Conclusie
Nummer19/01840
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
1. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 8 oktober 2013, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
25. Bankafschriften van [A] BV, ING rekeningnummer [001] , (…) voor zover inhoudende:
26. Belastingdienstgegevens met betrekking tot [betrokkene 5] , (…) voor zover inhoudende:
27. Een uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 18 juni 2013, (…) voor zover inhoudende:
KvK-nummer[006]
Uitgeschreven uit het handelsregister per 31-01-2011
Laatstelijk stond ingeschreven:
40. Een bankafschrift, ING rekeningnummer [004] , op naam van [betrokkene 5] d.d. 14 mei 2013, (…) voor zover inhoudende:
(hof: ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ).
[hof: heb ik gezien]. De dochter [medeverdachte 3] en de vader [verdachte] . De vader was de opdrachtgever van het project. Hij was de grote man. De dochter ging op de [a-straat] wonen.
(hof: 2013)is gekocht en dat zij er in juli 2013 ingetrokken is.
BFK: rechtvaardigen).
Bespreking van de middelen
eerstemiddel klaagt in verband met de bewezenverklaring van feit 1 dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich ‘tezamen en in vereniging met een ander’ schuldig heeft gemaakt aan witwassen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. De bewijsmotivering zou zowel ten aanzien van de rol van de verdachte als van zijn dochter als medepleegster tekortschieten. En het hof zou ten aanzien van belangrijke voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de bewijsmiddelen volgen, hebben nagelaten met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
tweedemiddel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door het onder 2 ten laste gelegde bewezen te verklaren als cumulatieve feiten, althans door een onjuiste uitleg te geven aan het een gewoonte maken van het plegen van witwassen, althans zijn oordeel dienaangaande ontoereikend heeft gemotiveerd.
NJ2016/436. In deze zaak was aan de verdachte tenlastegelegd primair dat hij aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht door hem opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht te duwen en/of een fles op zijn achterhoofd kapot te slaan en subsidiair,
indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat hij ter uitvoering van het voornemen om aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hem opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht had geduwd en/of een fles op zijn achterhoofd kapot had geslagen. Het hof had bewezenverklaard dat de verdachte aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht door hem opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht te duwen, en dat hij ter uitvoering van het voornemen om aan het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk een fles op zijn achterhoofd (kapot) had geslagen. Daarmee had het hof volgens Uw Raad de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten, nu het had kunnen oordelen dat met de gecursiveerde woorden tot uitdrukking was gebracht ‘dat het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde ter beraadslaging aan de rechter voorligt indien en voor zover het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen’. De stellers van het middel menen, zo begrijp ik, dat het in de onderhavige zaak anders zou liggen omdat de steller van de tenlastelegging zich heeft bediend van de woorden ‘in elk geval’.
derdemiddel klaagt dat de bewijsvoering van feit 2 innerlijk tegenstrijdig is. Het hof zou ten aanzien van de wit gewassen geldbedragen ten behoeve van de verbouwing van de woning [a-straat 1] te [plaats] enerzijds de verklaring van de verdachte dat hij nog gelden had liggen die hij gespaard had uit verdiensten van de beddenhandel welke hij was vergeten op te geven aan de Belastingdienst, hoogst onwaarschijnlijk c.q. onbetrouwbaar hebben geacht, terwijl het hof anderzijds als bewijsmiddel 46 zou hebben opgenomen de verklaring van de verdachte dat hij het geld van de verbouwing in de jaren 2010 en 2011 had verdiend en dit geld was vergeten op te geven. De bewezenverklaring zou daarom ontoereikend gemotiveerd zijn.
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.