ECLI:NL:PHR:2011:BS8790
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst bij duurzame gemeenschappelijke huishouding na overlijden huurder
In deze zaak vorderde eiser voortzetting van een huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, omdat hij stelde een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren met de overleden huurder. Zowel de kantonrechter als het hof oordeelden dat eiser onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld om deze duurzame gemeenschappelijke huishouding aannemelijk te maken.
De Hoge Raad bevestigt dat het enkele feit van samenwonen onder één dak niet automatisch leidt tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De beoordeling daarvan vereist een weging van diverse feiten, zoals gezamenlijke huishoudelijke taken, gezamenlijke maaltijden, gedeelde uitgaven en sociale omgang.
De stelplicht en bewijslast rusten op de partij die zich beroept op voortzetting van de huurovereenkomst. In deze zaak had eiser onvoldoende onderbouwing gegeven, terwijl verweerster gemotiveerd had betwist dat de overleden huurder duurzaam in de woning verbleef.
De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht heeft geoordeeld dat eiser niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat de vordering daarom niet kon slagen. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst faalt wegens onvoldoende aannemelijkheid van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.