Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Procesverloop
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 7 WVW Pro 1994 en stelde hoger beroep in via een griffiemedewerker die daartoe door zijn raadsman was gemachtigd. De dagvaarding voor de hogerberoepszitting werd uitgereikt aan deze gemachtigde, wat volgens art. 450 Sv Pro als betekening aan de verdachte geldt.
Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat geen grieven waren ingediend en de verdachte noch zijn raadsman bij de zitting verschenen. In cassatie werd geklaagd over de wijze van oproeping en het ontbreken van een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman.
De Hoge Raad oordeelde dat de oproeping aan de gemachtigde rechtsgeldig was, maar dat het ernstige vermoeden bestond dat de raadsman geen afschrift van de dagvaarding had ontvangen, wat in strijd is met art. 48 Sv Pro. Dit voorschrift is van groot belang voor een geldige behandeling van de zaak.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De klacht over de oproeping faalde, de klacht over het ontbreken van het afschrift slaagde.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling van het hoger beroep.