Conclusie
De vennootschappen zijn in 2012 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. De curator heeft verschillende partijen aansprakelijk gesteld voor de schade die door de schuldeisers - de Staat is veruit de grootste schuldeiser - is geleden. In de onderhavige zaak richt de curator zijn pijlen op een vader en diens zoon die in verschillende hoedanigheden bij de gefailleerde vennootschappen betrokken zijn geweest. De rechtbank houdt vader en zoon hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele boedeltekort van een van de gefailleerde vennootschappen; de zoon als bestuurder op de voet van art. 2:248 lid 1 BW Pro en de vader als beleidsbepaler resp. commissaris op de voet van art. 2:248 lid 1 BW Pro jo. art. 2:248 lid 7 BW Pro resp. art. 2:259 BW Pro jo. art. 2:248 lid 1 BW Pro. De vennootschap die alle aandelen in de twee gefailleerde vennootschappen hield en waarvan de vader een van de bestuurders is, wordt op grond van art. 6:162 BW Pro aansprakelijk gehouden voor de schade die de schuldeisers als gevolg van haar onrechtmatig handelen hebben geleden. Dat vonnis is in hoger beroep eveneens goeddeels bekrachtigd.
1.De feiten
Welsec) en Nieuwbouw- en Reparatiebedrijf Welgelegen B.V. (hierna:
Welgelegen) zijn 100%-dochtervennootschappen van Harlingen Holding Industries B.V. (hierna:
HHI). [2] Het bestuur van HHI wordt gevormd door [eiser 3] (hierna:
[eiser 3]) en [betrokkene 1]. [eiser 3] was tot 1 januari 2001 enig statutair bestuurder van Welsec, daarna werd hij opgevolgd door zijn zoon [eiser 2] (hierna:
[eiser 2]). [eiser 3] bleef als commissaris aan Welsec verbonden. Op 1 maart 2008 is, naast [eiser 2], [betrokkene 2] als directeur van Welsec benoemd.
Industriehaven). Zij hielden zich onder meer bezig met het uitvoeren van onderhouds-, straal-, conserverings- en reparatiewerkzaamheden aan schepen.
FSW).
Staat) Welsec en Welgelegen aansprakelijk gesteld voor de kosten van sanering van de Industriehaven. Namens de Staat is de aansprakelijkstelling herhaald en is de verjaring van de vordering tot vergoeding van de kosten van sanering gestuit.
verontreinigingsprocedure).
Deloitte) heeft in opdracht van HHI en Welsec de jaarrekeningen van Welsec over de jaren 2000 t/m 2009 gecontroleerd.
curator) als curator aangesteld.
Langhout). Na verkregen toestemming van de rechter-commissaris heeft de curator op 5 april 2012 het actief van Welsec (exclusief debiteuren) overgedragen aan Langhout voor € 1.935.000,-- Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen per post:
HHI c.s.).
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
primair
De curator heeft - zakelijk weergegeven en voor zover relevant in de onderhavige zaak - het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. HHI heeft onrechtmatig gehandeld door in de jaren vanaf 2003 dividendbesluiten te nemen, terwijl zij ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat Welsec als gevolg van die besluiten niet meer aan haar verplichtingen jegens de schuldeisers zou kunnen voldoen ingeval van toewijzing van de vordering van de Staat. [eiser 2] en [eiser 3] hebben zich als formeel resp. feitelijk bestuurder van Welsec schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur althans onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers van Welsec. Zij hebben stelselmatig geen middelen gereserveerd/voorzieningen getroffen ten behoeve van de claim van de Staat en uitvoering gegeven aan de dividendbesluiten van HHI, terwijl zij wisten of konden weten dat de continuïteit van de onderneming hierdoor ernstig in gevaar zou worden gebracht. [eiser 3] kan volgens de curator daarnaast worden verweten dat hij zijn taak als commissaris van Welsec kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, door na te laten concrete maatregelen te treffen in reactie op dit verzuim van het bestuur van Welsec. Dit handelen en nalaten van [eiser 2] en [eiser 3] is een belangrijke oorzaak van het faillissement van Welsec geweest.
HHI c.s. vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
primair
rechtbank) toe dat HHI c.s. door Deloitte wordt gedagvaard, teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden en voort te procederen. [4]
vonnis) wijst de rechtbank de vorderingen in conventie van de curator tegen HHI c.s. toe. De rechtbank: verklaart voor recht dat HHI onrechtmatig heeft gehandeld jegens de schuldeisers van Welsec en aansprakelijk is voor de schade die de schuldeisers van Welsec daardoor hebben geleden; veroordeelt HHI tot betaling van de hiervoor bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2014, met dien verstande dat, indien [eiser 2] dan wel [eiser 3] een betaling verricht aan de schuldeisers van Welsec uit hoofde van hun hoofdelijke verplichting tot betaling van het gehele tekort in de boedel van Welsec, HHI tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd; verklaart voor recht dat [eiser 2] en [eiser 3] uit hoofde van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:248 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele tekort in de boedel van Welsec; veroordeelt [eiser 2] en [eiser 3] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van het gehele tekort in de boedel van Welsec, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2014, met dien verstande dat indien HHI een betaling verricht aan de schuldeisers van Welsec uit hoofde van haar verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad [eiser 2] en [eiser 3] tot de hoogte van die betaling zullen zijn bevrijd; veroordeelt HHI c.s. hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, in de proceskosten van de curator, tot op datum vonnis vastgesteld op € 5.007,36; veroordeelt de curator in de proceskosten van Deloitte, tot op datum vonnis vastgesteld op € 2.868,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis; veroordeelt de curator in de na dit vonnis ontstane kosten van Deloitte, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat. Het vonnis is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen.
De rechtbank wijst de vordering in reconventie af en veroordeelt HHI c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op datum vonnis vastgesteld op nihil.
hof) een comparitie van partijen gelast.
arrest) verklaart het hof HHI c.s. niet-ontvankelijk in haar vordering tegen Deloitte in de procedure ex art. 118 Rv Pro en veroordeelt het HHI c.s. in de proceskosten in hoger beroep en de nakosten. In de procedure tussen HHI c.s. en de curator bekrachtigt het hof het vonnis (behalve met betrekking tot de verschuldigdheid van de wettelijke rente vanaf 28 januari 2014 over het boedeltekort) en veroordeelt het HHI c.s. in de proceskosten in hoger beroep. Het hof verklaart het arrest wat betreft de daarin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.
Aan deze beslissingen liggen, onder meer, de volgende overwegingen ten grondslag: (rov. 4.9-4.16 en 4.22-4.24 van het arrest)
Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling
grief 3). Dat de Staat steeds bereid is geweest om over een schikking te praten, staat niet ter discussie, maar dat zij voor een dergelijk bedrag met Welsec had willen schikken, is op geen enkele wijze door HHI c.s. onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is dat de Staat zich op enig moment in die zin heeft uitgelaten. Dat lag ook niet in de rede, op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
geenbelangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Het subonderdeel stelt voorop, kort gezegd, dat in deze zaak de curator zijn vorderingen - voor zover hier van belang - baseert op art. 2:248 lid 1 BW Pro (de bewijsvermoedens uit art. 2:248 lid 2 BW Pro zijn niet van toepassing), in welk verband de stelplicht en bewijslast op de curator rusten. Volgens het subonderdeel pakt het hof in rov. 4.15-4.16 direct door naar het verweer van HHI c.s. omtrent de vraag of het kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is (geweest) van het faillissement en besteedt het hof geen kenbare aandacht aan de vraag wat de curator ter zake heeft gesteld en of hij daarmee zijn stelling aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover het hof meent dat er een bewijsvermoeden zoals in art. 2:248 lid 2 BW Pro geldt en dat daarom enkel beoordeeld hoeft te worden of HHI c.s. dat bewijsvermoeden heeft ontzenuwd, is dat oordeel onjuist omdat het de bewijslastverdeling van art. 2:248 lid 1 BW Pro miskent.
Deze zaak heeft (onder meer) betrekking op art. 2:248 lid 1 BW Pro. Deze bepaling luidt: “In geval van faillissement van de vennootschap is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement”. Schending van de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW Pro en/of de deponeringsplicht ex art. 2:394 BW Pro is in deze zaak niet aan de orde, zodat de bewijsvermoedens van art. 2:248 lid 2 BW Pro in deze zaak niet van toepassing zijn. [10] Wat betreft de in art. 2:248 lid 1 BW Pro vervatte elementen (i) of het bestuur zijn taak (in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement, zie art. 2:248 lid 6 BW Pro) kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en (ii) of aannemelijk is dat dit kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement, ligt de bal bij de curator; ingevolge art. 150 Rv Pro rusten op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. [11] Aan het door art. 2:248 lid 1 BW Pro vereiste causale verband tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement van de vennootschap, waarop dit (sub)onderdeel is toegespitst, wordt in de rechtspraak en literatuur relatief weinig aandacht besteed. [12] Aan de wettekst van art. 2:248 lid 1 BW Pro kan de curator enige steun ontlenen voor het nemen van de causaliteitshorde, daar volstaat dat hij
aannemelijkmaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling
een belangrijkeoorzaak is van het faillissement. [13] Weliswaar is voor genoemd verband onvoldoende dat een handeling die zulk kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert, als een voorwaarde voor het faillissement is te beschouwen, [14] niet vereist is echter dat aannemelijk wordt gemaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling dé, althans de belangrijkste, oorzaak van het faillissement is. [15] In de wetsgeschiedenis van art. 2:248 lid 1 BW Pro valt hierover onder meer het volgende te lezen: [16]
In zijn inleidende dagvaarding heeft de curator gesteld dat aan beide elementen van art. 2:248 lid 1 BW Pro wordt voldaan:
kennelijk onbehoorlijke taakvervulling[uitgewerkt onder 49-52 van de dagvaarding, A-G] en voorts zal aannemelijk worden gemaakt, dat dit een
belangrijke oorzaak van het faillissement[uitgewerkt onder 53-55 van de dagvaarding, A-G] is geweest.”
[onderstreping in origineel, A-G]
54. Bij deze redenering wordt geen acht geslagen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden. Het is immers zo, dat het niet treffen van voorzieningen ten behoeve van de claim van de Staat, de genomen dividendbesluiten en het daaraan uitvoering geven belangrijke oorzaken zijn van het faillissement van Welsec. Van belang is, dat de bedrijfsresultaten van Welsec vanaf de periode 2000 positief waren en voldoende middelen verschaften om de claim van de Staat uiteindelijk te voldoen. Voorts is relevant, dat Welsec vanaf 2002 een goed beeld had van de kosten van de sanering van de Industriehaven te Harlingen. Welsec had er derhalve rekening mee kunnen (en moeten) houden, dat zij aansprakelijk zou worden gehouden. Over de hoogte van de schadevergoeding bestond wellicht onduidelijkheid, echter vanaf 2005 was ten aanzien hiervan reeds een richtinggevend vonnis bij Welsec bekend.”
lid 1BW. (…)
101. Mitsdien dient de curator te bewijzen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
(…)
106. [eiser 2] heeft niet kennelijk onbehoorlijk bestuurd en als dit al anders zou worden geoordeeld, dan is dit ook geen belangrijke oorzaak van het faillissement geweest. Dat zijn in de visie van de curator één of meerdere dividenduitkeringen geweest, die weliswaar zijn uitgevoerd door de onderneming maar niet voortspruiten uit bestuurlijke handelingen van [eiser 2] en evenmin kan gezegd worden dat als hij dat al tegen had kunnen houden deze nimmer zouden hebben plaatsgehad omdat hij dan ontslagen had kunnen worden.
(…)
110. Het vorenstaande geldt m.m. ook voor [eiser 3] in privé als commissaris. Ook indien hij gekwalificeerd zou moeten worden als feitelijk bestuurder. Dit laatste wordt betwist (…).”
[onderstreping in origineel, A-G]
4. In plaats van het treffen van een regeling of gewoon het doen van betaling van de schade is de vordering van de Staat tot bijna € 2.000.000,-- opgelopen en dan is er echt een probleem.
5. Naast de feitelijk blote ontkenning, dat de vervuiling het gevolg zou zijn geweest van de activiteiten van Welgelegen/Welsec, legt het bestuur van de HHI op het moment dat de som van € 2.000.000,-- wordt benaderd, het accent op de beweerdelijk krappe vermogenspositie van de totale onderneming. Uit de dezerzijds overgelegde stukken blijkt zulks echter in het geheel niet. De opmerking dat het een eis van de bank zou zijn dat de winstuitkeringen van Welsec naar moeder HHI zouden moeten toevloeien kan als onzin worden bestempeld. Het hele concern kende één financieringsmodel, de zogenaamde paraplufinanciering, dus maakt het niet uit, althans ten aanzien van de bankpositie, in welke entiteit zich het eigen kapitaal bevond.
6. De veronderstelling dezerzijds, dat een en ander planmatig is geschied, ook wat betreft de faillissementsaanvraag, blijft onverkort bestaan. Er is in meerderen jaren, zowel door Welsec als door HHI, geld verdiend en aan aandeelhouders uitgekeerd. Deze middelen hadden moeten worden aangewend om de vordering van de Staat der Nederlanden te betalen en niet anders.”
4.32 HHI c.s. hebben verder ten verwere aangevoerd dat als [eiser 2] geen uitvoering had gegeven aan de dividendbesluiten, HHI hem had kunnen ontslaan en een ander als statutair bestuurder had kunnen benoemen die de besluiten wél had uitgevoerd. Volgens HHI c.s., althans zo begrijpt de rechtbank het standpunt van HHI c.s., is er daarom geen causaal verband tussen het handelen van [eiser 2] en het faillissement. Dit verweer faalt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het causaal verband is gegeven, nu aannemelijk is dat Welsec mede als gevolg van het onbehoorlijk bestuur van [eiser 2] failliet is gegaan. In dit verband is niet relevant of, indien [eiser 2] zich niet schuldig had gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur, anderen zich in zijn plaats hadden schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur en daardoor het faillissement zouden hebben veroorzaakt. Dit doorbreekt het causale verband tussen het handelen van [eiser 2] en het faillissement niet, nu dit een louter hypothetische oorzaak van het faillissement betreft terwijl het onbehoorlijk bestuur van [eiser 2] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (mede) heeft geleid tot het faillissement en daarom als belangrijke oorzaak van het faillissement dient te worden aangemerkt. Bovendien is dit verweer speculatief, nu HHI c.s. geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor de aanname dat, als [eiser 2] geen uitvoering had gegeven aan de dividendbesluiten, hij zou zijn ontslagen en een ander in zijn plaats alsnog uitvoering zou hebben gegeven aan de dividendbesluiten.
4.33 De rechtbank volgt HHI c.s. evenmin in haar verweer dat het faillissement niet het gevolg is van de kennelijk onbehoorlijk taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] maar van het niet tijdig reageren van de Staat op het schikkingsvoorstel. Als [eiser 2] en [eiser 3] hun taken niet kennelijk onbehoorlijk hadden vervuld, zou Welsec voldoende financiële reserves hebben gehad om de vordering van de Staat na toewijzing in hoger beroep te kunnen voldoen en zou het voortbestaan van Welsec niet afhankelijk zijn geweest van de vraag of de Staat (tijdig) zou willen schikken. Het onbehoorlijk bestuur en het gebrek aan toezicht, nemen daarom in het samenstel van oorzaken van het faillissement een belangrijke plaats in.
4.34 Voor zover HHI c.s. ten verwere heeft aangevoerd dat de curator een zodanige boedelopbrengst had kunnen realiseren dat er geen boedeltekort en derhalve geen schade zou zijn geweest, verwerpt de rechtbank dit verweer op de navolgende gronden.
4.35 Dit verwijt aan het adres van de curator houdt geen verband met de vraag of er andere oorzaken (dan kennelijk onbehoorlijk taakvervulling door [eiser 2] en [eiser 3]) waren die tot het faillissement hebben geleid. Nu voor de aansprakelijkheid van [eiser 2] en [eiser 3] voor het boedeltekort enkel is vereist dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement en tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en de omvang van de boedeltekort geen causaal verband behoeft te bestaan, gaat dit verweer voor [eiser 2] en. [eiser 3] niet op. (…).”
Met haar grief 8 bestrijdt HHI c.s. in hoger beroep onder meer dat het handelen van [eiser 2] en [eiser 3] een belangrijke oorzaak voor het faillissement vormt. Dat verweer wordt in de memorie van grieven zijdens HHI c.s. als volgt toegelicht:
T.a.v. [eiser 2] en [eiser 3]: (Geen belangrijke oorzaak faillissement):10.10 Voor zover onbehoorlijk bestuur respectievelijk onbehoorlijk commissariaat onverhoopt mocht worden aangenomen, dus neen, is vervolgens aan de orde de vraag of dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Aangezien de bewijs vermoedens niet van toepassing zijn rust de volle bewijslast op de curator.
10.11 Zoals de rechtbank overweegt strekken art. 2:248 en Pro 259 BW zich uit over de laatste 3 jaar voor faillissement. Het faillissement is van 31 januari 2012. In de laatste 3 jaar zijn dividenduitkeringen gedaan van € 679.164 en € 601.946. Indien de gewraakte dividendbesluiten in de te beoordelen periode niet waren genomen had - anders dan de rechtbank overweegt - de vordering van de Staat niet grotendeels betaald kunnen worden. Er zou maar liefst een ‘gat’ zijn van € 610.346,71 op 22 juni 2011, toen de Staat bij betekening aangaf dat er € 1.891.456,71 moest worden betaald (r.o. 2.23). Zeker waar de rechtbank aangeeft ervan het niet aannemelijk te vinden, dat de Staat genegen zou zijn met fors minder dan de veroordeling genoegen te nemen kan niet gezegd worden dat dan geen faillissement zou zijn gevolgd en derhalve het causale verband vast staat.
10.12 Op het moment dat bestuur en commissaris in de referteperiode geen medewerking hadden verleend aan het uitkeren van dit dividend in 2009 en 2010 was de situatie geen andere geweest. Er zouden ook dan onvoldoende financiële middelen zijn om de vordering van de Staat te voldoen alsook tevens nog steeds de omstandigheid zijn, dat de Staat niet haar toezegging nakwam dat als puntje bij plaatje zou komen er geschikt kon worden en zij tijdig zou laten weten welk bedrag zij een acceptabel schikkingsbedrag vond. De Staat heeft dat namelijk gewoon niet gedaan in januari 2012 ondanks herhaald telefonisch en schriftelijk rappel.
10.13 Hiervoor geldt m.m. eveneens hetgeen hiervoor is gesteld ten aanzien van HHI onder randnummers 9.6 en 9.7. De oorzaak van het faillissement is dan ook niet anders dan dat de Staat - hoe je het wendt of keert - zich in nevelen is blijven hullen ondanks haar toezegging eind 2011 dat er geschikt zou gaan worden en ook dat zij een bedrag zou aangeven. Het handelen van de bestuurders/ commissaris zoals door de curator gesteld en zoals door de rechtbank overwogen is derhalve niet de oorzaak van het faillissement en heeft daar ook niet in belangrijke mate aan bijgedragen.
10.14 Ook in de situatie, dat er geen dividendbesluiten waren genomen en er geen dividend was uitgekeerd had het bestuur de keuze moeten maken die zij daadwerkelijk heeft gemaakt, namelijk het aanvragen van het faillissement van Welsec. De curator heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het handelen van de bestuurders een belangrijke oorzaak is van het faillissement, dan wel is dit afdoende weerlegd [27] .”
[cursivering in origineel, voetnoot (noot 58 aldaar) overgenomen uit origineel, A-G]
130. Ondanks de talloze herhalingen, dat de Staat een schikking zou hebben toegezegd, stelt curator met een redelijke mate van zekerheid dat HHI van de zijde van de Staat niet mocht rekenen op enige empathie. Dat de betrokken overheden tot deze houding kwamen zal in belangrijke mate het gevolg zijn van de toonzetting en kennelijke minachting van [eiser 3]. Als productie 5 werd hierbij een beperkte selectie van correspondentie overgelegd. Hier volgt een “bloemlezing”:
- de achterliggende gedachte is om Welsec kapot te maken;
Het bovengenoemde kenmerkt de houding van [eiser 3] ten opzichte van diverse overheden. Dat zodanige partijen geen, althans onvoldoende belangstelling hebben om te komen tot een schikking beschouwt de curator als volstrekt voor de hand liggend.
131. In 10.14 wordt dit onderdeel afgesloten met de mededeling dat bij reservering van de middelen, zoals zij had behoren te doen, het tot een faillissement van Welsec zou zijn gekomen. Nogmaals wordt bij wijze van voorbeeld verwezen naar de hierbij overgelegde productie 6, waaruit een winst van € 2 miljoen van de moedermaatschappij in één jaar tijd. Voldoende derhalve.
132. Overigens stelt curator zich, nogmaals, de vraag wat er uiteindelijk met de winsten van de moedermaatschappij is geschied. Hierover wordt met geen woord door HHI gerept. De winstbestemmingsbesluiten van moedermaatschappij HHI zijn niet direct voor curator traceerbaar. Curator houdt er echter wel degelijk rekening mee dat al dan niet belangrijke bedragen aan de aandeelhouders van HHI zijn uitgekeerd. Niet denkbaar is dat bij een eigen vermogen van ruim € 8.000.000,- vanaf 2005 nimmer enige uitkering zou zijn gedaan.”
In rov. 4.9-4.14 oordeelt het hof, kort gezegd, dat [eiser 2] en [eiser 3] hun taak als bestuurder resp. beleidsbepaler en commissaris kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. In de “tussenconclusie” in rov. 4.14 vat het hof de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser 2] en [eiser 3] samen onder de noemers van het niet treffen van een voorziening nadat het definitieve deskundigenrapport in 2009 was afgegeven en het uitvoering geven aan de dividendbesluiten over de jaren 2008 en 2009: zowel het eerste als het laatste maakt, onder de gegeven omstandigheden, waarop het hof uitgebreid ingaat in rov. 4.9-4.13, dat zij zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat zij hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. Die tussenconclusie (in rov. 4.14) moet dus wel worden gelezen in de context van de daaraan voorafgaande rov. 4.9-4.13, waaruit, zakelijk weergegeven, naar voren komt dat volgens het hof:
Wat het hof overweegt in rov. 4.15-4.16 geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door miskenning van de bewijslastverdeling bij art. 2:248 lid 1 BW Pro zoals bedoeld in het subonderdeel. Uit rov. 4.15-4.16 blijkt niet dat het hof tot uitgangspunt neemt dat de stelplicht en bewijslast ter zake op HHI c.s. rusten en dat het hof ervan uitgaat dat HHI c.s. aannemelijk zou moeten maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling geen belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, noch dat (enig bewijsvermoeden van) art. 2:248 lid 2 BW Pro hier van toepassing is. Wat het hof daar tot uitdrukking brengt, gelet ook op het partijdebat als hiervoor uiteengezet, is dat waar HHI c.s. heeft betwist dat - zoals aangevoerd door de curator - de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] een belangrijke oorzaak van het faillissement is (zie rov. 4.15, alsmede het partijdebat als hiervoor uiteengezet), het hof HHI c.s. niet in dit betoog volgt (rov. 4.16). Dat het hof - terecht - in rov. 4.9-4.16 ervan uitgaat dat art. 2:248 lid 1 BW Pro hier voorligt en dat de stelplicht en bewijslast ter zake (dus wat betreft zowel element (i) als element (ii)) op de curator rusten, strookt ook met rov. 4.9, eerste zin, waarin het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW Pro is vereist dat de curator stelt en zo nodig bewijst dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk maakt dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, welke vooropstelling door het hof in rov. 4.9 in het subonderdeel trouwens ook wordt onderkend. Kortom, het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Als het hof in rov. 4.15-4.16 van het arrest niet van de in subonderdeel I.a bestreden onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, had het hof dienen te motiveren op grond waarvan het van mening was dat de curator zijn stelling, dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, aannemelijk heeft gemaakt. Het hof heeft dat oordeel volgens het subonderdeel niet gemotiveerd, hetgeen het oordeel onbegrijpelijk maakt. Volgens het subonderdeel kan uit het arrest niet worden opgemaakt op grond van welke stellingen van de curator het hof aannemelijk heeft geacht dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zou zijn geweest.
Het subonderdeel voegt daaraan toe dat het hof in rov. 4.16 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Het hof overweegt in rov. 4.16 dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur daarmee een belangrijke oorzaak is van het faillissement, waarmee het hof verwijst naar de halsstarrige houding van het bestuur, die eruit bestond dat het bestuur ten onrechte veel te lang positief is gebleven over de uitkomst van het hoger beroep, waardoor het zich de kans heeft ontnomen te onderzoeken op welke andere wijze Welsec in staat zou zijn geweest de vordering van de Staat te voldoen, bijvoorbeeld door het verwerven van krediet, het gebruiken van bestaande kredietruimte of het verkopen van bedrijfsonderdelen. Volgens het subonderdeel heeft de curator deze verwijten niet - voor HHI c.c. kenbaar - ten grondslag gelegd aan zijn stelling dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (daaruit bestond en) een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. [36] Het subonderdeel voert verder nog aan dat voor zover ’s hofs oordeel wel grond vindt in het partijdebat, het onbegrijpelijk is, omdat de motivering niet de conclusie kan dragen dat de door het hof geoordeelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (zie in rov. 4.9) een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Volgens het subonderdeel wijzen de door het hof gegeven argumenten (uit de motivering in rov. 4.16 blijkt dat het hof meent dat een faillissement wellicht afgewend had kunnen worden als er meer tijd was geweest om de aanwezige activa te gelde te maken (buiten een faillissementssituatie) dan wel was onderzocht of Welsec anderszins krediet had kunnen aantrekken) niet erop dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (maar zou het oordeel van het hof wel te verklaren zijn als het hof de weerlegging van de argumenten van HHI c.s. heeft beoordeeld in het kader van het ontzenuwen van het bewijsvermoeden als bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW Pro, in welk geval subonderdeel I.a slaagt).
Zoals blijkt uit het partijdebat dat is weergegeven onder 3.4 hiervoor, heeft de curator gesteld dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Welsec. In de inleidende dagvaarding, onder 54 stelt de curator bijvoorbeeld met zoveel woorden: “Het is immers zo, dat het niet treffen van voorzieningen ten behoeve van de claim van de Staat, de genomen dividendbesluiten en het daaraan uitvoering geven belangrijke oorzaken zijn van het faillissement van Welsec” en dat “Welsec er derhalve rekening mee [had] kunnen (en moeten) houden, dat zij aansprakelijk zou worden gehouden.” De rechtbank heeft deze stelling van de curator ook onderkend, zoals blijkt uit rov. 3.2 van het vonnis (zie ook onder 2.1 hiervoor):
Mede gelet op het partijdebat als weergegeven onder 3.4 hiervoor en het vonnis, is ’s hofs oordeel dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is niet onbegrijpelijk (want ongemotiveerd) zoals bedoeld in het subonderdeel. Daarbij dient dus bedacht te worden dat het hof in rov. 4.15-4.16 van het arrest eenvoudigweg respondeert op het daar voorliggende verweer van HHI c.s. in het kader van haar grieven in hoger beroep tegen het vonnis, specifiek het in dat vonnis reeds aangenomen causale verband in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro tussen de vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement waarop de curator zich had beroepen, waarbij het hof dus niet uit het oog verliest dat bij dit thema de stelplicht en bewijslast op de curator rusten en dat de door het hof te beoordelen stellingen ter zake van HHI c.s. in de sleutel staan van betwisting (zie ook onder 3.4 hiervoor). Ik breng in dat verband ook ’s hofs vooropstelling in rov. 4.2 in herinnering:
Evenmin doeltreffend is de motiveringsklacht die, kort gezegd, inhoudt dat de door het hof gegeven argumenten het oordeel niet zouden kunnen dragen dat de vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. ’s Hofs oordeel in rov. 4.16 komt erop neer dat door de halsstarrige [37] houding van de bestuurders van Welsec, zoals die blijkens rov. 4.9-4.14 inherent is aan hun daarin door het hof vastgestelde, over meerdere boek- en kalenderjaren voorkomende kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (waarop het hof in rov. 4.16 dus ook het oog heeft, [38] waarnaar het hof daar ook verwijst, [39] en waarmee tevens strookt dat, aldus het hof aldaar, de bestuurders “ondanks het feit dat alle signalen op rood stonden op een goede afloop van de procedure met de Staat bleven vertrouwen”, etc.), [40] van welke gedragslijn de bestuurders zich dus hadden moeten onthouden, voor Welsec na het eindarrest van het gerechtshof van 17 mei 2011 [41] (waarmee het onverantwoorde financiële risico waaraan het bestuur Welsec kenbaar had blootgesteld zich verwezenlijkte) een ‘fait accompli’ is ontstaan: de situatie waarin het antwoord van de Staat op haar eindvoorstel niet meer kon worden afgewacht en “de bestuurders en de commissaris zich genoodzaakt [voelden] het faillissement aan te vragen”, waarmee de bestuurders (en de commissaris) dus, zoals het hof het uitdrukt, “door de tijd [zijn] ingehaald” en wat logischerwijs ook betekent, zoals het hof nog aantekent en kort gezegd, dat zij zich aldus ook de kans hebben ontnomen te onderzoeken op welke andere wijze Welsec in staat zou zijn geweest de vordering van de Staat te voldoen. Gelet daarop (“daarmee”) is de vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement, zo concludeert het hof naar de kern genomen in rov. 4.16. Aldus bezien, [42] en daaraan gaat de klacht ten onrechte voorbij (uitgaande ook van een verkeerde lezing van het arrest), [43] kan ’s hofs geenszins onbegrijpelijke motivering in rov. 4.16 die conclusie wel degelijk dragen, nu het daarin overwogene, zo verstaan, dus wel degelijk erop wijst dat de in rov. 4.9-4.14 vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (ten minste) een belangrijke oorzaak van het faillissement van Welsec is geweest zoals bedoeld in art. 2:248 lid 1 BW Pro, welk oordeel dus staat in die sleutel en niet erop neerkomt, anders dan de klacht nog suggereert, dat het hof het in rov. 4.15 en 4.16, eerste zin bedoelde betoog van HHI c.s. beoordeelt in het kader van “het ontzenuwen van het bewijsvermoeden als bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW Pro”.
Daarmee is het hof ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, zoals het subonderdeel nog aanvoert. ’s Hofs hiervoor uiteengezette oordeel in rov. 4.16, daarmee goed navolgbaar verwerpend het betoog van HHI c.s. zoals (in cassatie onbestreden) weergegeven in rov. 4.15, sluit dus aan op de benadering van de rechtbank in rov. 4.31 en 4.33 (in verbinding met rov. 3.2) van het vonnis, geciteerd onder 3.4 hiervoor en in dit 3.6, waarbij de rechtbank ook acht heeft geslagen op de stellingname ter zake van de curator in eerste aanleg (in welke instantie de curator (blijkens zijn pleitaantekeningen van 14 april 2016, onder 3) overigens ook al met zoveel woorden spreekt over “zeer halsstarrig” optreden van [eiser 2] en [eiser 3]), waarover ook onder 3.4 hiervoor en in dit 3.6, waarop diens stellingname ter zake in hoger beroep (waaronder zijn memorie van antwoord onder 129-130) voortbouwt, met inbegrip van zijn standpunt dat, naar de kern genomen, “[h]et (bewust) systematisch afromen van winsten heeft geleid tot de eigen aanvraag van het faillissement”, waarover ook onder 3.4 hiervoor en in dit 3.6. [44] Ik wijs verder nog op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 februari 2020, waaruit mede blijkt dat de curator onder meer als volgt heeft gepleit (zie ook onder 2.13 hiervoor), daarbij, in het verlengde van het voorgaande, wijzend op “een keus van het bestuur, een bepaalde mate van koppigheid om niet te willen betalen”: [45]
Mijn volgende punt gaat over het tussenarrest in de verontreinigingszaak. Als je dit arrest kritisch bekijkt, is het op een positieve manier geïnterpreteerd door de vennootschappen. Het hof zegt dat niet in toereikende mate bewezen is dat de verontreiniging door Welsec is ontstaan. Dat is wat anders dan dat het niet voor rekening van Welsec moet komen, het is alleen niet bewezen. Het wordt geïnterpreteerd als een overwinning, maar het hof zegt dat onderzocht moet worden in welke mate de vervuiling door Welsec is geschied. (…).” [46]
- “Het deskundigenbericht klopte niet. Ik heb toen zestig punten opgemaakt waarom dat rapport niet klopte. Ik kon me niet voorstellen dat dat rapport meegenomen zou worden door het hof.”
- “[A]ls ik overal rekening mee moet houden, dan heb ik geen leven meer.”
Hierop stuit het subonderdeel af.
Subonderdeel II.aklaagt dat het hof in rov. 4.11 met de overweging dat het bewijsaanbod dat door HHI c.s. is gedaan (“m.v.g. randnummer 6.14”) wordt gepasseerd wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing, dus met rov. 4.11, slotzin, geen oordeel geeft over de vraag of het aanbod ter zake dienend is. Als het hof meent dat het bewijsaanbod niet kwalificeert als tegenbewijs en daardoor onvoldoende specifiek was om te kunnen slagen, getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof onderkent dat hier sprake is van tegenbewijs, miskent het hof dat is voldaan aan de ondergrens voor het toelaten van tegenbewijs (te weten, in de woorden van het subonderdeel, dat “de feiten waar het tegenbewijs op ziet (…) voldoende gemotiveerd [moeten] zijn betwist”), [50] dan wel miskent het hof dat een dergelijk bewijsaanbod om tegenbewijs te leveren ‘slechts’ ter zake dienend hoeft te zijn (niet ook voldoende specifiek), aldus nog steeds het subonderdeel.
Subonderdeel II.bklaagt dat als ’s hofs oordeel in rov. 4.11 “dat HHI c.s. de stellingen van de Curator niet voldoende heeft betwist” (waarmee het subonderdeel, gelet ook op het kopje boven het subonderdeel, ook hier doelt op ’s hofs oordeel dat het bewijsaanbod zal worden gepasseerd wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing) niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, het hof dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) motiveert, nu het hof had dienen te motiveren waarom HHI c.s. de stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd zou hebben betwist. Als het hof onderkent dat het bewijsaanbod ziet op het leveren van tegenbewijs, had het hof dienen te motiveren waarom het aanbod niet ter zake dienend zou zijn, wat het hof ten onrechte nalaat, aldus nog steeds het subonderdeel.
In rov. 4.11 van het arrest overweegt het hof als volgt:
HHI c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat in redelijkheid te verwachten viel dat de vordering wel had kunnen worden voldaan indien ook rekening zou worden gehouden met stille reserves en de mogelijkheid van het krijgen van eigen en vreemd vermogen, temeer nu dit haaks staat op het feit dat zij als uiterst schikkingsvoorstel aan de Staat een bedrag van € 250.000,- hebben aangeboden, en het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken. Bij gebrek aan feitelijke onderbouwing zal het bewijsaanbod (m.v.g. randnummer 6.14) worden gepasseerd.”
Zoals ook volgt uit de behandeling van onderdeel I, mede onder verwijzing naar ’s hofs vooropstelling ter zake in rov. 4.9, onderkent het hof in rov. 4.9-4.16, derhalve ook in rov. 4.11, dat art. 2:248 lid 1 BW Pro hier voorligt en dat de stelplicht en bewijslast ter zake op de curator rusten conform art. 150 Rv Pro, dus wat betreft zowel (i) de door art. 2:248 lid 1 BW Pro vereiste kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als (ii) het door art. 2:248 lid 1 BW Pro vereiste causale verband tussen die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement, aldus dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (ten minste) een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hetzelfde geldt voor de grondslag waarop de curator HHI aanspreekt, als enig aandeelhouder van Welsec: onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro): uit ’s hofs oordeel, in het bijzonder rov. 4.17-4.25 (waar het mede wijst op HHI’s weerspreking van het in rov. 4.23 bedoelde causaal verband, en, in rov. 4.24, van haar verweer ter zake), blijkt niet dat het hof van iets anders is uitgegaan dan dat de stelplicht en bewijslast ter zake op de curator rusten, conform art. 150 Rv Pro. Hieruit volgt dat het hof in rov. 4.11, waarover hiervoor, niet meent dat het daar bedoelde bewijsaanbod van HHI c.s. niet kwalificeert als tegenbewijs: het hof gaat daar ervan uit dat dit bewijsaanbod van HHI c.s., specifiek in het kader van de betwisting zijdens HHI c.s. van de door de curator gestelde (en door de rechtbank in het vonnis aangenomen) kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] resp. onrechtmatige daad van HHI, betrekking heeft op een aanbod om ter zake tegenbewijs te leveren. Voor zover de subonderdelen uitgaan van een andere lezing van het arrest, missen zij feitelijke grondslag. Zoals rov. 4.11, waarover hiervoor, verder duidelijk maakt, passeert het hof dit bewijsaanbod zijdens HHI c.s. (tot het leveren van tegenbewijs ter zake) niet omdat het onvoldoende specifiek en/of niet ter zake dienend zou zijn, maar “[b]ij gebrek aan feitelijke onderbouwing” van het door HHI c.s. ten verweer aangevoerde betoog “dat in redelijkheid te verwachten viel dat de vordering wel had kunnen worden voldaan indien ook rekening zou worden gehouden met stille reserves en de mogelijkheid van het krijgen van eigen en vreemd vermogen” (zoals bedoeld in rov. 4.11, voorlaatste zin), dus, kort gezegd, bij gebrek aan een voldoende motivering door HHI c.s. van deze betwisting harerzijds dat sprake was van wetenschap van schuldeisersbenadeling zoals vereist bij art. 2:248 lid 1 BW Pro (waarover ook rov. 4.4-4.5) althans het door de curator gestelde onrechtmatige handelen van HHI (waarover mede rov. 4.17-4.25), [51] zodat aan het leveren van tegenbewijs ter zake niet wordt toegekomen. Voor zover de subonderdelen uitgaan van een andere lezing van het arrest, missen zij feitelijke grondslag.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de subonderdelen met vrucht klagen over ’s hofs oordeel in rov. 4.11 dat het bewijsaanbod van HHI c.s. gepasseerd zal worden wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing, als blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Maar ook indien aangenomen zou worden dat de subonderdelen wel ook (naast ’s hofs oordeel in de slotzin van rov. 4.11) ’s hofs oordeel in de voorlaatste zin van rov. 4.11 bestrijken (al blijkt daarvan dus niet duidelijk uit de subonderdelen), zou dit die uitkomst - dus het stranden van de subonderdelen - niet anders maken. Daartoe wijs ik op het volgende.
In de desbetreffende passage in de memorie van grieven zijdens HHI c.s. waarnaar het hof in rov. 4.11 verwijst (“m.v.g. randnummer 6.14”), staat het volgende (deel uitmakend van de toelichting op grief 4):
In deze toelichting op grief 5 in de memorie van grieven zijdens HHI c.s. wordt over (de jaarrekeningen over) de jaren 2005 t/m 2009, waarbij ook wordt verwezen naar gerelateerde gebeurtenissen na het desbetreffende jaar, inzichtelijk gemaakt wat, aldus HHI c.s., per het “peilmoment” van het desbetreffende dividendbesluit (althans “uitkeringsmoment van het dividend”) de beschikbare informatie was. Deze toelichting op grief 5 luidt onder 7.29-7.34 van de memorie van grieven zijdens HHI c.s. over (de jaarrekeningen over) de jaren 2008 en 2009, waarbij ook wordt verwezen naar gerelateerde gebeurtenissen in 2009 en 2010, dus binnen de referteperiode van drie jaar als bedoeld in art. 2:248 lid 6 BW Pro (zie ook onder 3.4 hiervoor), als volgt:
Het jaar 20087.29 het dividendbesluit wordt genomen op 9 november 2009. De op dit peilmoment beschikbare informatie is:
(*) Voorop gesteld moet worden dat de continuïteit van Welsec volgens de accountant niet in debat was. Anders had de accountant immers op grond van COS570 ook geen schone accountantsverklaring kunnen afgeven. Dan had de accountant aan de bel moeten trekken en was, indien de directie hem had kunnen overtuigen, in zijn verklaring toegelicht waarom er toch van continuïteit werd uitgegaan. Sterker nog, de accountant had zelf in de concept jaarrekening al conform het gebruikelijke dividendbeleid de dividenduitkering verwerkt voordat het besluit daartoe was genomen. Bij deze externe deskundige was er derhalve geen twijfel dat dit geen problemen kon vormen gezien Welsec’s positie, mogelijkheden en vooruitzichten en die van de groep waartoe Welsec behoort.
(*) Het positieve bedrijfsresultaat voor belastingen is € 911.629 en na belastingen € 679.164.
(*) Er is sprake van een positieve cashflow van € 843.564 (bedrijfsresultaat van € 679.164 + afschrijvingen ad € 164.400).
(*) Welsec heeft gewaardeerd op basis van historische kostprijs. Dit betekent dat er sprake is van aanzienlijke stille reserves, meer in het bijzonder het vastgoed. De boekwaarde daarvan is per ultimo 2008 € 1.465.216. Alleen al daarin zit een verschil die de maximale vordering van de Staat op dat moment overtreft.
(*) Ook voor het hierop volgende jaar wordt een positief bedrijfsresultaat verwacht.
7.30 T.a.v. de Staat: op 16 februari 2009 hebben de deskundigen zonder Welgelegen/Welsec ook maar te horen een concept rapport verstuurd. De inhoud heeft HHI c.s. verbijsterd, maar evident is dat het rapport in strijd met de procedure regels tot stand gekomen is. Op 1 december 2009 zal de advocaat van Welsec en Welgelegen dan ook een antwoordmemorie na deskundigenbericht indienen om o.m. uit te leggen dat als de visie van deskundigen al gevolgd wordt dit hooguit tot een aan Welgelegen en Welsec toe te rekenen schade van € 74.950,01 leidt.
7.31 De advocatenbrief 2008 is niet teruggevonden.
7.32 Ook op dit moment is geen sprake van een situatie dat faillissement en tekort te verwachten zijn of dat ernstig rekening moest worden gehouden met een tekort, welk moment (a) aan de veilige kant gesteld moet worden en (b) waarvoor niet maatgevend is of de dan nog onzekere verplichting uit het op dat moment bestaande actief kunnen worden voldaan maar of ze kunnen worden voldaan.
Het jaar 2009Het dividendbesluit wordt genomen op 2 juli 2010. De op dit peilmoment beschikbare informatie is:
(*) Voorop gesteld moet worden dat de continuïteit van Welsec volgens de accountant niet in debat was. Anders had de accountant immers op grond van COS570 ook geen schone accountantsverklaring kunnen afgeven. Dan had de accountant aan de bel moeten trekken en was, indien de directie hem had kunnen overtuigen, in zijn verklaring toegelicht waarom er toch van continuïteit werd uitgegaan. Sterker nog, de accountant had zelf in de concept jaarrekening al conform het gebruikelijke dividendbeleid de dividenduitkering verwerkt voordat het besluit daartoe was genomen. Bij deze externe deskundige was er derhalve geen twijfel dat dit geen problemen kon vormen gezien Welsec’s positie, mogelijkheden en vooruitzichten en die van de groep waartoe Welsec behoort.
(*) Vlottend actief € 963.441; vlottend passief exclusief bank en HHI/groepsmaatschappijen € 580.832. De kortlopende schulden worden ruim gedekt door het kortlopende actief.
(*) Welsec heeft gewaardeerd op basis van historische kostprijs. Dit betekent dat er sprake is van aanzienlijke stille reserves, meer in het bijzonder het vastgoed. De boekwaarde daarvan is per ultimo 2009 € 1.355.635 (cumulatieve afschrijving € 2.128.930). Alleen al daarin zit echter een verschil, dat de maximale vordering van de Staat overschrijdt.
(*) Ook voor het hierop volgende jaar wordt een positief bedrijfsresultaat verwacht.
Ten aanzien van de claim van de Staat: hetzelfde als hiervoor t.a.v. 2008 aangegeven. Er wordt nog steeds op een arrest gewacht.
“
In deze zaak heeft de Rechtbank bij vonnis van 9 november 2005 Welgelegen en Welsec hoofdelijk veroordeeld om aan de Staat te betalen € 1.292.215,61 vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld. De kans is zeker aanwezig dat de vordering aanmerkelijk teruggebracht gaat worden, maar meer valt daar op dit moment niet over te zeggen.”
7.34 Ook op dit moment is geen sprake van een situatie dat ernstig rekening moest worden gehouden met een tekort, wat (a) aan de veilige kant gesteld worden en (b) waarvoor niet maatgevend is of uit het op dat moment bestaande actief kunnen worden voldaan maar of ze kunnen worden voldaan.”
[vetgedrukt en gecursiveerd in origineel, zonder voetnoten uit origineel, A-G]
Deze toelichting op grief 5 wordt onder 7.35-7.40 van de memorie van grieven zijdens HHI c.s., voor zover hier relevant, als volgt afgesloten:
7.36 De enkele stelling dat mogelijkerwijs Welsec niet over voldoende middelen zou beschikken om de claim van de Staat te voldoen is ontoereikend om te kunnen concluderen dat HHI als aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank lijkt een verkeerde maatstaf te hanteren door steeds maar de claim van de Staat al vaststaand te betalen aan te nemen terwijl het feitelijke perspectief van de aandeelhouder (alsook directie en commissaris) steeds was de bestaande crediteuren en mogelijk nog een bedrag aan de Staat maar dat laatste zou altijd een te overzien bedrag zijn. Voorts miskent het dat steeds gekeken moet worden naar de stille reserves, mogelijkheden voor verkrijging eigen en vreemd vermogen, etc.
7.37 Het continuïteitsvraagstuk is pas gaan spelen toen het eindarrest in 2011 onherroepelijk is geworden. Toen ontstond de situatie dat de bank zich had geroerd en de accountant erover begon dat er niet meer van continuïteit van de gehele groep uitgegaan kon worden als er geen schikking werd bereikt, omdat dan de integrale post als schuld in de balans moet worden opgenomen. Zowel de bank als accountant keken naar het groepsvermogen (wat ook geldt voor kredietverzekeraars).
7.38 Eén van de verwachtingen die HHI gerechtvaardigd heeft gehad en mocht hebben is dat de Staat niet het volledige bedrag zou verlangen van Welsec. Steeds maar weer heeft de Staat aangegeven bereid te zijn tot een schikking. Als de Staat gewoon haar toezegging was nagekomen en duidelijkheid had geschapen, dat zij sowieso bedrag X zou willen dan was er een andere situatie geweest.
7.39 Hier is het probleem dat de Staat telkenmale het bestuur van Welsec en in diens verlengde de aandeelhouder in de veronderstelling heeft laten verkeren dat men tot een schikking zou komen gelijk FSW en uiteindelijk de toezegging daartoe niet waar heeft gemaakt, door domweg niet te reageren tot het uur U daar was en niet langer daarmee getalmd kon worden, terwijl dat wel expliciet was toegezegd.
7.40 (…)”
Ik wijs hier verder nog op het volgende inzake de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 7.15, zesde asterisk (over (de jaarrekening over) het jaar 2005), waar te lezen valt:
productie 9: taxatierapport HDS.
11.11 En de inventaris op € 1.300.000. Zie
productie 10: taxatierapport HDS inventaris.
11.12 Alleen al deze activa waren toen gewaardeerd op ruim € 7 miljoen. En dan is nog niet eens rekening gehouden met de goodwill/winstpotentie van de onderneming die alle jaren operationele winst maakte.”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Gegeven het voorgaande moet de slotsom zijn dat, naar bestudering van de gedingstukken ter zake leert en het hof in essentie, navolgbaar en geenszins onbegrijpelijk ter zake oordeelt in rov. 4.11 (specifiek het onderstreepte deel zoals hiervoor geciteerd), het bestaan en de eventuele omvang van een stille reserve van Welsec, zoals bedoeld door HHI c.s. in de memorie van grieven, niet te bepalen valt op basis van het daartoe zijdens HHI c.s. aangevoerde (wat betreft de subonderdelen dus, in termen van vindplaatsen, specifiek onder verwijzing naar de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 7.15-7.40, onder 9.10-9.12, 9.16 en onder 11.10-11.12, alsmede producties 9 en 10 daarbij), in het bijzonder ook niet in de periode die betrekking heeft op (de jaarrekeningen over) de jaren 2008 en 2009, [63] waarop ’s hofs beoordeling (ook) in rov. 4.11 ziet. De daarvoor vereiste feitelijke onderbouwing is daarin niet te vinden, zodat er ook geen grond is om te kunnen aannemen dat HHI c.s. destijds in redelijkheid mocht uitgaan van zo’n stille reserve zoals bedoeld in rov. 4.11, voorlaatste zin, nog los van de omvang ervan. Dit nog daargelaten dat, zoals het hof in rov. 4.11, voorlaatste zin nog opmerkt na “temeer”, en kort gezegd, HHI c.s. (eind 2011) als uiterst schikkingsvoorstel aan de Staat een bedrag van € 250.000,-- heeft aangeboden (zie ook rov. 3.18 van het arrest) en (begin 2012) het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken (zie ook rov. 3.19 van het arrest), waarop haaks staat dat in de genoemde periode in redelijkheid te verwachten viel dat de vordering wel had kunnen worden voldaan indien ook rekening zou worden gehouden met stille reserves en de mogelijkheid van het krijgen van eigen en vreemd vermogen (zie bijv. ook rov. 4.1, waar het hof de inleiding aldus opent: “Welsec heeft aangifte gedaan van haar eigen faillissement, nadat zij in een arrest van dit hof was veroordeeld tot betaling aan de Staat van de kosten van de in 2002 en 2003 uitgevoerde sanering in de Industriehaven, en zij niet in staat was gebleken dit bedrag te voldoen”). In het bijzonder ontbreekt dus afdoende duidelijkheid over, kort gezegd, de reële waarde van het desbetreffende bestaande actief (ook) in die periode, waarover HHI c.s. zich daar niet noemenswaardig, laat staan concreet, heeft uitgelaten. Dat de boekwaarde van de bestaande materiële vaste activa door (cumulatieve) afschrijving lager is dan de historische kostprijs, zoals (ook) over die periode wordt aangevoerd door HHI c.s. in de memorie van grieven, biedt daarvoor, als gezegd, op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten. Voornoemde taxatierapporten uit 2009 inzake de verzekerde waarde op genoemde basis bieden daarvoor, als eveneens gezegd, op zichzelf evenmin afdoende aanknopingspunten. De combinatie van een en ander leidt, als ook gezegd, logischerwijs niet tot een andere uitkomst. Hetgeen daar door HHI c.s. verder is opgemerkt, kan hieraan niet afdoen, nu ook daarin die duidelijkheid niet wordt verschaft. Ik merk daarbij nog op dat HHI c.s. zich daar (ook) over die periode niet heeft uitgelaten over, wat het onder 7.15 zesde asterisk van de memorie van grieven (over het jaar 2005, althans de jaarrekening over 2005) dus noemt, de “marktwaarde” van het bestaande vastgoed en van de bestaande inventaris van Welsec, los van de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 11.10-11.12 en de daarbij genoemde producties 9 en 10 daarbij, waaruit zo’n “marktwaarde” evenwel nog niet blijkt, waarover dus hiervoor. [64] Ik wijs hier verder - en ten overvloede - nog op het volgende. Uit de vaststaande feiten (zie onder 1.19 hiervoor) blijkt dat Langhout een paar jaar later (in 2012) voor de onroerende zaken € 1.500.000,-- en voor de inventaris/bodemzaken € 175.000,-- heeft betaald. De materiële vaste activa (bedrijfsgebouwen en -terreinen, machines en installaties en andere vaste bedrijfsmiddelen) stonden ultimo 2009 voor € 1.554.742,-- in de boeken, waaronder een waarde van € 1.355.635,-- voor de bedrijfsgebouwen en -terreinen. [65] Dat verschilt overigens ook niet veel van de WOZ-waarde van de onroerende zaak Lange Lijnbaan 9 per ultimo 2011 van € 1.468.000,--, die de curator als productie 7 bij zijn memorie van antwoord in het geding heeft gebracht. Ook dat wijst niet op een (aanzienlijke) stille reserve met betrekking tot het vastgoed. [66] Aan dit een en ander valt toe te voegen dat zijdens HHI c.s. in de memorie van grieven onder 7.36 weliswaar is opgemerkt “dat steeds gekeken moet worden naar de stille reserves, mogelijkheden voor verkrijging eigen en vreemd vermogen, etc.”, maar HHI c.s. ook ten aanzien van dit laatste (dus die “mogelijkheden voor verkrijging eigen en vreemd vermogen, etc.”) in de door de subonderdelen genoemde vindplaatsen (dus de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 7.15-7.40, onder 9.10-9.12, 9.16 en onder 11.10-11.12, alsmede producties 9 en 10 daarbij) niet een afdoende feitelijke onderbouwing heeft aangereikt om te kunnen aannemen, kort gezegd, dat, in het bijzonder in die periode die betrekking heeft op (de jaarrekeningen over) de jaren 2008 en 2009, [67] waarop ’s hofs beoordeling (ook) in rov. 4.11 dus ziet, HHI c.s. in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat Welsec in de vereiste mate eigen en vreemd vermogen kon verkrijgen met het oog op voldoening van de vordering van de Staat op Welsec, zoals bedoeld in rov. 4.11, voorlaatste zin. Weliswaar had Welsec destijds een renderende onderneming [68] (zoals het hof onderkent, gelet ook op de tabel in rov. 4.10 van het arrest, alsmede rov. 4.24, voorlaatste zin), dit laat onverlet:
Hierbij betrek ik tevens het volgende. In rov. 4.11 overweegt het hof dus onder meer dat het in acht nemen van het belang van HHI niet kan rechtvaardigen dat “Welsec aan een risico wordt blootgesteld dat tot haar faillissement kan leiden” en dat “HHI c.s. onvoldoende [heeft] onderbouwd dat in redelijkheid te verwachten viel dat de vordering wel had kunnen worden voldaan indien ook rekening zou worden gehouden met stille reserves en de mogelijkheid van het krijgen van eigen en vreemd vermogen, temeer nu dit haaks staat op het feit dat zij als uiterst schikkingsvoorstel aan de Staat een bedrag van € 250.000,- hebben aangeboden, en het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken.” Het hof heeft met “de vordering” het oog op het betalen door Welsec van een bedrag van ongeveer € 1,2 miljoen euro in hoofdsom (te vermeerderen met wettelijke rente en kosten) aan de Staat, zoals ook blijkt uit rov. 4.11, eerste zin (waar het hof overweegt dat de dividenduitkeringen over de jaren 2008 en 2009 betrekking hebben op “cumulatieve bedragen van een zodanige omvang dat daarmee de vordering van de Staat in hoofdsom kon worden voldaan als die bedragen beschikbaar waren gebleven voor Welsec”), waarop het hof in het vervolg van rov. 4.11 voortbouwt. ’s Hofs oordeel in rov. 4.11, voorlaatste zin en slotzin moet, in totaliteit bezien, derhalve zo begrepen worden:
Bezien tegen deze achtergrond, kan op basis van het door de subonderdelen aangevoerde hoe dan ook niet worden gezegd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met zijn bestreden oordeel in rov. 4.11 dat, kort gezegd, bij gebrek aan feitelijke onderbouwing het bewijsaanbod van HHI c.s. (dus tot het leveren van tegenbewijs ter zake) zoals bedoeld in de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 6.14 zal worden gepasseerd. In het bijzonder kon het hof gelet daarop zonder schending van enige rechtsregel oordelen, zoals het naar de kern genomen doet in rov. 4.11, (voorlaatste zin en) slotzin, dat ter zake niet is voldaan aan wat de subonderdelen - terecht - noemen “de ondergrens voor het toelaten van tegenbewijs”, te weten een voldoende gemotiveerde betwisting zijdens HHI c.s. van de stellingen van de curator ter zake. [84] Bezien tegen deze achtergrond kan op basis van het door de subonderdelen aangevoerde hoe dan ook evenmin worden gezegd dat het hof, aldus oordelend, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) motiveert, in het bijzonder omdat het nader had dienen te motiveren waarom HHI c.s. de stellingen van de curator onvoldoende gemotiveerd zou hebben betwist. Gegeven de context van rov. 4.11, het overwogene in rov. 4.11, voorlaatste zin, alsmede hetgeen kenbaar ter beoordeling aan het hof voorlag wat betreft dat bewijsaanbod van HHI c.s. (blijkens rov. 4.11 en de daarin opgenomen verwijzing naar de memorie van grieven zijdens HHI c.s. onder 6.14, waarover hiervoor) en de gedingstukken, is ook zonder nadere motivering door het hof (dus nog weer verdergaand dan rov. 4.11, voorlaatste zin en slotzin) duidelijk waar het volgens het hof aan schort wat betreft de feitelijke onderbouwing door HHI c.s. van dat bewijsaanbod: dat laat zich, bij die stand van zaken, goed navolgen. Tot slot: het behoeft ook hier geen betoog dat, waar het hof genoemd bewijsaanbod van HHI c.s. dus niet passeert omdat het niet ter zake dienend zou zijn, het hof uiteraard ook niet hoefde te motiveren waarom dat bewijsaanbod niet ter zake dienend was.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
’s Hofs overwegingen in rov. 4.24, laatste twee zinnen van het arrest maken deel uit van diens bredere beoordeling in rov. 4.24 van het door HHI gevoerde verweer inzake het causale verband met betrekking tot haar onrechtmatig handelen ex art. 6:162 BW Pro als enig aandeelhouder van Welsec (zoals vastgesteld in rov. 4.17-4.22) en de door de curator gestelde schade zoals weergegeven in rov. 4.23, welke passages ik voor een goed begrip eerst citeer (met onderstreping van genoemde overwegingen).
Causaal verband
Welsec was een goed lopende onderneming met een gevulde orderportefeuille, met een resultaat na belastingen over de laatste twee jaar van ruim € 1.200.000,-. Uit niets blijkt [dat, A-G] zij niet in staat zou zijn geweest om naast het bedrag waar zij door het niet uitkeren van het dividend over had kunnen beschikken, eventueel krediet had kunnen verwerven, om hiermee met de Staat een schikking te treffen of al dan niet via een betalingsregeling af te lossen.” [85] [onderstreping toegevoegd, A-G]
Bezien ook in de juiste, te onderscheiden contexten van rov. 4.11 en rov. 4.24, waaraan het onderdeel ten onrechte voorbijgaat, [87] is duidelijk dat ’s hofs oordeel in rov. 4.24, laatste twee zinnen [88] (dat dus niet slechts is, anders dan het onderdeel het doet voorkomen, “dat Welsec waarschijnlijk krediet had kunnen verwerven, omdat zij een goed lopende onderneming was”, zodat het evenmin zo is, anders dan het onderdeel het doet voorkomen, dat het hof “[m]et deze overweging” zelf de onderbouwing geeft waarom de bestuurders mochten uitgaan van de optie om vreemd vermogen aan te trekken) in het arrest naast ’s hofs oordeel in rov. 4.11, voorlaatste zin [89] kan staan zonder een innerlijke tegenstrijdigheid, en daarmee een onbegrijpelijk oordeel, op te leveren zoals bedoeld in het onderdeel. Met hetgeen het hof overweegt in rov. 4.24 inclusief de laatste twee zinnen [90] is immers zonder méér nog
nietgegeven, gelet ook op de behandeling van onderdeel II onder 3.8 hiervoor, (dat het hof ‘dus’ had moeten aannemen in rov. 4.11, anders dan het daar doet,) dat HHI c.s. wél afdoende feitelijk heeft onderbouwd, zoals op haar weg lag gelet op het door haar ten verweer aangevoerde betoog ter zake zoals bedoeld in rov. 4.11, voorlaatste zin in het kader (ook) van de beoordeling van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiser 2] en [eiser 3], dat als tevens rekening wordt gehouden met (stille reserves en) de mogelijkheid van het verkrijgen van (eigen en) vreemd vermogen, [91] in het bijzonder in de te onderscheiden, niet-hypothetische situatie in de periode die betrekking heeft op (de jaarrekeningen over) de jaren 2008 en 2009 [92] in redelijkheid te verwachten viel dat Welsec de vordering van de Staat, strekkende tot betaling aan de Staat van een bedrag van ongeveer € 1,2 miljoen in hoofdsom (te vermeerderen met wettelijke rente en kosten), ook na de dividenduitkeringen ten bedrage van ruim € 1,2 miljoen eind 2009 resp. eind 2010 (waarvan het hof daar als feiten uitgaat) wel zou kunnen voldoen. [93] Wat het hof overweegt in rov. 4.24, voorlaatste zin in de daar gegeven context, door het onderdeel aldus samengevat dat Welsec “een goed lopende onderneming was”, maakt dit, zoals ook volgt uit de behandeling van onderdeel II onder 3.8 hiervoor, dus niet anders. Kort en goed: wat het hof overweegt in rov. 4.24, laatste twee zinnen (ook voor zover betrokken door het onderdeel) [94] maakt nog niet dat ’s hofs oordeel in rov. 4.11, voorlaatste zin, althans zonder nadere motivering, daarmee niet te rijmen en daarom onbegrijpelijk zou zijn. [95] Voor zover het onderdeel al uitgaat van een juiste lezing van het arrest, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande.
Hierop stuit het onderdeel af.
Subonderdeel IV.aklaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.22 van het arrest (in het bijzonder het oordeel “en Welsec dan niet over voldoende middelen zou beschikken om de claim van de Staat te voldoen”) onjuist is, als het berust op de opvatting dat voor de aansprakelijkheid van een aandeelhouder jegens de gezamenlijke schuldeisers van een vennootschap niet van belang zijn de vermogenspositie van de vennootschap en de door haar gedreven (goed lopende) onderneming. [96] De aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld op grond van de vraag of de aandeelhouder - gelet op alle relevante omstandigheden van het geval - bij het uitkeren van dividend, rekening diende te houden met een tekort, waardoor de schuldeisers zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. [97] Tot de relevante omstandigheden moet ook worden gerekend de vraag of het vermogen van de vennootschap toereikend was of, gelet op de omstandigheden van het geval, zou kunnen zijn.
Subonderdeel IV.bklaagt dat als het hof het in subonderdeel IV.a aangevoerde niet miskent, zijn oordeel onbegrijpelijk is. Het hof heeft immers de omstandigheden dat Welsec [98] beschikte over voldoende actief en dat er sprake was van een goed lopende onderneming, welke omstandigheden ertoe leiden dat de schuldeisers niet werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden, (anders dan in rov. 4.24) niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken.
De rechtbank heeft in rov. 4.26-4.29 van haar vonnis geoordeeld dat HHI onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Welsec:
Onrechtmatig handelen HHI
dat Welsec mede daardoor over onvoldoende vermogen beschikte om de vordering van de Staat te kunnen voldoen, mocht deze ook in hoger beroep (geheel of grotendeels) worden toegewezen. Onder deze omstandigheden heeft HHI naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers van Welsec door ten aanzien van de jaren 2005 t/m 2009 als enig aandeelhouder in de betreffende aandeelhoudersvergaderingen ieder jaar te stemmen vóór het voorstel om het volledige bedrijfsresultaat na belastingen als dividend aan zichzelf uit te keren. Door aldus te bewerkstelligen dat jarenlang het gehele bedrijfsresultaat na belastingen aan Welsec werd onttrokken
in de wetenschap dat Welsec daarmee niet over voldoende middelen zou beschikken om de claim van de Staat te voldoen, heeft HHI zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers, hetgeen onder de geschetste omstandigheden als uitermate onzorgvuldig is aan te merken.
4.29. Voor zover HHI c.s. aanvoert dat de financieringsovereenkomst die in juli 2005 met ABN AMRO was gesloten, als genoemd in r.o. 2.15, HHI verplichtte om de dividendbesluiten ten aanzien van de jaren 2005 t/m 2007 te nemen, heeft zij dit tegenover de betwisting door de curator onvoldoende onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan uit de door haar overgelegde financieringsovereenkomst een dergelijke verplichting niet worden afgeleid, terwijl iedere verdere onderbouwing van dit door HHI c.s. gevoerde verweer ontbreekt.”
[cursivering in origineel, onderstreping toegevoegd, A-G]
Het subonderdeel gaat, mede bezien tegen deze achtergrond, uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Uit rov. 4.22 blijkt niet dat ‘s hofs oordeel erop berust, kort gezegd, dat voor de aansprakelijkheid van een aandeelhouder jegens de gezamenlijke schuldeisers van een vennootschap op de voet van art. 6:162 BW Pro de vermogenspositie van de vennootschap en de door haar gedreven (goed lopende) onderneming (de vraag of het vermogen van de vennootschap toereikend was of, gelet op de omstandigheden van het geval, zou kunnen zijn) belang ontbeert, en het hof aldus niet alle relevante omstandigheden van het geval heeft betrokken in zijn beoordeling van de op onrechtmatig handelen gebaseerde aansprakelijkheid van HHI jegens de schuldeisers van Welsec, zoals het subonderdeel naar de kern genomen aanvoert. [99] ’s Hofs oordeel in rov. 4.22, in het bijzonder de overweging dat “en Welsec dan niet over voldoende middelen zou beschikken om de claim van de Staat te voldoen”, sluit aan bij het oordeel van de rechtbank in rov. 4.28, waaruit blijkt dat dit insluit, kort gezegd, dat HHI wetenschap had dat Welsec “over onvoldoende vermogen beschikte om de vordering van de Staat te kunnen voldoen, mocht deze ook in hoger beroep (geheel of grotendeels) worden toegewezen”, oftewel dat voorzienbaar was dat de Staat dan tekort zou komen nu Welsec, gelet op haar te verwachten vermogenspositie alsdan (kijkend ook naar eventuele stille reserves en verkrijgbaarheid van eigen en vreemd vermogen), op basis van de haar alsdan beschikbare middelen kenbaar die vordering niet zou kunnen voldoen. Dat oordeel van het hof moet ook worden bezien in het licht van onder meer:
Hierop stuiten de subonderdelen af.
De rechtbank beoordeelt het door de curator (in zijn inleidende dagvaarding onder 40) gestelde causale verband tussen het onrechtmatige handelen van HHI (uit rov. 4.26-4.29 van het vonnis, weergegeven onder 3.12 hiervoor, volgt dat HHI onrechtmatig heeft gehandeld jegens de schuldeisers van Welsec ten aanzien van de over de jaren 2005 t/m 2009 genomen dividendbesluiten) in rov. 4.30-4.41 van het vonnis. Deze laatste overwegingen hebben mede betrekking op het causale verband tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [eiser 2] en [eiser 3] en het faillissement zoals vereist door, kort gezegd, art. 2:248 BW Pro. Voor zover hier relevant, en kort gezegd, heeft de rechtbank aangenomen dat causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige handelen van HHI en de door de schuldeisers van Welsec geleden schade zoals gesteld door de curator.
Met haar grief 8 komt HHI c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.30-4.33 van het vonnis. Deze grief luidt, voor zover betrekking hebbend op HHI, dat “de rechtbank [ten onrechte heeft] aangenomen dat er een causaal verband bestaat tussen het gestelde onrechtmatige handelen van HHI en de gestelde schade door de curator”. Grief 8 is ten aanzien van HHI als volgt toegelicht:
Ten aanzien van HHI (geen causaal verband):op grond van art. 6:98 BW Pro komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
10.2 Een zodanig verband is in casu niet aanwezig, laat staan met het volledige faillissementstekort zoals de rechtbank lijkt te overwegen. Pas met het eindarrest in 2011 ontstond continuïteitsgevaar. Vanaf dat moment heeft HHI ook geen dividendbesluiten of -uitkeringen meer genomen c.q. gedaan.
10.3 Ten onrechte vlakt de rechtbank de toezegging van de Staat uit om een regeling te treffen met behoud van continuïteit bij Welsec en de onbetwiste afspraak om voor medio januari 2012 uitsluitsel te geven over waartoe zij definitief bereid zou zijn.
10.4 Zelfs al zou dat niet acceptatie van het eindvoorstel zijn van € 250.000, dan nog in ieder geval een voorstel, waarmee de continuïteit gewaarborgd was.
10.5 De dividenduitkeringen zijn achteraf natuurlijk opvallend, maar ook zonder dat ze waren gedaan was de situatie geen andere geweest. Zulks vanwege het groepskrediet. Thans is Welsec gefailleerd met een bankschuld van circa € 1.400.000 per datum faillissement. Zouden de dividenduitkeringen vanaf 2005 ad € 1.845.411 niet zijn gedaan dan was zij gefailleerd met een positieve bankstand van ruim € 485.000. Maar vanwege de hoofdelijkheid en omdat regres was uitgesloten zou dat evenmin beschikbaar zijn (dit is vastgelegd in een aparte hoofdelijkheidsakte bij de kredietovereenkomst, die HHI c.s. aanbieden in het geding te brengen indien zulks relevant wordt geacht). Uit de overgelegde brief van de bank blijkt ook wel dat zij niet toestond dat uit haar faciliteit een bedrag ineens geput zou worden om de vordering van de Staat te voldoen en voor zover vereist wordt daarvan bewijs aangeboden door het horen van medewerkers van de bank.
10.6 Enkel de onduidelijkheid, die de Staat in weerwil van haar toezegging liet bestaan begin 2012 maakte dat het faillissement in januari 2012 moest worden aangevraagd om te voorkomen dat de hele groep inclusief Welsec wegens waardering op grond van discontinuïteit door haar hoeven zou zakken en failleren.
10.7 HHI c.s. is het in het kader van het causale verband niet eens met en wenst met deze grief op te komen tegen de overwegingen van de rechtbank in r.o. 4.30 dat het verweer dat als in de jaarrekening 2005 de claim (volledig) als voorziening in de balans was opgenomen - zoals de rechtbank vond dat had gemoeten - het verweer dat zij in dat geval toen reeds het faillissement had moeten aanvragen, geen hout snijdt. Anders dan de rechtbank t.a.p. overweegt, heeft de curator immers wel degelijk aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd het verwijt dat er geen voorziening is getroffen.
10.8 Waar het oordeel zou zijn, dat de vordering van de Staat in de jaarrekening 2005 had moeten worden opgenomen, moeten ook de consequenties daarvan in dat geval meegenomen worden. En die zijn dat de situatie toen niet anders was dan eind 2011, te weten (i) een soortgelijke crediteurenlast, (ii) de vordering van de Staat en (iii) een bank die dat niet had willen financieren. Dit geldt nog sterker indien het oordeel van de rechtbank in stand blijft, dat na het vonnis niet meer op een schikking met de Staat vertrouwd had mogen worden.
10.9 Hooguit had de rechtbank mogen oordelen dat met de brief van de bank in 2011 nog niet vast staat dat de bank daar in 2005 net zo over dacht op het moment dat de vordering van de staat in de balans (enkelvoudig en geconsolideerd) had moeten worden opgenomen. Daarvan zal hierna een gespecificeerd bewijsaanbod worden gedaan.”
[cursivering in origineel, A-G]
Ad GRIEF 810.1 t/m 10.5123.Curator merkt op dat de rechtbank het aangenomen causaal verband tussen onrechtmatig handelen en de schade uitvoerig heeft gemotiveerd.
124. Met grote regelmaat wordt in de memorie van grieven de Staat het verwijt gemaakt dat het niet tot een regeling is gekomen. Er is van het eventueel bestaande verloop van de schikkingsonderhandelingen geen enkel bewijsstuk traceerbaar. Curator wenst hierbij te onderstrepen dat de Staat volkomen vrij is om al dan niet tot een regeling te komen. HHI beweert dat de Staat allerhande toezeggingen zouden hebben gedaan maar, nogmaals, dit wordt op geen enkele wijze onderbouwd.
125.Curator zet overigens voortdurend vraagtekens bij door het bestuur beweerdelijke feiten dan wel gedane toezeggingen. In 10.5 noteert HHI dat de dividenduitkeringen achteraf “natuurlijk” opvallend zijn geweest. Dat de uitkering aan de moedermaatschappij feitelijk gedwongen was door het groepskrediet, wordt door curator beschouwd als zijnde een volkomen bedacht verhaal.
126.Uit niets kan voorts blijken dat de uitkering aan de Staat, laat staan reeds in 2005. Tot het einde van de onderneming zou hebben geleid. De winsten waren royaal, zelfs in 2009, in de crisis bedroeg de belaste winst van HHI nog bijna € 2 miljoen (
productie 6).
Ad 10.7128.Nogmaals wordt door de curator aangegeven dat het treffen van een voorziening, reeds in 2005, geen directe invloed had op de liquiditeit van het concern. Immers, zoals voortdurend door HHI wordt beweerd, ging de Staat niet tot executie van het vonnis over. De gereserveerde middelen bleven gewoon beschikbaar binnen het bedrijf als geheel. Dat dus toen in 2005 reeds het faillissement zou hebben gevolgd snijdt geen hout, om in de termen van HHI te spreken.
(…).”
[onderstreept en vetgedrukt in origineel, A-G]
Waar het hof in rov. 4.23, tweede en derde zin van het arrest het in rov. 4.23, eerste zin bedoelde, in het kader van grief 8 gevoerde causaal verband-verweer van HHI weergeeft, legt het hof dit genoemd betoog in de memorie van grieven zijdens HHI c.s. uit en sluit het daarbij (in cassatie onbestreden) in het bijzonder, en niet onbegrijpelijk, aan bij de memorie van grieven zijdens HHI c.s., onder 10.5. Het hof gaat daarbij uit van een tweeledig verweer, met als premisse, kort gezegd, de hypothetische situatie dat “de dividenduitkeringen over 2008 en 2009 niet zouden zijn gedaan”.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Zoals volgt uit de behandeling van subonderdeel V.a, onder 3.15 hiervoor, motiveert het hof zijn oordeel in rov. 4.24 inzake de verwerping van het in rov. 4.23 weergegeven causaal verband-verweer van HHI (in het kader van grief 8 zijdens HHI c.s.) wel degelijk, en niet onbegrijpelijk. Het hof was niet gehouden daarbij nog weer uitdrukkelijk te verwijzen naar hetgeen de curator ter zake van het causale verband in eerste aanleg en hoger beroep heeft aangevoerd of nader uit te leggen waarom het meent dat genoemd verweer van HHI dient te stranden, waarbij nog aantekening verdient dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.24 niet zozeer (tot uitdrukking brengt dat het) ‘meegaat’ in de stelling van de curator zoals bedoeld in het subonderdeel, als wel (tot uitdrukking brengt dat het) komt tot verwerping van grief 8 zijdens HHI c.s., waarmee gegeven is dat het oordeel van de rechtbank omtrent het door haar (met inachtneming van het partijdebat in eerste aanleg) aangenomen causaal verband als bedoeld in rov. 4.23, eerste zin blijft staan. Het hof kon het in rov. 4.24 bij deze motivering laten.
Hierop stuit het subonderdeel af.