Conclusie
[eiseres 1])
[eiseres 2])
PNE)
[eiseressen])
curator)
1.Feiten
eindarrestrespectievelijk het
hof). [2]
ABN AMRO). In het kader daarvan had [de echtgenoot] overeenkomsten van geldleningen met ABN AMRO gesloten. Onderdeel daarvan vormde een zogenaamde ‘rente-swap’ (Interest Rate Swap), die inhield gedurende een bepaalde periode de betaling van geïndexeerde, variabele rente (in dit geval de Euribor) te ruilen tegen de betaling van vaste rente.
[betrokkenen 2 en 3]) bij haar in dienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst.
businessplan) in opdracht van [betrokkenen 2 en 3] Op 8 april 2011 heeft [de accountant 1] dit businessplan gestuurd aan [betrokkenen 2 en 3] en aan [de accountant 2] , de accountant van [eiseres 1] .
[wegtransportbedrijf]) opgericht. Daarbij werden de activa en passiva van de onderneming ‘ [wegtransportbedrijf] ’ ingebracht, met uitzondering van het registergoed [a-straat 4] te [plaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening (deze bleven achter in [eiseres 2] ). Bestuurders van [wegtransportbedrijf] werden [betrokkenen 2 en 3] en [eiseres 2] . [3]
bankrekening van [wegtransportbedrijf]). Bij brief van 31 augustus 2011 heeft ABN AMRO aan [wegtransportbedrijf] informatie verstrekt over de fixatie van de derivatentransactie ter zake van de hypothecaire geldlening [a-straat 1-3] ter hoogte van op dat moment een hoofdsom van € 943.000,-. ABN AMRO heeft aan [wegtransportbedrijf] meegedeeld dat de maandelijkse rente hierover per saldo € 2.598,49 bedraagt en wordt verrekend via de bankrekening van [wegtransportbedrijf] onder vermelding van de omschrijving ‘verrekening derivaten transactie’.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). De curator heeft daarbij gevorderd (i) een verklaring voor recht dat [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van [wegtransportbedrijf] , nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en (ii) hoofdelijke veroordeling van [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten. De curator heeft de vordering onder (i) gebaseerd op art. 2:248 lid Pro 1-2 BW in verbinding met art. 2:11 BW Pro. [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] hebben verweer gevoerd.
eindvonnis) heeft de rechtbank, zakelijk weergegeven, als volgt beslist.
In het incidentzijn de vorderingen van [eiseressen] afgewezen en zijn [eiseressen] veroordeeld in de proceskosten, tot aan het eindvonnis aan de zijde van de curator begroot op nihil.
In de hoofdzaak in conventiezijn de vorderingen van de curator toegewezen als uiteengezet in het dictum, is het eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is het meer of anders gevorderde afgewezen.
In de hoofdzaak in reconventiezijn de vorderingen van [eiseressen] afgewezen, zijn [eiseressen] veroordeeld in de proces- en nakosten als uiteengezet in het dictum en is het eindvonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Daarmee is sprake van twee te onderscheiden hoger beroepsprocedures met drie respectievelijk twee appellanten. Beide procedures zijn gericht op vernietiging van het vonnis van 25 april 2018 en het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Behandeling
Wat betreft
rov. 5.8van het eindarrest is D sub 2) van het onderdeel relevant. Daar noemt het onderdeel ofwel geen vindplaatsen in de gedingstukken met stellingen. [11] Ofwel vindplaatsen in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] [12] die niet in de weg staan aan ’s hofs overweging in rov. 5.8 dat door [eiseressen] onvoldoende is onderbouwd, noch anderszins is gebleken, “[d]at concreet uitzicht bestond op verbetering van de financiële positie” van [wegtransportbedrijf] . Dit laatste valt in die vindplaatsen niet te lezen. [13]
rov. 5.11is D sub 3) van het onderdeel relevant. Daar noemt het onderdeel vindplaatsen in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] [14] die niet in de weg staan aan ’s hofs overweging in rov. 5.11 dat door [eiseressen] (en [betrokkenen 2 en 3] ) onvoldoende feitelijk is onderbouwd “[d]at [wegtransportbedrijf] - los van de mogelijke omzet van Nabuurs - concreet uitzicht had op omzetvergroting”. Dit laatste valt in die vindplaatsen niet te lezen.
rov. 5.15geldt vooreerst dat de klacht belang mist, omdat het hof daar in de voorlaatste zin ten overvloede overweegt dat die stelling (inzake de naweeën van de crisis) van [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] in het licht van de feiten en omstandigheden onvoldoende is onderbouwd. Het hof laat daaraan immers voorafgaan dat het verweer van [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] dat ook andere oorzaken voor het faillissement van [wegtransportbedrijf] zijn aan te wijzen, zoals de naweeën van de door hen gestelde crisis, erop strandt dat de curator aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [wegtransportbedrijf] in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro. En dat voor aansprakelijkheid niet is vereist dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur de enige oorzaak is van het faillissement.
Daarbij komt dat de vindplaatsen in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] die het onderdeel noemt onder D sub 4) [15] niet in de weg staan aan ’s hofs overweging in die voorlaatste zin van rov. 5.15. Zo’n voldoende onderbouwing valt in die vindplaatsen niet te lezen. Overigens laat hetgeen in die vindplaatsen wel te lezen valt onverlet wat het hof overweegt in de eerste drie zinnen van rov. 5.15. Welke overwegingen ’s hofs causaliteitsoordeel in rov. 5.15 dus zelfstandig dragen.
‘onderdeel’ a(“inbreng verlieslatende onderneming een gegeven (na 12-7-2011)”), onder 1). Dat citeer ik maar:
‘onderdeel’ b(“oorzaken van faillissement vallen niet in de boedelperiode (tot 14-2-2012)”), onder 2). Ook dat citeer ik maar:
‘onderdeel’ c(“een lopend bedrijf besturen m.i.v. 13-7-2011 tot 14-2-2012”), onder 3) t/m 5) (met sub 1) t/m 14)). Dit klaagt dat het hof in de bestreden overwegingen, in het bijzonder in rov. 2, 3.2-3.3 en 5.5 van het eindarrest, heeft miskend wat in art. 149 lid 1 Rv Pro staat en/of zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd in het licht van essentiële weren en stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van [eiseressen] ter zake en/of [eiseressen] ten onrechte dan wel onbegrijpelijk niet heeft toegelaten tot levering van tegenbewijs (zie onder 3)). De uitwerking daarvan is te vinden onder 5) sub 1) t/m 13), [21] die ik onder 3.11.1 hierna puntsgewijs langsloop. [22] Daarbij betrekt het onderdeel onder 4) dat [eiseressen] in eerste aanleg en in hoger beroep tegenbewijs en gespecificeerd bewijs hebben aangeboden.
5) sub 1). Dit ziet op rov. 5.5 sub i) van het eindarrest. Daar gaat het hof onder meer in op het verlieslatende karakter van de onderneming - het transportbedrijf - voorafgaand aan 12 juli 2011. Het onderdeel bestrijdt hier een overweging van het hof in dat verband. [23] Maar met een betoog (“ [eiseressen] betwisten gemotiveerd”, etc.) dat uitgaat van de periode ná inbreng van de onderneming in [wegtransportbedrijf] per genoemde datum en bovendien slechts ten dele verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken, waarbij het slechts ten dele gaat om stellingen van [eiseressen] , [24] die alle weer betrekking hebben op genoemde periode post-inbreng. [25]
5) sub 2). Dit ziet op rov. 5.5 sub ii). Daar zet het hof onder meer uiteen dat [wegtransportbedrijf] over een rekening-courant krediet kon beschikken bij ABN AMRO, maar dit krediet ten tijde van de inbreng van de onderneming in [wegtransportbedrijf] op 12 juli 2011 al was ‘volgelopen’ nu de maximale kredietruimte van € 300.000,- vrijwel volledig was benut, zodat [wegtransportbedrijf] dit krediet niet kon gebruiken voor haar bedrijfsvoering. [26] Anders gezegd, dit specifieke krediet als zodanig bood [wegtransportbedrijf] per die datum al geen noemenswaardige rek meer in termen van zelfstandige bron voor aanvullende financiering (middelen), dus los van eventuele nadien binnenkomende betalingen van [wegtransportbedrijf] ’s debiteuren op deze bankrekening waardoor binnen die kredietruimte weer (wat) marge zou ontstaan. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [27] Maar met een summier betoog [28] dat, voor zover het al aansluit op de daarbij genoemde vindplaatsen in de gedingstukken, [29] voorbijziet aan wat het hof hier overweegt en daaraan niet in de weg staat.
5) sub 3). Dit ziet op rov. 5.5 sub iii). Daar wijst het hof onder meer erop dat door de curator onbestreden is gesteld dat door het niet inbrengen van de onroerende zaken met overwaarde in [wegtransportbedrijf] (deze bleven immers achter in PNE en [eiseres 2] ), geen vermogensbestanddelen resteerden die als zekerheid voor aanvullende financiering konden dienen. Deze stelling van de curator, zoals verstaan door het hof, is te vinden in nr. 6.62 van diens memorie van antwoord. [30] Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [31] Maar met een betoog dat, voor zover het al aansluit op de daarbij genoemde vindplaatsen in de gedingstukken, [32] onder meer lijdt aan het gebrek dat het alleen ziet op wat door [eiseressen] is gesteld althans overgelegd en door de curator is overgelegd
voorafgaand aande memorie van antwoord zijdens de curator. [33] En overigens ook inhoudelijk die stelling van de curator onverlet laat.
5) sub 4). Dit ziet ook op rov. 5.5 sub iii). Daar benoemt het hof aan het slot nog dat die vermogensverschuiving die een gevolg was van die inbreng niet is ingegeven door het belang van [wegtransportbedrijf] , maar door fiscale motieven van [eiseres 1] ter vermijding althans beperking van successiebelasting en/of inkomstenbelasting. Ik begrijp dit zo dat het hof ook hier uitgaat van een onbestreden gebleven stelling van de curator. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [34] Maar met een betoog dat, voor zover het al aansluit op de daarbij genoemde vindplaatsen in de gedingstukken, [35] voorbijgaat aan de stelling van de curator [36] dat “deze wijze van herstructurering [was] ingegeven door louter fiscale motieven, met name ter diening van de belangen van [eiseres 1] , waarbij haar vennootschappen PNE en [eiseres 2] , als ontvangers van de overwaarden meeprofiteerden. Er werd beoogd om inkomstenbelasting- en successiebelastingverplichtingen voor [eiseres 1] (via een zogeheten BOF regeling) zoveel mogelijk te beperken.” Het enige latere gedingstuk met vindplaats zijdens [eiseressen] dat het onderdeel hier noemt, bevat wel een stellingname van [eiseressen] , maar geen betwisting van deze stelling van de curator. Het eerdere gedingstuk met vindplaats zijdens [eiseressen] dat het onderdeel hier noemt, bevat eveneens een stellingname van [eiseressen] , maar daar valt evenmin te lezen dat het achterblijven van de onroerende zaken met overwaarde in PNE en [eiseres 2] verband hield met iets anders dan de door het hof bedoelde fiscale motieven van [eiseres 1] . Wel, bijvoorbeeld, dat het niet inbrengen (maar verhuren) van de panden gunstig was voor [eiseres 1] wat betreft inkomstenbelasting en successiebelasting. En dat vermeden werd dat “de fiscale BOF faciliteit zou komen te vervallen”. [37]
5) sub 5). Dit ziet op rov. 5.5 sub iv). Daar stelt het hof onder meer vast dat [wegtransportbedrijf] door de - in rov. 3.11 bedoelde - akte van schuldoverneming van 7 oktober 2011 en kredietovereenkomst van 20 oktober 2011 hoofdelijk aansprakelijk werd voor de schulden aan ABN AMRO, ook waar het de door hypotheek afgedekte schulden van PNE en [eiseres 2] aan ABN AMRO betrof; daardoor werd [wegtransportbedrijf] belast met de verplichtingen uit hoofde van de schulden aan ABN AMRO. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [38] Maar met een betoog dat, voor zover het al aansluit op de daarbij genoemde gedingstukken, [39] erom draait dat dit een en ander
niet nadeligwas voor [wegtransportbedrijf] . Wat daarvan zij, dit laatste doet hoe dan ook niet af aan die feitelijke vaststelling van het hof. Waarbij het hof daar overigens als “treffend voorbeeld daarvan” nog noemt de in rov. 3.15 bedoelde verrekening via [wegtransportbedrijf] ’s bankrekening van de derivatentransactie (renteswap) in december 2011.
5) sub 6). Dit ziet op rov. 5.5 sub v). Daar overweegt het hof onder meer dat het uitbetalen van nettoloon aan het personeel en het niet volledig afdragen van de verschuldigde loonheffing (behoudens een eenmalige betaling in augustus 2011 van ruim € 44.000,-) heeft geresulteerd in een schuld van [wegtransportbedrijf] aan de belastingdienst in verband met de loonbelasting van ruim € 180.000,-, berekend tot aan de faillissementsdatum van [wegtransportbedrijf] en na correctie in verband met door het UWV overgenomen loonverplichtingen vanaf 1 januari 2012. [eiseressen] hebben voor dat niet volledig afdragen geen plausibele of onderbouwde verklaring gegeven vanaf het begin van de onderneming in [wegtransportbedrijf] . Het moet ervoor gehouden worden dat het [wegtransportbedrijf] aan inkomsten (en vermogen) ontbrak om deze belastingen te voldoen, aldus nog steeds het hof aldaar. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [40] Maar met een betoog dat geen enkele vindplaats in de gedingstukken noemt met stellingname van een partij in deze procedure, want slechts verwijst [41] naar een pagina uit (een bijlage bij de procesinleiding, bestaande uit) een door de curator overgelegde productie in feitelijke instantie. [42]
5) sub 7). Dit ziet op rov. 5.5 sub vi). Daar betrekt het hof dat de curator daarnaast onbestreden heeft gesteld dat [wegtransportbedrijf] ook geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Wat heeft geresulteerd in een schuld aan de belastingdienst (inclusief het eerste kwartaal van 2012 van ruim € 104.000,-). Ook hiervoor hebben [eiseressen] geen plausibele en onderbouwde verklaring gegeven. Ook hier moet derhalve een gebrek aan middelen om aan de fiscale verplichtingen te voldoen de reden zijn, aldus nog steeds het hof aldaar. Die stelling heeft de curator al betrokken in de inleidende dagvaarding. [43] Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [44] Maar met een betoog dat verwijst naar een vindplaats in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] waarin het desbetreffende deel van dat betoog niet terug te vinden is, terwijl hetgeen daarin wel staat niet afdoet aan wat het hof overweegt in rov. 5.5 sub vi). [45] En overigens slechts verwijst naar (een bijlage bij de procesinleiding, bestaande uit) een door [eiseressen] overgelegde productie in feitelijke instantie. [46]
5) sub 8). Dit ziet ook op rov. 5.5 sub vi). Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [47] Maar met een betoog dat verwijst naar een vindplaats in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] waarin het desbetreffende deel van dat betoog niet terug te vinden is, terwijl hetgeen daarin wel staat niet afdoet aan wat het hof overweegt in rov. 5.5 sub vi). [48] En overigens slechts verwijst naar een wettelijke bepaling (“Toenmalig art. 7 lid 4 wet Pro OB”, etc.) en (bijlagen bij de procesinleiding, bestaande uit) een door de curator respectievelijk [eiseressen] overgelegde productie in feitelijke instantie. [49]
5) sub 9). Dit ziet op rov. 2. In deze korte omschrijving van het geschil haalt het hof onder meer naar voren dat de financiële situatie van [wegtransportbedrijf] zodanig was dat zij van meet af aan niet heeft kunnen voldoen aan onder meer haar afdrachtverplichting voor de loonbelasting (circa € 35.000,- per periode). Dit komt terug in rov. 5.5 sub v), zie onder 1.2 hiervoor. Zoals volgt uit het voorgaande, falen de tegen rov. 5.5 gerichte klachten. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in rov. 2. [50] Maar met een betoog dat slechts verwijst naar (bijlagen bij de procesinleiding, bestaande uit) drie in feitelijke instantie overgelegde producties, waarvan twee door [eiseressen] en een door de curator. [51]
5) sub 10). Dit ziet ook op rov. 2. Daar haalt het hof onder meer naar voren dat bij de activa/passiva-transactie in juli 2011 (de inbreng van de onderneming in [wegtransportbedrijf] per 12 juli 2011) een deel van het actief en circa € 790.000,- aan schulden worden ingebracht, waartoe ook behoort het rekening-courant krediet met een limiet van € 300.000,- met de bank (ABN AMRO) dat bij inbreng volledig is ‘volgelopen’. Dit komt mede terug in rov. 5.5 sub ii), zie onder 1.2 hiervoor. Als gezegd, falen de tegen rov. 5.5 gerichte klachten. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in rov. 2. [52] Maar met een betoog dat verwijst naar een vindplaats in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] waarin het desbetreffende deel van dat betoog niet terug te vinden is, terwijl hetgeen daarin wel staat niet afdoet aan wat het hof overweegt in rov. 2; [53] en naar een vindplaats in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] (waarin ook een productie wordt genoemd waarop het onderdeel zich hier beroept), die evenmin afdoen aan wat het hof overweegt in rov. 2. [54] En overigens slechts verwijst naar (een bijlage bij de procesinleiding, bestaande uit) twee door de curator overgelegde producties in feitelijke instantie. [55]
5) sub 11). Dit ziet ook op rov. 2. Daar memoreert het hof ook dat de bestuurders in februari 2012 het faillissement van [wegtransportbedrijf] hebben aangevraagd. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [56] Maar met een betoog dat verwijst naar een vindplaats in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] waarin het desbetreffende deel van dat betoog niet terug te vinden is, terwijl hetgeen daarin wel staat niet afdoet aan wat het hof overweegt in rov. 2. [57] En overigens slechts verwijst naar (bijlagen bij de procesinleiding, bestaande uit) twee door de curator overgelegde producties in feitelijke instantie. [58]
5) sub 12). Dit ziet op rov. 3.2. Daar opent het hof met de vaststelling dat tot aan zijn overlijden in oktober 2010, wijlen [de echtgenoot] ‘ [wegtransportbedrijf] ’ heeft gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [59] Het is inderdaad zo dat de curator in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat [eiseres 1] “na het overlijden van haar echtgenoot, [de echtgenoot] , op 16 november 2010 de onderneming (gedreven in een eenmanszaak) [heeft] voortgezet”. [60] Deze datum van overlijden van [de echtgenoot] kom ik ook tegen in de gedingstukken zijdens [eiseressen] , zij het dat deze vindplaats hier in het onderdeel niet is genoemd. [61] Wat daarvan verder zij, en ook als geen sprake zou zijn van een verschrijving door het hof (“oktober” waar november is bedoeld): dit kan hoe dan ook niet tot cassatie leiden, nu ’s hofs oordeel in het eindarrest evident niet ‘hangt’ op de precieze maand van overlijden van [de echtgenoot] (oktober of november 2010), dit oordeel verder niet althans niet met vrucht in cassatie is bestreden, en wijziging van “oktober 2010” in “november 2010” voor [eiseressen] niet tot een andere uitkomst zou leiden dan bereikt door het hof in het eindarrest. Kortom, [eiseressen] missen het vereiste belang bij de klacht.
5) sub 13). Dit ziet op rov. 3.3. Daar opent het hof met de vaststelling dat na het overlijden van [de echtgenoot] , [eiseres 1] tot juli 2011 de onderneming heeft voortgezet in haar eenmanszaak. Het onderdeel bestrijdt hier deze passage in het eindarrest. [62] Maar met een betoog dat, voor zover het al verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken met stellingen van [eiseressen] , steun zoekt bij stellingen van [eiseressen] die niet kunnen afdoen aan wat het hof overweegt in rov. 3.3. [63] Overigens: als dit laatste anders zou zijn geweest, had het onderdeel hier evenmin succes kunnen boeken in lijn met hetgeen ik opmerkte bij 5) sub 12) hiervoor.
‘onderdeel’ a, onder 1). Dit klaagt naar de kern genomen dat het hof in rov. 5.9 “en de hierop voorbereidende r.r.o.o.” (waaronder kennelijk rov. 5.5) van het eindarrest heeft miskend dat “van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 36 lid 3 Iw Pro 1990 en de art. 2:138 en Pro 248 BW slechts [kan] worden gesproken als geen redelijk denkende bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben”. Althans dat indien het hof dit daar niet heeft miskend, deze overwegingen onbegrijpelijk zijn gemotiveerd in het licht van bepaalde verweren respectievelijk stellingen van [eiseressen] (genoemd onder B en D), met name grief 5 van [eiseressen] (“in het kort dat ze zich hebben ingespannen, en niets hebben nagelaten, maar het niet verschil maakte”). Eerst de rechtsklacht.
Dat wat het hof hier aanmerkt als zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] als (on)middellijke bestuurders van [wegtransportbedrijf] bestaat in essentie eruit dat [wegtransportbedrijf] kenbaar van aanvang af (dus vanaf 12 juli 2011) niet over voldoende liquiditeit en vermogen beschikte voor een verantwoorde voortzetting van de onderneming en geen concreet uitzicht had op verbetering van de financiële positie afdoende voor zo’n verantwoorde voortzetting, maar de bestuurders niettemin - dus onverantwoord - de onderneming hebben voortgezet totdat het faillissement van [wegtransportbedrijf] werd aangevraagd (in februari 2012, dus al zo’n zeven maanden later), wetende - of kunnende weten - dat door hun handelen schuldeisers van [wegtransportbedrijf] zouden worden benadeeld. Geen redelijk denkend bestuurder zou - onder dezelfde omstandigheden - zo gehandeld hebben, [64] aldus het hof. De door het hof hieraan ten grondslag gelegde gedragslijn van de bestuurders kan dit oordeel zonder meer dragen.
‘onderdeel b’, onder 2). Dit richt zich tegen rov. 5.8 van het eindarrest, specifiek hetgeen het hof overweegt in de voor-voorlaatste en voorlaatste zin aldaar (“Vaststaat daarmee (…). (…) was niet realistisch”). Dit ‘onderdeel’ b klaagt naar de kern genomen, zoals uitgewerkt onder 2) sub 1) en 2), dat wat het hof hier overweegt rechtens onjuist is “in het licht van de kennelijk onbehoorlijk bestuur norm, Panmo norm” en/of onbegrijpelijk gemotiveerd is “in het licht van essentiële stellingen en weren van [eiseressen] , hieronder aan te geven alsmede verder onder D. Gedingvoering in feitelijke instanties”. Ik richt mij nu op die uitwerking onder 2) sub 1) en 2), te beginnen met 2) sub 1).
Dit strandt reeds op het volgende. Anders dan de klacht veronderstelt, is het niet zo dat het hof met “geen dekking bestond” in rov. 5.8 van het eindarrest iets zegt over bepaalde wetenschap over de toekomst bij de bestuurders in het heden althans een norm toepast. Daar herhaalt het hof slechts wat al in rov. 5.5 sub i) staat en niet althans niet met vrucht in cassatie is bestreden, te weten de feitelijke vaststelling dat de ziekteverzuimkosten toen niet gedekt waren. Niks meer, niks minder. Wat er verder zij van de omstandigheden die de klacht noemt, dat deze in de weg zouden kunnen staan aan (’s hofs motivering inzake) die feitelijke vaststelling voert de klacht niet aan en valt trouwens zonder meer ook niet in te zien. Overigens miskent het hof in het eindarrest niet wat “de Panmo - norm van kennelijk onbehoorlijk bestuur” behelst, zie onder 3.15.1 hiervoor.
Dit strandt reeds op het volgende. Waar het hof in rov. 5.8 feitelijk vaststelt dat “[e]en uitzicht op verbetering en verantwoorde voortzetting van de onderneming [daarmee] ontbrak”, brengt het hof slechts tot uitdrukking dat dit uitzicht niet gebaseerd kon worden op een verwachting dat de ziekteverzuimkosten van de twee zieke werknemers zouden komen te vervallen. Dit laatste vond immers onvoldoende steun in de aangevoerde feiten, waarmee vaststaat niet alleen dat voor die kosten geen dekking bestond (zie dus reeds rov. 5.5 sub i)), maar ook dat in redelijkheid niet mocht worden aangenomen dat die kosten zouden komen te vervallen. Zoals het hof direct daaraan voorafgaand in rov. 5.8 overweegt. Deze analyse is onderdeel van ’s hofs uiteenzetting in rov. 5.8 (tweede zin e.v.) dat door [eiseressen] onvoldoende is onderbouwd noch anderszins is gebleken dat concreet uitzicht bestond op verbetering van de financiële positie van [wegtransportbedrijf] , afdoende voor verantwoorde voortzetting van de onderneming. Welke uiteenzetting weer volgt op ’s hofs (tussen)conclusie in rov. 5.8, eerste zin dat [wegtransportbedrijf] van aanvang af over onvoldoende liquiditeit en vermogen beschikte voor een verantwoorde voortzetting van de onderneming. Dat deze analyse en uiteenzetting van het hof in rov. 5.8 rechtens onjuist zouden zijn, valt niet in te zien. Ook niet in het licht van “de Panmo norm”, waarover onder 3.15.1 hiervoor, die het hof daarvoor de ruimte biedt. Deze analyse en uiteenzetting in rov. 5.8 zijn op hun beurt een onderdeel van de bepaald meeromvattende basis voor het oordeel van het hof in rov. 5.3-5.13 dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro door [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] als (on)middellijke bestuurders van [wegtransportbedrijf] . Waarbij het hof dus nadrukkelijk die “Panmo norm” aanlegt, mede gelet op rov. 5.3 en 5.9. Dat dit oordeel evenmin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting zette ik dus al uiteen onder 3.15.1 hiervoor.
dergelijke voldoende onderbouwde stellingnamevan [eiseressen] inzake
zo’n concreet uitzichtleest het hof dus (ook) niet in de stellingen van [eiseressen] waarop de klacht zich met vindplaatsverwijzing [75] beroept. Ik evenmin. Bestudering van die “omstandigheden”/“verweren resp. stellingen” en vindplaatsen leert dat dit oordeel van het hof, te verstaan in het licht van onder meer rov. 2 en 5.5, niet onbegrijpelijk is. Dat door [eiseressen] aangevoerde gaf het hof dan ook geen aanleiding tot een nog weer nadere motivering in rov. 5.8.
De rechtsklacht strandt in zoverre op het volgende. Wat er verder zij van deze externe omstandigheden, het gegeven zijn van dit advies en het genomen zijn van dat besluit - waarna het faillissement is aangevraagd - brengt zonder meer nog niet mee dat de door het hof in rov. 5.3-5.13 van het eindarrest vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro door [eiseressen] en [betrokkenen 2 en 3] als (on)middellijke bestuurders van [wegtransportbedrijf] ‘dus’ geen belangrijke oorzaak van het faillissement van [wegtransportbedrijf] kan opleveren als bedoeld in die bepaling. Bij zo’n belangrijke oorzaak gaat het logischerwijs niet alleen om een oorzaak bestaande uit het genomen zijn van een besluit tot het aanvragen van het faillissement of het gegeven zijn van een advies waarop dat besluit volgt. Het gegeven zijn van zo’n advies en/of genomen zijn van zo’n besluit door anderen dan de bestuurders sluit niet uit dat als zo’n belangrijke oorzaak (ook) aangemerkt kan worden een te onderscheiden gedragslijn van de bestuurders voorafgaand aan het faillissement die als zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kwalificeert. [77] Wat het hof dus doet in rov. 5.15. Waarmee het ook tot uitdrukking brengt dat het niet ervan uitgaat dat de oorzaak van het faillissement van [wegtransportbedrijf] als bedoeld in art. 2:248 lid 1 BW Pro alleen gelegen is in externe omstandigheden, die niet de taakvervulling door de bestuurders betreffen. Zie ook onder 3.20.3-3.20.4 hierna.
De rechtsklacht strandt in zoverre op het volgende. Het boedeltekort in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro is “het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan.” Blijkens deze bepaling is in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor dat bedrag “indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement”. [78] Anders dan het onderdeel hier veronderstelt (zie ook onder C sub 3) en 6)), is er binnen het raamwerk van art. 2:248 lid 1 BW Pro dus geen plaats voor zo’n vergelijking tussen werkelijke en hypothetische situatie à la “art. 6:98 BW Pro e.v.” Het hof kan dat dus ook niet hebben miskend in rov. 5.15 van het eindarrest. Dat deze regeling ‘slechts’ zo’n oorzakelijk verband tussen die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en
het faillissement(niet (ook) dat boedeltekort of anderszins schade) vereist, is trouwens een bewuste keuze geweest van de wetgever die verband houdt met het antimisbruik-karakter van art. 2:248 BW Pro en de beoogde versterking van de positie van de curator in het kader van deze bepaling. [79] Deze keuze heeft de wetgever bijvoorbeeld niet gemaakt bij art. 2:9 BW Pro. [80] Maar daarop is de aansprakelijkheid van [eiseressen] jegens de boedel van [wegtransportbedrijf] niet gebaseerd, wel op art. 2:248 BW Pro (in verbinding met art. 2:11 BW Pro).
De rechtsklacht strandt in zoverre op het volgende. De bestreden overweging van het hof in rov. 5.15 van het eindarrest is juist. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:248 lid 1 BW Pro is niet vereist dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur de enige oorzaak is van het faillissement. Een voldoende oorzakelijk verband is dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement vormt. Er kunnen dus ook andere (belangrijke) oorzaken van het faillissement zijn. [81] Daaraan ziet het hof hier niet voorbij, anders dan het onderdeel hier veronderstelt.
De rechtsklacht strandt in zoverre op het volgende. Zoals gezegd, gaat het hof in rov. 5.15 van het eindarrest niet ervan uit dat de oorzaak van het faillissement van [wegtransportbedrijf] als bedoeld in art. 2:248 lid 1 BW Pro alleen gelegen is in externe omstandigheden, die niet de taakvervulling door de bestuurders betreffen. Zie onder 3.20.1 en 3.20.3 hiervoor. Voor zover door [eiseressen] (en [betrokkenen 2 en 3] ) ter betwisting al iets anders is aangevoerd, verwerpt het hof dat daar dus; naar ik begrijp als onvoldoende gemotiveerd (onderbouwd), wat overigens in lijn ligt met rov. 6.19 van het eindvonnis. Bij deze stand van zaken kwam het hof niet toe aan het (tegen)bewijsaanbod van [eiseressen] als hier bedoeld in het onderdeel, zodat van een miskenning van dat aanbod geen sprake is.
Uit wat ik schreef onder 3.20.4 hiervoor volgt al dat het (tegen)bewijsaanbod als hier bedoeld in het onderdeel het hof in rov. 5.15 van het eindarrest geen aanleiding gaf tot een nog weer nadere motivering. Dit behoeft geen verdere toelichting.
De stelling van [eiseressen] dat de bestuurders hun best hebben gedaan als hier bedoeld in het onderdeel gaf het hof evenmin aanleiding tot een nog weer nadere motivering in rov. 5.15. Het draait daar immers niet meer om de vraag naar kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro, maar om de te onderscheiden (vervolg)vraag of die in rov. 5.3-5.13 reeds vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [wegtransportbedrijf] . Waarvoor die stelling zonder meer niet relevant is, nog daargelaten of hetgeen het onderdeel hier aanvoert wel aansluit op de daarbij genoemde vindplaats in de gedingstukken zijdens [eiseressen]
Tot slot: ook de stelling van [eiseressen] inzake de steun van PNE en [eiseres 2] als hier bedoeld in het onderdeel gaf het hof geen aanleiding tot een nog weer nadere motivering in rov. 5.15. Voor zover hieraan al relevantie zou kunnen toekomen bij de vraag naar hetgeen het faillissement van [wegtransportbedrijf] heeft veroorzaakt in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro, geldt dat met de vaststelling van het hof in rov. 5.15 dat de curator voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [wegtransportbedrijf] de horde van het oorzakelijk verband in deze bepaling al is genomen. De klacht voert ook niet aan dat, laat staan met uitleg waarom, het hof deze vaststelling gezien laatstgenoemde stelling van [eiseressen] nog weer nader had moeten motiveren.
Met dat boedeltekort (waarvan de omvang nog niet vaststaat) doelt het hof in rov. 5.18 op het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro. Dit tekort moet worden begroot op dat bedrag. [87] Door de Hoge Raad is ook bevestigd dat, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zoals die valt af te leiden uit de parlementaire geschiedenis van art. 2:248 BW Pro, die begroting behoort te worden gebaseerd op de te verwachten (slot)uitdelingslijst. Aan de hand daarvan kan immers de omvang worden bepaald van de geldsom die naast het overige boedelactief nog nodig is voor de volledige voldoening van de schuldeisers. [88] Het hof miskent dit niet in rov. 5.18 en het dictum. Daarbij brengt het hof ter zake immers, en niet onbegrijpelijk, tot uitdrukking dat het procesdossier geen afdoende basis biedt voor het kunnen aannemen van een aldus begroot bedrag. [89] En dat, gelet op dit nog onbekend zijn van de omvang van het boedeltekort, aanleiding bestaat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure op de voet van art. 2:248 lid 5 BW Pro.
Dit een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het hof in rov. 5.18 en het dictum over verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daaraan ziet het onderdeel voorbij voor zover het dit oordeel van het hof met een rechtsklacht bestrijdt. Waarbij het onderdeel ten onrechte lijkt te redeneren - zie bijv. onder B en onder C sub 1) - niet zozeer vanuit het raamwerk van art. 2:248 BW Pro en deze daarop gerichte Hoge Raad-rechtspraak, als wel vanuit het te onderscheiden raamwerk van art. 6:97 BW Pro en een bepaald lossere benadering. Ook de motiveringsklacht strandt. Naar reeds volgt uit het voorgaande, gaven de vindplaatsen in de gedingstukken waarop het onderdeel zich beroept het hof geen aanleiding dit oordeel nog weer nader te motiveren. Dit behoeft geen verdere toelichting. [90] Kortom, anders dan het onderdeel aanvoert, had het hof de ruimte om te verwijzen naar de schadestaatprocedure zoals het doet in rov. 5.18 en het dictum.