Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Finanzamt Moersaan Enki een aanslag overdrachtsbelasting (
Grunderwerbsteuer)opgelegd ten bedrage van € 944.192,-, ter zake van een (volgens Duits belastingrecht impliciete) overdracht op 24 juli 2012 van onder meer de onroerende zaak te Xanten. [1] Tussen partijen staat vast dat het in Duitsland gelegen vastgoed in eigendom toebehoorde aan [de bv] . en (dus) niet aan een Duitse vennootschap.
Übertragung von Gesellschaftsanteilen, Verlustabzug”.
BMF-Schreiben v. 04.07.2008 Tz. 114) indien er sprake is van een "unentgeltlichen vorweggenommen Erbfolge" (een schenking vooruitlopend op de erfenis). Vorenstaande dient juridisch vastgelegd te worden. Wij willen jullie vriendelijk verzoeken of jullie contact willen opnemen met jullie Duitse belastingadviseur om te vragen of hij zich kan vinden met de stelling/antwoord van [de deskundige] .”
BMF-Schreiben v. 04.07.2008 Tz. 114) indien er sprake is van een "unentgeltlichen vorweggenommen Erbfolge"(een schenking vooruitlopend op de erfenis). Ook heeft [belastingadviseur 3] aangegeven dat vorenstaande juridisch goed vastgelegd moet worden.
/ [belastingadviseur 3] pakken dit met een Duitse notaris op.
pakken dit op.”
Grunderwerbsteuer(zie rov. 4.1).
toerekenbare tekortkoming en eigen of mede- schuld?
By the way, er is ook nog sprake van Duits vastgoed en daar moet wellicht ook schenkbelasting over worden betaald”), wat Enki overigens bestrijdt. Baker heeft terecht laten uitzoeken hoe het zat met de Duitse verliesverrekening en schenkbelasting, maar, onbegrijpelijk, in het verlengde daarvan nagelaten wat in deze context van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur mocht worden verwacht, namelijk de activa te onderzoeken, Enki er op te wijzen dat de aanwezigheid van Duits onroerend goed onder de voorgenomen herstructurering het risico van Grunderwerbsteuer meebracht en dat dit risico moest worden onderzocht door een Duitse fiscalist. Dit valt haar (…) als een toerekenbare tekortkoming van haar zorgplicht jegens Enki te verwijten, terwijl Enki op dit punt geen eigen schuld treft. De gevorderde verklaring voor recht is dus toewijsbaar.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Grunderwerbsteuerin verband met een (naar Duits recht in die aandelenoverdracht besloten liggende) overdracht van de in Duitsland gelegen onroerende zaken van [de bv] . [11] Het antwoord op deze vraag hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, aan de mate van waarschijnlijkheid dat dit risico zich zal realiseren en aan de mate waarin de opdrachtgever ervan blijk heeft gegeven zich van dat risico bewust te zijn. [12] Ook de aard van de adviesrelatie en de aard en omvang van de opdracht zijn in dit verband van belang. [13]
klacht onder I.1dient slechts als inleiding op de − in samenhang te beschouwen − subonderdelen I.2 tot en met I.6 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Nederlandsefiscale aspecten van de voorgenomen aandelenfusie en verhanging van aandelen. [15] Voor zover het hof van oordeel is dat de betwisting hiervan door Baker Tilly onvoldoende gemotiveerd was, acht zij ook dat oordeel onbegrijpelijk omdat niet valt in te zien wat Baker Tilly nog meer had moeten aanvoeren om de stellingen van Enki op dit punt voldoende gemotiveerd te betwisten: het hof is niet ingegaan op de argumenten van Baker Tilly.
productie HB1een e-mailbericht in het geding van de notaris, onder andere gericht aan [belastingadviseur 2] , waaruit blijkt dat BTB [= Baker Tilly, toevoeging A-G] de concept notariële akten heeft ontvangen. Als
productie HB2brengt EPR hierbij een e-mailbericht in het geding d.d. 5 juli 2012 van de notaris, waaruit blijkt dat de herziene versie van deze akten ook aan BTB is toegestuurd. De uiteindelijke akte, die heeft geleid tot de aanslag overdrachtsbelasting, dateert van 24 juli 2012. Volstrekt duidelijk is dat BTB volledig op de hoogte was van deze gang van zaken en hierin een coördinerende rol vervulde. Als
productie HB3brengt EPR hierbij een e-mailbericht van maandag 16 juli 2012 in het geding, afkomstig van [belastingadviseur 2] en gericht aan [junior] , waarin nota bene wordt vastgelegd dat [belastingadviseur 2] een afspraak zal plannen tussen [senior] (lees: [senior] ) en de Slowaakse notaris voor de aandelenfusie. Tevens geeft [belastingadviseur 2] in dit e-mailbericht aan dat “wij (lees BTB) nog willen wachten met het passeren van de schenkingsakte”. Overduidelijk blijkt uit deze berichten, dat de rol van BTB in dezen veel verder ging dan door de Rechtbank in eerste aanleg is vastgesteld. Op basis van deze stukken kan toch moeilijk worden geconcludeerd, dat BTB niet de leiding had in dezen? Alles verliep via BTB. Als
productie HB4brengt EPR nog een e-mailbericht in het geding van [belastingadviseur 2] aan de notaris in Nederland, waaruit de hiervoor beschreven coördinerende rol van BTB kan worden afgeleid. BTB had zelfs rechtstreeks contact met de notaris in Slowakije. Ook hieruit blijkt maar weer dat BTB overal de leiding in had.”
als zodanigniet bestreden in het cassatiemiddel. Het hof constateert dat Baker Tilly, mede bezien in het licht van deze feiten, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij het is geweest, die de aandelenfusie- en verhanging organiseerde en tot en met de notaris begeleidde. Het hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat – zeker nu een schriftelijke bevestiging van de opdracht ontbrak – Baker Tilly
in de optiek van Enkiwas aan te merken als “de daarvoor aanspreekbare eindverantwoordelijke opdrachtnemer voor het hele traject. Met ‘het hele traject’ is in de context kennelijk bedoeld: de (ook fiscaalrechtelijke) advisering over en begeleiding van de voorgenomen herstructurering gedurende het gehele traject tot de voltooiing van de nieuwe concernstructuur. Dat Baker Tilly door Enki niet slechts werd ingeschakeld voor één of meer losse, gedurende dat traject te nemen stappen heeft het hof afgeleid − en logisch kunnen afleiden − uit de vermelde vaststaande feiten. In dat verband heeft het hof mede betekenis toegekend aan de (in rov. 4.3.1 – 4.3.9 beschreven) feitelijke gang van zaken, toen het ging over het risico van ‘verdamping’ van verrekenbare verliezen. Daarbij heeft Baker Tilly, in de redenering van het hof, bij de uitvoering van haar opdracht coördinerende taken ten aanzien van de uit te brengen adviezen aan zich getrokken. Ook dat is niet onbegrijpelijk voor de lezer: aan rov. 4.3.7 − 4.3.8 gaat vooraf de opmerking van de zijde van Baker Tilly (geciteerd in rov. 4.3.6) dat hiermee de door haar aan Enki voorgestelde ‘route’ intact kan blijven.
Grunderwerbsteuerwel of niet daaronder begrepen?), heeft het hof de onduidelijkheid daaromtrent voor rekening van de opdrachtnemer gelaten. Daarbij overweegt het hof dat, hoewel dit van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur had mogen worden verwacht, in dit geval een duidelijke schriftelijke opdrachtbevestiging met begrenzing van de aan Baker Tilly opgedragen taak is uitgebleven, zodat bij Enki (de opdrachtgever) gemakkelijk een ruimer verwachtingspatroon kon worden gewekt.
op verzoek van Enkide vraag over verliesverrekening heeft voorgelegd aan de Duitse belastingadviseur [de deskundige] , nadat Baker Tilly aan Enki te kennen had gegeven dat zij zelf op dit punt onvoldoende bekend was met de Duitse belastingwetgeving. Het komt mij voor, dat dit argument het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk maakt. Overigens blijkt uit de aangehaalde passages niet anders dan dat Baker Tilly dit ‘verzoek’ van de opdrachtgever zonder voorbehoud heeft aanvaard. Ook indien het probleem (het risico dat fiscaal verrekenbare verliezen ‘verdampen’) is aangekaart van de zijde van de opdrachtgever, kan het heel wel gaan om een vraag van de cliënt aan de voor de advisering en begeleiding van het hele traject aangetrokken opdrachtnemer.
Grunderwerbsteuer) betrekking had op de (kern)vraag wie de verantwoordelijkheid droeg voor de Duitse fiscale aspecten van de herstructurering.
Grunderwerbsteuer), stuit de klacht bovendien af op hetgeen het hof heeft overwogen in de vierde alinea van rov. 4.4 (waarover middelonderdeel III).
ad hocbij de advisering betrokken was, is het hof niet zonder motivering aan dat standpunt voorbijgegaan. Integendeel, het hof heeft, mede voortbouwend op hetgeen in rov. 4.2 was overwogen, vastgesteld dat in dit geval geen sprake is van een
beperkteadviesopdracht, maar van een adviesopdracht die het hele traject van de herstructering omvatte. De redengeving behoefde geen verdere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Ook subonderdeel I.4 slaagt daarom niet.
ad hocen uit de feitelijke constellatie een opdracht met een beperkte strekking voortvloeide. [22]
ad hoc-basis zou zijn ingeschakeld voor bepaalde adviezen over Nederlandse fiscale vraagstukken die opkwamen bij de herstructurering. [26] Volgens de klacht is het hof ten onrechte niet ingegaan op deze stelling.
Grunderwerbsteuer)zou volgen
.Voor zover Baker Tilly zelf niet beschikte over de daarvoor benodigde kennis van Duits belastingrecht, had zij moeten adviseren dit risico te laten onderzoeken door een Duitse fiscalist. Dat heeft Baker Tilly wél gedaan met betrekking tot de kwestie van de verrekenbare verliezen in Duitsland, maar niet met betrekking tot een mogelijke heffing van
Grunderwerbsteuer. Dat valt volgens het hof onder de eindverantwoordelijkheid die Enki van deze opdrachtnemer mocht verwachten.
vierdealinea van rov. 4.4, waar het hof nader is ingegaan op de rol van [belastingadviseur 3] .
second opinionte geven op de visie van [de deskundige] (zie ook de alinea’s 1.10 en 1.11 hiervoor). Volgens het subonderdeel heeft Baker Tilly gesteld en onderbouwd dat de rol van [belastingadviseur 3] ontegenzeggelijk méér dan een second opinion omvatte. [28] Volgens de toelichting op deze klacht had het hof inzichtelijk moeten maken waarop zijn andersluidende oordeel berust.
second opinion, wat strookt met de in rov. 4.3 vastgestelde feiten. De taken van [belastingadviseur 3] zijn tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2020 uitgebreid aan de orde geweest. Daarbij heeft Enki blijkens haar pleitnotities naar voren gebracht:
subonderdeel II.4gericht tegen de vaststelling dat Baker Tilly zich Duitse fiscale aspecten van de herstructurering heeft aangetrokken en daarvoor oplossingen zocht. Volgens de klacht is deze vaststelling onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, voor zover het hof daaruit afleidt dat Baker Tilly daarvoor eindverantwoordelijk moet worden gehouden. Baker Tilly klaagt dat het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan haar stellingen waaruit het hof had moeten afleiden dat Baker Tilly Enki niet adviseerde over Duitse fiscale aspecten, maar juist erop heeft aangedrongen dat anderen, ter zake meer deskundig, dat zouden doen. [29]
Subonderdeel III.1is gericht tegen de tweede volzin van deze alinea (“Maar hier is [belastingadviseur 3] ” etc.). Deze motiveringsklacht bouwt voort op subonderdeel II.3 en behoeft na het voorgaande geen zelfstandige bespreking.
second opinion(rov. 4.3.4 − 4.3.6). Het hof heeft hieruit afgeleid dat aan Baker Tilly bekend was dat de
second opinionvan [belastingadviseur 3] specifiek betrekking had op mogelijke verdamping van verrekenbare verliezen (en, in verband met de overdracht van aandelen aan [junior] ) de mogelijke heffing van schenkbelasting. Uit de vaststelling in rov. 4.3.7 - 4.3.8 blijkt niet anders. Het hof heeft kunnen oordelen dat Baker Tilly op grond van deze gang van zaken niet ervan mocht uitgaan dat [belastingadviseur 3] (naast de twee zo-even vermelde vraagpunten) zich bezig hield met de advisering over de mogelijkheid van een aanslag
Grunderwerbsteuerals gevolg van de door Baker Tilly geadviseerde concernherstructurering.
Grunderwerbsteuer. Volgens Baker Tilly dient uitgangspunt te zijn dat juist [belastingadviseur 3] degene was die de aanwezigheid van dat risico heeft gemeld. [31] Volgens het subonderdeel heeft het hof deze stelling van Baker Tilly ten onrechte in het midden gelaten.
second opinionwas verzocht over een ander vraagstuk van Duits belastingrecht) spontaan Enki had moeten wijzen op de mogelijkheid dat als gevolg van de door Baker Tilly geadviseerde herstructurering een aanslag
Grunderwerbsteuerzou volgen. Integendeel, volgens het hof lag het juist op de weg van Baker Tilly (als adviseur en begeleider van de concernherstructurering) om na te gaan of er onder de
assetsvan de [Groep] ook vastgoed in het buitenland was en, zo ja, de eventuele fiscale consequenties daarvan te (laten) onderzoeken, hetzij op dat punt een voorbehoud te maken in de richting van Enki.
Grunderwerbsteuer. [38] In het licht van deze stellingen valt volgens de klacht zonder nadere motivering niet in te zien waarom het feit dat [belastingadviseur 3] de aanwezigheid van Duits vastgoed vermeldde, bij Enki het beeld zou wekken dat (niet [belastingadviseur 3] , maar) Baker Tilly de mogelijke Duitse fiscale consequenties in haar onderzoek zou betrekken.
De stelling onder (iv)verwijst naar een stappenplan van 27 september 2012 dat vermeldt dat de schenkbelasting in Duitsland een taak van [belastingadviseur 3] is. In dit verband wijs ik op rov. 4.3.9, waarin het hof overweegt dat wat na 24 juli 2012 tussen partijen is gecorrespondeerd geen ander licht op de zaak werpt, waarbij het hof verwijst naar de laatste vier
bullet pointsin de memorie van antwoord van Baker Tilly onder 3.39. Die verwijzing omvat het stappenplan van 27 september 2012. [39] Het hof is dus niet voorbijgegaan aan het argument dat Baker Tilly wil ontlenen aan de rol van [belastingadviseur 3] , omschreven in het stappenplan van 27 september 2012. Die rol van [belastingadviseur 3] had betrekking op het voorkómen van verdamping van verrekenbare verliezen (en eventuele schenkbelasting) als gevolg van de aandelenoverdracht; niet op het bedenken welke consequenties de Duitse fiscus nog méér zou kunnen verbinden aan de voorgenomen aandelenoverdracht (zoals in dit geval: het heffen van
Grunderwerbsteuer).
second opinionte geven over het advies van [de deskundige] over de te verrekenen verliezen.
bulletpointonder 3.39 in de memorie van antwoord. Uit rov. 4.3.9 van het arrest volgt dat het hof ook deze stelling in zijn oordeel heeft betrokken. De slotoverweging in rov. 4.4 dat bij Enki het beeld kon ontstaan dat Baker Tilly ook de Duitse fiscale gevolgen van de concernherstructurering in haar onderzoek zou betrekken, bouwt voort op rov. 4.2.
Grunderwerbsteueren van de vraag of zij die (contractuele) verplichting heeft geschonden. Ter toelichting voert Baker Tilly aan dat zij, als verweerder, niet de bewijslast draagt van de stellingen van Enki (die inhielden dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de opdracht). [40] Voor zover het hof in deze overweging bedoelt dat Baker Tilly specifiek had moeten aangeven dat zij een aanbod tot levering van
tegenbewijs deed, of bedoelt dat Baker Tilly nader had moeten aangeven ten aanzien waarvan zij tegenbewijs aanbiedt, is dat volgens de klacht rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk. [41] In (punt 13 van) de schriftelijke toelichting heeft Baker Tilly deze klacht nader toegelicht.
tegenbewijs gaat.
Grunderwerbsteuerwanneer de herstructurering van het concern op de voorgenomen wijze zou plaatsvinden. Daarvoor achtte het hof van belang dat het Baker Tilly is geweest die de aandelenfusie en -verhanging organiseerde en tot en met de notaris begeleidde. In rov. 4.4 is het hof kennelijk – en in overeenstemming met de hoofdregel in art. 150 Rv Pro – ervan uitgegaan dat de bewijslast ten aanzien van deze stelling bij Enki lag. Het hof overweegt immers dat Baker Tilly die stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarmee paste het hof de regel van art. 149 lid 1 Rv Pro toe en kwam het hof niet toe aan het geven van een bewijsopdracht, noch was er een noodzaak om Baker Tilly tot levering van tegenbewijs in staat te stellen. [44]