Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
het ongeval). Door dit ongeval heeft [eiser] lichamelijk letsel opgelopen.
de rechtsbijstandverzekering).
de polisvoorwaarden). De SVI betreft een zogenoemde
no fault (first party)verzekering.
Artikel 5 – Schadevaststelling / Beperking van de uitkeringen
de Goudse). De Goudse heeft zich als WAM-verzekeraar op het standpunt gesteld dat [eiser] eigen schuld heeft aan het ongeval en dat zij op grond van art. 6:96 in Pro verbinding met art. 6:101 BW Pro slechts gehouden is 50% van zijn schade te vergoeden. Dat geldt volgens haar ook voor de kosten van rechtsbijstand. De Goudse heeft aan [eiser] een algemeen voorschot op de buitengerechtelijke kosten voldaan van (in totaal) € 8.000,00.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
kunnenmaken (zie rov. 3.14). Het hof is echter met NH1816 van oordeel dat art. 5 lid 3 van Pro de polisvoorwaarden ertoe strekt geen uitkering te doen als uit anderen hoofde aanspraak bestaat op vergoeding:
Niet terugkomen van bindende eindbeslissingen
redelijke kosten ter vaststelling van schadeonder de reikwijdte van art. 7:959 lid 1 BW Pro vallen. In het tussenarrest is geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt. In deze zaak kan daarom niet worden vastgesteld dat art. 5 lid 3 van Pro de polisvoorwaarden een (concrete) beperking oplevert van wat uit art. 7:959 lid 1 BW Pro voortvloeit. Daarom falen de grieven I en II van [eiser] . Hieraan doet niet af dat [eiser] (ook) verklaringen voor recht vordert. Die vorderingen zijn onvoldoende onderbouwd en daarom niet toewijsbaar.”
4.Juridisch kader art. 7:959 lid 1 BW Pro
naast en eventueel bovende vergoeding van de verzekerde waarde regelt) en ook in de rechtspraak en literatuur vond ik geen aanwijzingen voor de beperkte lezing.
Art. 7:959 lid 1 BW Pro voorziet dus in een uitbreiding van de verzekeringsdekking van rechtswege, waarmee de wetgever heeft willen aansluiten bij de praktijk: niet alleen de schade, maar ook de redelijke kosten die de verzekerde moet maken om de hoogte van de schade vast te stellen, komen voor vergoeding in aanmerking. Daarmee doet art. 7:959 lid 1 BW Pro voor het verzekeringsrecht wat art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder a en b, BW doet voor het schadevergoedingsrecht; aldaar is bepaald dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade en redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
“zo volledig mogelijk schadeloos”worden gesteld. De verzekeraar pleegt de door de verzekerde gemaakte expertisekosten te
“vergoeden”. (…)”
“4.3 (…) Anders dan [eiser] stelt, houdt dit artikel [artikel 5.3 van de polisvoorwaarden, A-G] namelijk geen beperking in van artikel 7:959 lid 1 BW Pro (en is dit artikel 5.3 dus ook niet in strijd met dwingend recht). Artikel 5.3 sluit de vergoeding van redelijke kosten gemaakt tot het vaststellen van de schade immers niet uit en artikel 5.3 regelt ook niets over de hoogte daarvan. Artikel 5.3 regelt alleen dat als er een vergoeding, uitkering of verstrekking uit andere hoofde bij de verzekeraar geldt, er dan geen kosten onder de SVI kunnen worden geclaimd. (…) ”De achtergrond van deze overweging lijkt mij te zijn dat in het geval van een “na-u-clausule” altijd één van de betrokken verzekeraars dekking zal moeten verlenen.
redelijkekosten, gemaakt tot het vaststellen van de schade, ten laste van de verzekeraar komen. Die redelijkheidstoets zou niet nodig zijn indien het uitsluitend zou gaan om kosten die de verzekeraar zelf maakt. [15]
redelijkekosten. Van een verzekeraar wordt evenwel wel het een en ander verwacht bij zijn betwisting. Zie bijvoorbeeld r.o. 4.3 van GC Kifid 2017-014: “Verzekeraar heeft gesteld dat hij de extra kosten van [€] 351,11 onredelijk acht en stelt bovendien dat de schadevaststelling van de door hem ingeschakelde expert nauwelijks verschilt van de schadevaststelling door de contra-expert. De Commissie stelt vast dat het enkel stellen van de onredelijkheid van het uurtarief en het wijzen op het geringe verschil in werkzaamheden onvoldoende is om aannemelijk te maken dat geen sprake is van redelijke kosten in de zin van artikel 7:959 lid 1 BW Pro.””
tenzijkomt vast te staan dat deze niet redelijk zijn. Dat betekent dus dat vergoeding ook mogelijk is als de contra-expert van de verzekerde niet tot een ander bedrag komt dan de expert van de verzekeraar. Het enkele feit dat beide expertises tot hetzelfde bedrag hebben geleid maakt niet dat de kosten van de contra-expertise niet redelijk zijn.
alleenin aanmerking komen voor vergoeding door de verzekeraar indien is komen vast te staan dat de verzekeraar wanprestatie heeft gepleegd door onterecht dekking te weigeren en dat de verzekerde om dit aan te tonen onderhavige expertisekosten heeft moeten maken.”
5.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen) 1.1 tot en met 1.5.
first partyverzekering, zoals hier de SVI. Aangevoerd wordt dat de aansprakelijkheidsvraag dan niet aan de orde komt en dat de werkzaamheden dus zien op het vaststellen van de schade, [24] hetgeen ook een feit van algemene bekendheid zou zijn. [25]
first partyverzekering leidt er niet zonder meer toe dat de advocaatkosten zijn aan te merken als redelijke kosten tot het vaststellen van de schade in de zin van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Die kosten kunnen ook in deze situatie in ander verband zijn gemaakt, zoals in het kader van de vraag of het voorval is gedekt en in hoeverre de verzekerde recht heeft op uitkering.
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 3.10 te oordelen dat het bij de kosten tot het vaststellen van de schade als bedoeld in art. 7:959 lid 1 BW Pro alleen gaat om de zogenoemde “expertisekosten”. Betoogd wordt dat ook advocaatkosten kunnen kwalificeren als kosten tot het vaststellen van de schade in de zin van art. 7:959 lid 1 BW Pro. Volgens het subonderdeel is het regime van art. 7:959 lid 1 BW Pro niet anders dan het regime van art. 6:96 lid Pro 2, aanhef en sub b BW, waaronder zowel de expertisekosten als de kosten van juridisch advies vallen, zeker als dit advies ziet op de (omvang van de) verzekerde schade en het verzamelen van bewijs daaromtrent. [26]
subonderdeel 1.3is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.11 en 3.12 heeft geoordeeld dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Er zou voldoende naar voren zijn gebracht dat, en waarom, de werkzaamheden van mr. De Koning concreet zien op de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade als bedoeld in art. 7:959 lid 1 BW Pro. Daartoe wordt verwezen naar punten 17, 21, 22, 28, 29 en 30 van de memorie van grieven en naar punt 16 van de aantekeningen van mr. De Koning bij de mondelinge behandeling van 25 januari 2018. In dat licht zou eveneens onbegrijpelijk zijn dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] kosten heeft gemaakt als in art. 7:959 lid 1 BW Pro bedoeld, zoals het hof in rov. 3.12 heeft overwogen.
onderdeel Iin mijn visie alleen subonderdeel 1.3 (gedeeltelijk) doel treft. De andere klachten van het eerste onderdeel zijn naar mijn mening ongegrond.
subonderdeel 2.1heeft [eiser] erop gewezen dat de tekst van art. 5 lid 3 van Pro de polisvoorwaarden luidt: “
Als de verzekerde geheel of gedeeltelijk rechtheeft(…)”en niet
“Als de verzekerde geheel of gedeeltelijk rechtzou kunnen hebben(…)”(mvg 41) en heeft hij een beroep gedaan op de
contra proferentem-regel van art. 6:238 lid 2 BW Pro (mvg 43).
contra proferentem-regel geen andere uitleg toelaat dan dat [eiser] geen aanspraak had op vergoeding van de kosten van diens raadsman krachtens een andere verzekering of op uitkeringen dan wel verstrekkingen uit anderen hoofde. Het hof zou dit hebben miskend.
“Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237 [een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, A-G] moeten de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg.” [31] Dit artikel maakt deel uit van de afdeling over algemene voorwaarden. Onder algemene voorwaarden wordt verstaan: één of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (art. 6:231 sub a BW Pro).
contra proferentem. In de verhouding met een consument-verzekerde prevaleert op grond van art. 6:238 lid 2 BW Pro bij twijfel over de betekenis van het beding als regel de voor hem meest gunstige uitleg. [33] De uitleg
contra proferentemziet niet op polisvoorwaarden die eenduidig zijn, in die zin dat over de betekenis van de bepaling in redelijkheid geen twijfel kan bestaan. [34]
contra proferentemvan deze bepaling is (ook) om die reden niet aan de orde (zie onder 5.20 hiervoor).
subonderdeel 2.1faalt.
subonderdeel 2.3wordt naar voren gebracht dat [eiser] zich bovendien heeft beroepen op het bepaalde in art. 7:961 BW Pro. [36] Uit deze bepaling zou volgen dat [eiser] vrij was in de keuze om kosten te maken die hij op de SVI dan wel de rechtsbijstandverzekering kon verhalen en dat hij onder de SVI niet gedwongen kon worden deze kosten op de rechtsbijstandverzekering te verhalen. [37] Volgens het subonderdeel is de verwerping van dit betoog in rov. 3.20 van het tussenarrest onbegrijpelijk. Dat art. 7:961 BW Pro niet in art. 7:963 BW Pro wordt genoemd is, zo betoogt het subonderdeel, een ondeugdelijke en ontoereikende motivering om het beroep op art. 7:961 BW Pro te verwerpen. Die omstandigheid doet volgens het subonderdeel immers niet af aan het feit dat [eiser] een beroep toekomt op art. 7:961 BW Pro.
subonderdeel 2.3ongegrond is.
subonderdeel 2.4voert aan dat zich in deze zaak geen samenloop voordoet. Gesteld wordt dat, zoals [eiser] heeft betoogd, [40] van samenloop sprake is als meerdere schadeverzekeringen voor dezelfde verzekerde een in hetzelfde belang geleden schade dekken. Dat zou het geval zijn als [eiser] vergoeding had gevorderd van kosten die hij had gemaakt in verband met rechtsbijstand door of vanwege ARAG. Volgens het subonderdeel vordert [eiser] echter vergoeding van kosten die niet onder de rechtsbijstandverzekering vielen en waarvoor hij geen beroep kon doen op de rechtsbijstandverzekering.
subonderdeel 2.4evenmin gegrond acht.
“Kan verzekerde daarentegen, wegens aansprakelijkheid van een ander, rechten ontlenen aan een WAM-polis, dan kan hij nog wel een beroep doen op deze verzekering (…)”. Volgens het subonderdeel heeft het hof deze bepaling ten onrechte niet in zijn beoordeling betrokken en had het hof op die grond tot een andere beslissing moeten komen. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] in deze zaak wegens aansprakelijkheid van een ander, rechten kon ontlenen aan een WAM-polis (die van De Goudse), zodat hij wel een beroep kon doen op de bij NH1816 afgesloten
first partyverzekering (die dan weer regres op De Goudse zou kunnen zoeken, ook voor de door haar te vergoeden kosten van rechtsbijstand in de zin van art. 7:959 BW Pro). Daartoe wordt in het subonderdeel verwezen naar punt 15 van de aantekeningen van mr. De Koning bij de mondelinge behandeling van 25 januari 2018.
onderdeel IIin zijn geheel faalt.
subonderdelen) 2.1 t/m 2.11.
subonderdelen 2.1-2.3licht NH1816 toe tegen welke beslissing zij opkomt. Zij stelt het volgende. Het incidenteel cassatieberoep is gericht tegen rov. 3.11 van het tussenarrest. Daarin heeft het hof geoordeeld dat moet worden onderzocht of de gevorderde advocaatkosten van mr. De Koning onder de werking van art. 7:959 lid 1 BW Pro vallen. Vervolgens heeft het hof beoordeeld of de advocaatkosten door NH1816 dienen te worden gedragen als redelijke kosten tot het vaststellen van de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Daaruit blijkt dat het hof is uitgegaan van de rechtsopvatting dat, indien sprake zou zijn van redelijke kosten tot het vaststellen van de schade in de zin van art. 7:959 lid 1 BW Pro, deze kosten dwingendrechtelijk onder de dekking van de onderhavige SVI vallen, waarbij niet van belang is of deze kosten door de verzekeraar dan wel de verzekerde worden gemaakt.
subonderdelen 2.4-2.7in mijn optiek in die zin slagen.
subonderdelen 2.8 en 2.9gaat het hof er ten onrechte vanuit dat art. 7:959 lid 1 BW Pro (ook) betrekking zou hebben op de kosten die de verzekeringnemer/verzekerde maakt. Betoogd wordt dat uit de wetsgeschiedenis en de context van die bepaling blijkt dat alleen is gedoeld op de door de verzekeraar gemaakte kosten. Bij de totstandkoming van art. 7:959 lid 1 BW Pro zou door de wetgever namelijk (slechts) zijn opgemerkt dat de expertisekosten ook bij een te lage verzekering geheel ten laste van de verzekeraar komen aangezien deze kosten alleen met het oog op de verzekering worden gemaakt. De schadevaststelling wordt volgens NH1816 door de verzekeraar verricht en het zou daarom redelijk en reëel zijn dat de daaraan verbonden kosten voor rekening van de verzekeraar blijven. Uit het samenstel van art. 7:955 tot Pro en met 7:960 BW zou zijn af te leiden dat het niet nodig werd geacht om met betrekking tot de contra-expertise een wettelijke regeling te treffen. Het spiegelbeeld daarvan is dat het aan partijen is overgelaten om daarover (polis)afspraken te maken, aldus NH1816.