen.” [34]
104. Uit de notawisseling, waaronder het geciteerde deel van de nota van 21 maart 1898, in combinatie met deze arresten van de Hoge Raad, leiden de stellers van het middel af dat het Uitleveringsverdrag NL-VK “geen ruimte bood voor uitlevering van feiten waarvan ongewis was of ze ooit (door Nederland) strafbaar zouden worden gesteld en, zo ja, of daar dan ook uitlevering voor mogelijk zou kunnen zijn.” Wat geldt voor het veroorzaken van een explosie geldt eveneens voor de feiten 2, witwassen, en 3, 4 en 5, overtreding van art. 1:74 Wft Pro, omdat voor deze feiten geen uitlevering mogelijk was in 1898, en – sterker nog, aldus de stellers van het middel – deze feiten nog niet eens strafbaar waren op dat moment, zodat het Uitleveringsverdrag NL-VK geen betrekking kan hebben op deze feiten.
105. De uitleg die de stellers eraan geven, berust op een verkeerde lezing van de arresten. De beperkte uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het Uitleveringsverdrag NL-VK heeft uitsluitend betrekking op de vraag of het verdrag een grondslag kan bieden voor de uitlevering wegens het “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing”. De Hoge Raad heeft overwogen dat het verdrag daarvoor geen grondslag kan bieden in het licht van de briefwisseling die specifiek betrekking heeft op zogenoemde “dynamietmisdrijven”. De briefwisseling heeft geen betrekking op andere misdrijven. De Hoge Raad overwoog dat “uitdrukkelijk tussen de verdragsluitende partijen was vastgesteld dat ter zake van dergelijke feiten door Nederland niet zou worden uitgeleverd” waarmee werd gedoeld op dynamietmisdrijven en niet op andere misdrijven die destijds niet in Nederland strafbaar waren of om andere redenen niet tot uitlevering zouden kunnen leiden.
106. In de uitleg die de stellers van het middel geven aan art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK zou deze “restgrondslag” geen zelfstandige betekenis hebben naast art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK. Een dergelijke uitleg is in strijd met de tekst van art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK waarin wordt verwezen naar uitleveringsverzoeken die in de toekomst, ná het in werking treden van het verdrag, zullen volgen terwijl ook met de wetten “op dat moment van kracht” naar de toekomst wordt verwezen en dus geen status quo wordt gecreëerd.
107. Beide arresten van de Hoge Raad van 21 oktober 1986 bevestigen bovendien dat de overwegingen waarop de stellers van het middel zich beroepen, uitsluitend betrekking hebben op art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK als grondslag voor de uitlevering wegens het “opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing”. De Hoge Raad verklaart namelijk de uitlevering ter vervolging van zowel Kelly als McFarlane toelaatbaar wegens feiten die naar Nederlands recht enkelvoudige mishandeling en vrijheidsberoving opleveren, terwijl de daarmee corresponderende misdrijven, art. 300 en Pro 282 Sr, niet zijn opgesomd in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK en ook niet in art. 2 van Pro de Wet van 6 april 1875 tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten. [35]
108. Nadien heeft de Hoge Raad in een arrest deze restgrondslag ook geaccepteerd als grondslag voor de uitlevering ter vervolging aan het Verenigd Koninkrijk wegens het opzettelijk aanwezig hebben van hashish, een feit dat in 1898 in Nederland niet strafbaar was en – wat niet zal verbazen – niet was opgenomen in art. 2 van Pro de hierboven genoemde Wet van 6 april 1875. In één van de middelen werd met een beroep op de arresten in de zaken Kelly & McFarlane aangevoerd dat niet kon worden uitgeleverd omdat de diverse overtredingen van de Britse wetgeving inzake verdovende middelen niet worden vermeld in art. II, eerste alinea, Uitleveringsverdrag 1898. De Hoge Raad verwierp het middel onder verwijzing naar de “de gronden als uiteengezet in de conclusie van het OM” waarin A-G Meijers had opgemerkt dat het middel niet tot cassatie kan leiden “omdat de omstandigheid die in de door de steller van het middel genoemde arresten naar het oordeel van de HR aan een toelaatbaarverklaring in de weg stond, zich in deze zaak niet voordoet.” [36] Met dezelfde opmerking kan ook de eerste klacht worden afgedaan.
109. De klacht faalt in alle onderdelen.
110. Over de tweede klacht kan ik kort zijn. Het klaagt namelijk over het oordeel van de rechtbank dat door Bermuda toestemming kon worden verleend om uitlevering toe te staan ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5. De vraag of door Bermuda toestemming kon worden verleend om uitlevering toe te staan ten aanzien van deze feiten staat niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter: die moet erop vertrouwen dat het uitleveringsverzoek voldoet aan de eisen die het recht van de verzoekende Staat eraan stelt. Ik herhaal hier dat het uitleveringsverzoek is ondertekend door de gouverneur en opperbevelhebber van Bermuda. De rechtbank heeft zich terecht niet uitgelaten over de uitleg van het recht van Bermuda en als de rechtbank die vraag had beantwoord dan volgt uit art. 79, eerste lid, aanhef en onder b, RO een in cassatie vrijwel onneembare horde. [37]
110. De klacht faalt.
112. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het vijfde middel: de strafbaarheid naar Nederlands recht van feit 2

113. Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat feit 2 naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd als overtreding van art. 420bis Sr (witwassen) en is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De stellers van het middel voeren aan dat “het (impliciete) oordeel van de Rechtbank dat de kwalificatieuitsluitingsgrond zich niet voordoet onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd” is. Dat de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is, zou blijken uit de door de verzoekende Staat overgelegde tekst van art. 43, eerste lid, onder e, van de Proceeds of Crime Act 1997, dat betrekking heeft op het uit Bermuda verwijderen van criminele gelden. Hieruit leiden de stellers van het middel af dat de opgeëiste persoon niet wordt verweten dat hij die gelden heeft verborgen, verhuld, omgezet of overgedragen, waarop art. 43, eerste lid, onder a, b, c en d, van voornoemde wet betrekking zouden hebben. Uit de uiteenzetting van de feiten zou “niet meer” blijken dan dat geldbedragen zijn overgemaakt naar andere bankrekeningen, terwijl de opgeëiste persoon daar nog steeds over kon beschikken. “Hoe dit meer oplevert dan ‘voorhanden hebben’ is, zonder nadere motivering die ontbreekt en [in] het licht van het aan [de opgeëiste persoon] gemaakte verwijt (‘verwijderen’ van criminele eigendommen), niet begrijpelijk”, aldus de stellers van het middel.
114. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangevoerd dat voor feit 2 niet is voldaan aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid, zoals die wordt vereist in art. II, vierde alinea, Uitleveringsverdrag NL-VK jo. art. 5 UW Pro. De ter zitting overgelegde pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“7. Wat overigens meer subsidiair opvalt aan de Bermudese verdenking van witwassen is dat het ziet op overboekingen waarmee geld buiten het bereik van Bermuda gebracht wordt. De verdenking luidt als volgt: crimineel eigendom verwijderen van de eilanden van Bermuda, namelijk kredietsaldi die fondsen vertegenwoordigen die in [A] zijn geïnvesteerd in het kader van frauduleuze stimuli om daarin te investeren.
8. Het Nederlandse equivalent van de verdenking lijkt artikel 420 bis Pro Sr te zijn.
[volgt de tekst van art. 420bis Sr]
9. Het verwijderen van geld uit het ene land naar het andere land valt in Nederland niet per se onder de verdenking witwassen. Voor strafbaarheid is vereist dat er sprake is van verhullen, verbergen en wetenschap dat het voorwerp of geld van misdrijf afkomstig is. Dat hiervan geen sprake is zal onder het onschuldverweer hierna aan de orde komen. Van belang is dat het geld niet afkomstig is van misdrijf maar uit gedocumenteerde betalingen en investeringen. Maar belangrijker nog, er is geen sprake van verhullen of verbergen. In het verzoek tot uitlevering wordt enkel beschreven via welke bankrekeningen het geld wordt overgeboekt, enige verhullingshandeling staat daar niet in en lijkt cliënt ook niet verweten te worden. Dat hoeft wellicht ook niet, omdat dat niet in de Bermudese verdenking cq wet staat, maar de Bermudese verdenking onder feit 2 is derhalve niet gelijk te scharen met een witwasverdenking conform artikel 420bis Sr waardoor de uitlevering wegens witwassen ontoelaatbaar moet worden verklaard.”
115. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“In het geval van witwassen wordt voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 5 Uw Pro, waarbij de rechtbank ook in dit verband aansluiting zoekt bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over dubbele strafbaarheid, waaruit volgt dat bij beoordeling hiervan de strafbaarheid van de gedraging zoals omschreven in de ‘uiteenzetting der feiten’ beslissend is en dat niet is vereist is dat de delictsomschrijvingen uit beide staten elkaar precies dekken, zolang ze maar in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen. In het licht van het vorenstaande wordt ook het verweer dat het overboeken van geldbedragen niet kan leiden tot een witwasverdenking, verworpen. In artikel 420bis Sr zijn twee witwasvarianten strafbaar gesteld. Bij de A-variant is een verbergings- of verhullingshandeling vereist. Bij de B-variant is het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruikmaken van een van misdrijf afkomstig voorwerp strafbaar gesteld. Onder de B-variant is een verdenking van witwassen mogelijk in geval van het wegsluizen van door oplichting verkregen gelden. Er wordt dan ook in dit geval voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid.”
116. Uit de uiteenzetting van de feiten vloeit rechtstreeks voort dat de gelden die uit Bermuda zouden zijn verwijderd, afkomstig zijn uit eigen misdrijf, te weten de oplichting van beleggers in (lijfrente)producten van [A] waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon eveneens is verzocht en door de rechtbank toelaatbaar is verklaard. De rechtbank heeft het overmaken van de geldbedragen aangemerkt als “het wegsluizen van door oplichting verkregen gelden” en als de zogenoemde “B-variant” van witwassen. Daaruit kan worden afgeleid dat naar het oordeel van de rechtbank de opgeëiste persoon die geldbedragen niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen. [38] Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Uit de uiteenzetting van de feiten kan immers worden opgemaakt dat de gelden zijn overgemaakt naar een bankrekening die op naam van [A] is aangehouden bij Bank Julius Baer in Zwitserland, en vervolgens naar een gelieerde onderneming in het VK. Dat zijn gedragingen die kunnen worden aangemerkt als ook (kennelijk) gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld. [39] Hieraan doet niet af dat de opgeëiste persoon de uiteindelijke begunstigde is van die bankrekeningen – zoals de raadsvrouwe heeft aangevoerd – omdat de bankrekeningen niet op zijn naam staan. Het feit dat de bankrekeningen niet op naam van de verdachte staan maar hij daarvan wél de uiteindelijke begunstigde is, wijst er juist op dat de gelden naar die bankrekeningen zijn overgemaakt om de criminele herkomst te verhullen.
117. Het middel faalt.
Het zesde middel: de strafbaarheid naar Nederlands recht van de feiten 3, 4 en 5
118. Het zesde middel bevat twee klachten, waarvan de eerste inhoudt dat het oordeel van de rechtbank “dat de feiten 3-5 naar Nederlands recht kunnen worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 1:74 Wft Pro en dus voldaan is aan de eis van artikel II, laatste paragraaf Uitleveringsverdrag 1898
jo.artikel 5 Uw Pro van een onjuiste rechtsopvatting [getuigt], althans [dat] dat oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd” is. Naast deze meer algemene klacht richt de tweede klacht zich in het bijzonder tegen de strafbaarheid naar Nederlands recht van het verwijt dat de opgeëiste persoon “roekeloos informatie heeft verstrekt die onjuist misleidend is in een bepaald materieel”.
119. Ik begin met de tweede klacht omdat ik daarover kort kan zijn. De klacht berust namelijk op een verkeerde lezing van de uitspraak van de rechtbank. Het verwijt dat de opgeëiste persoon “roekeloos informatie heeft verstrekt die onjuist misleidend is in een bepaald materieel”, is opgenomen in de Eerste beëdigde verklaring van [betrokkene 6] onder het opschrift “DE AANKLACHT” onder nummer 23, terwijl de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor de feiten zoals die in dezelfde verklaring uiteen zijn gezet onder het opschrift “DE BESCHULDIGINGEN” nummer 22. Bij het onderscheid tussen beide onderdelen heb ik hierboven bij de randnummer 37 tot en met 39 stilgestaan.
120. De eerste klacht is wél gegrond, maar ik merk meteen op dat dit niet tot cassatie kan leiden.
121. Ter zitting van de rechtbank heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de uitlevering voor wat betreft de feiten 3, 4 en 5 ontoelaatbaar is omdat niet wordt voldaan aan de vereiste gekwalificeerde strafbaarheid naar Nederlands recht. De pleitnota houdt hierover het volgende in:
“Voor de feiten 3 tot en met 5 is eveneens de uitlevering ontoelaatbaar, omdat dit geen feiten zijn waarvoor uitlevering mogelijk is. Het Nederlandse equivalent is opgenomen in artikel 184 Sr Pro – het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast – waarop een gevangenisstraf van 3 maanden maximaal staat. Althans valt het verkeerde informatie verzenden van de Bermuda Monetary Authority Act van 1969 in Nederland onder de WWFT [ik lees: Wft, DP]. Verkeerde informatieverstrekking aan de toezichthouder wordt in Nederland gesanctioneerd met een bestuurlijke boete. Voor deze feiten geldt derhalve dat artikel 5 lid 1 UW Pro in de weg staat aan uitlevering. Uitlevering kan immers alleen worden toegestaan ten behoeve van een feit waarvoor zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland een vrijheidsstraf van een jaar of langer kan worden opgelegd. Dat is niet het geval.”
122. De rechtbank heeft het verweer van de raadsvrouwe verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“Daarnaast is de rechtbank ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 van oordeel dat voor wat betreft het te beschermen rechtsgoed voldoende overeenkomst bestaat met de in Nederland strafbaar gestelde overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachten artikel 1:74, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, welke overtredingen, indien opzettelijk begaan, op grond van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten kunnen worden gekwalificeerd als een economisch misdrijf, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren kan worden opgelegd. Dat dit soort strafbare feiten in de praktijk doorgaans bestuursrechtelijk worden afgedaan met een boete, staat niet aan de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving in de weg, zodat het verweer wordt verworpen.”
123. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 1:74, eerste lid, Wet op het financieel toezicht:
“De toezichthouder kan ten behoeve van de uitoefening van een taak ingevolge deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.”
- Art. 1, aanhef en onder 2°, Wet op de economische delicten (hierna: WED):
“Economische delicten zijn:
2° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
[…]
de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 1:74, eerste lid, [….].
- art. 2, eerste lid, WED:
“1. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”
- art. 6, eerste lid, WED - voor zover hier relevant -:
“Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1
°in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;
3° indien hij van het plegen van het misdrijf als bedoeld onder 2° een gewoonte heeft gemaakt, met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
[…].”
- art. 225, eerste en tweede lid, Sr:
“1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”
124. Op basis van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, stuurt het openbaar ministerie van Bermuda blijkens de overgelegde stukken aan op een aanklacht met onder 3, 4 en 5 de volgende feiten:
“Feit 3:
Op de 27e dag van juli 2018, op de eilanden van Bermuda, betrokken was bij de verstrekking van informatie aan de Bermuda Monetaire Autoriteit (‘BMA’), die zij had geëist op grond van haar taken t.a.v. het toezicht op een financiële instelling, wetende dat het misleidend is in een materieel bijzonder, of roekeloos zulke informatie heeft verstrekt, die beweerde dat [A] een kredietlijn had die in overeenstemming was met de voorwaarden van een verbintenis om hetzelfde te verkrijgen dat op 24 januari 2018 aan de BMA werd gegeven, terwijl dat niet het geval was.
In strijd met artikel 33, lid 1, onder b van de Bermuda Monetary Authority Act 1969
Feit 4:
Op de 17e dag van augustus 2018, op de eilanden van Bermuda, betrokken was bij de verstrekking van informatie aan de Bermuda Monetaire Autoriteit (‘BMA’), die zij had geëist op grond van haar taken t.a.v. het toezicht op een financiële instelling, wetende dat het misleidend is in een materieel bijzonder, of roekeloos zulke informatie heeft verstrekt, die beweerde dat [A] een kredietlijn had die in overeenstemming was met de voorwaarden van een verbintenis om hetzelfde te verkrijgen dat op 24 januari 2018 aan de BMA werd gegeven, terwijl dat niet het geval was.
In strijd met artikel 33, lid 1, onder b van de Bermuda Monetary Authority Act 1969
Feit 5:
Op de 15e dag van mei 2018, op de eilanden van Bermuda, betrokken was bij de verstrekking van informatie aan de Bermuda Monetaire Autoriteit (‘BMA’), die zij had geëist op grond van haar taken t.a.v. het toezicht op een financiële instelling, wetende dat het misleidend is in een materieel bijzonder, of roekeloos zulke informatie heeft verstrekt, die beweerde dat [A] een kredietlijn had die in overeenstemming was met de voorwaarden van een verbintenis om hetzelfde te verkrijgen dat op 24 januari 2018 aan de BMA werd gegeven, terwijl dat niet het geval was.
In strijd met artikel 33, lid 1, onder b van de Bermuda Monetary Authority Act 1969”.
125. Bij de door de verzoekende Staat overgelegde wetsbepalingen bevindt zich een afschrift van de tekst van Section 33 (1) Bermuda Monetary Authority Act 1969 met de volgende inhoud:

Transmitting false information33 (1) Where the Authority requires information –
(a) in the discharge of its functions under section 21 (l)(a); or
(b) in the discharge of its functions under section21(l)(d) or its functions relating to the supervision, regulation or inspection of a financial institution under this Act, then a person commits an offence if he furnishes or is concerned with furnishing any information to the Authority knowing the same to be false or misleading in a material particular or recklessly furnishes information which is false or misleading in a material particular.”
126. De aanklachten komen er kort gezegd op neer dat de opgeëiste persoon achtereenvolgens op 27 juli 2018 (feit 3), 17 augustus 2018 (feit 4) en 15 mei 2018 (feit 5) betrokken was bij de verstrekking van valse informatie aan de Bermuda Monetary Authority (BMA) door middel van e-mails en daaraan gehechte bestanden. Die informatie kwam er op neer dat [A] een kredietlijn had met Bank Julius Baer, hetgeen in strijd was met de waarheid omdat die kredietlijn niet bestond.
127. De stellers van het middel voeren mijns inziens terecht aan dat art. 1:74 Wft Pro jo. art. 1, 2 en 6 WED strafbaar stelt het niet nakomen van de verplichting tot het verstrekken van gevorderde inlichtingen aan de toezichthouder, terwijl de kern van het verwijt dat aan de opgeëiste persoon wordt gemaakt niet zozeer is dat hij geen inlichtingen heeft verstrekt, maar dat de verstrekte inlichtingen onjuist zijn. Voor zover het oordeel van de rechtbank inhoudt, dat de feiten 3, 4 en 5 waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht telkens strafbaar zijn als overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 1:74, eerste lid, Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij de artikelen 1, 2 en 6 WED, geeft het daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden.
128. Uit de uiteenzetting van de feiten, waarvan ik het relevante deel hierboven bij randnummer 19 heb weergegeven, en waarvan ik de essentie zojuist heb samengevat, valt in het licht van de door de verzoekende Staat overgelegde wetsbepaling op te maken dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij op verschillende data misleidende informatie heeft verstrekt of heeft laten verstrekken aan de BMA, terwijl hij wist dat die informatie misleidend was en dat die informatie was gevraagd door de BMA in het kader van de uitvoering van haar toezichthoudende taak. Deze feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld als valsheid in geschrift, waarmee is voldaan aan de vereiste gekwalificeerde strafbaarheid nu daarop een gevangenisstraf is gesteld voor de duur van zes jaren. De rechtbank heeft verzuimd art. 225 Sr Pro te vermelden als toepasselijke wetsbepaling. De Hoge Raad kan dit verzuim herstellen en doen wat de rechtbank had moeten doen.
129. De klacht is gegrond maar kan niet tot cassatie leiden.

Slotsom

130. De middelen falen en kunnen met uitzondering van de derde klacht van het tweede middel, het vierde en het zesde middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
131. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
132. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover art. 1:74 Wet Pro op het financieel toezicht is vermeld als toepasselijke wetsbepaling en het hierna te noemen artikel niet is vermeld als toepasselijke wetsbepaling, art. 225 Sr Pro te vermelden als toepasselijke wetsbepaling, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Vgl. art. 4.3.9.2 Procesreglement Hoge Raad.
3.Vgl. K. Lenaerts & P. Van Nuffel,
6.’s-Gravenhage
10.Vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440,
11.Vgl. J. Remmelink,
12.HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1764,
13.HR 14 december 2004 ECLI:NL:HR:2004:AR5747, r.o. 3.2: “In het middel wordt er aan voorbijgezien dat de uitleveringsrechter niet verplicht is in geval van toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering in de bestreden uitspraak de kwalificatie naar – in dit geval – het strafrecht van de Nederlandse Antillen op te nemen. Voldoende is dat de toepasselijke wetsbepalingen worden vermeld.”
14.Vgl.
16.De aanklacht voor de feiten 3, 4 en 5 heb ik weergegeven bij de bespreking van het zesde middel bij randnummer 124.
17.Wat aansluit bij de bijzondere bewijskracht die in art. 344 lid 2 Sv Pro wordt toegekend aan een door een (Nederlandse) officier van justitie opgemaakt proces-verbaal.
18.Art. 4.3.6.3 Procesreglement Hoge Raad. Vgl. HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4245,
19.Vandaag de dag begrijpelijk want (a) PDF betekent Portable
20.HR 18 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD7430 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),
22.HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949,
23.Vgl. HR 20 juni 1968,
24.Supreme Court 12 februari 2020, par. 82 “there may have been confusion as to the terminology as to what exactly the BMA required i.e. a line of credit, a credit line, or a credit facility”.
25.Met een beroep op HR 21 december 1973, nr. 67142,
26.Zie nader de bespreking van het zesde middel.
27.HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH8601, r.o. 3.4.2. HR 28 juni 1977,
31.A.H.J. Swart werpt de suggestie op dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering als zo een additioneel verdrag zou kunnen worden aangemerkt, in zijn noot sub 1 bij het verderop te bespreken
33.HR 1 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7438,
34.HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7440,
35.HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD7440,
36.HR 6 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD7443,
37.Vgl. A.J.A. van Dorst,
38.Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001,
39.Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5557,