ECLI:NL:HR:2003:AH8601
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering Nederland aan België wegens witwassen onder toepassing EVRM
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een Nederlandse staatsburger aan België wegens betrokkenheid bij een grootscheepse witwasoperatie. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch had de uitlevering eerst ontoelaatbaar verklaard, omdat de strafbaarstelling van witwassen in Nederland pas na de gepleegde feiten was ingevoerd, waardoor het legaliteitsbeginsel zou worden geschonden. Tevens werd het verweer gevoerd dat uitlevering zou leiden tot schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn volgens het EVRM.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat bij de beoordeling van dubbele strafbaarheid moet worden uitgegaan van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Ook werd overwogen dat het vertrouwen in de verzoekende staat en de mogelijkheid tot rechtsmiddelen na uitlevering het redelijke termijn-verweer onvoldoende onderbouwd maakten. De Hoge Raad stelde dat de uitlevering toelaatbaar is onder de toepasselijke verdragsbepalingen.
De zaak illustreert de toepassing van internationale verdragen en het EVRM bij uitleveringsverzoeken, waarbij het legaliteitsbeginsel en het recht op een eerlijk proces centraal staan. Het arrest benadrukt dat de uitleveringsrechter niet mag vooruitlopen op de beoordeling van de exequaturrechter omtrent de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de Nederlandse staatsburger aan België toelaatbaar voor strafvervolging wegens witwassen.