Uitspraak
21 oktober 1986.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van het Verenigd Koninkrijk aan Nederland voor een persoon die wordt verdacht van ernstige misdrijven, waaronder twee aanslagen en een gewelddadige uitbraak uit de gevangenis door IRA-leden. De Hoge Raad beoordeelt de toelaatbaarheid van de uitlevering op grond van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk uit 1898 en de Nederlandse uitleveringswet.
De Hoge Raad verklaart dat uitlevering niet mogelijk is voor het teweegbrengen van ontploffing en samenzwering daartoe, omdat deze feiten niet onder het verdrag vallen en Nederland expliciet geen uitlevering voor deze feiten toestaat. Voor andere feiten, zoals poging tot moord, zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, is voldoende bewijs geleverd en kunnen deze niet als politieke delicten worden aangemerkt, waardoor uitlevering hiervoor toelaatbaar is.
Klachten over mogelijke onmenselijke behandeling en schending van het recht op een eerlijk proces (art. 3 en Pro 6 EVRM) kunnen niet door de Nederlandse rechter worden beoordeeld omdat het Verenigd Koninkrijk partij is bij het EVRM en individueel klachtrecht erkent. De Hoge Raad besluit ook over de afgifte van inbeslaggenomen voorwerpen, waarbij slechts een deel wordt toegestaan.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van uitleveringsregels, de toetsing aan politieke delicten en mensenrechten, en de zorgvuldige afweging van bewijs en rechtsbescherming.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart gedeeltelijk toelaatbaar de uitlevering voor poging tot moord, zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving en wijst overige uitleveringsverzoeken af.