Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- [kind 1] ( [kind 1] ), geboren [geboortedatum] 1998 te [plaats 2] en
- [kind 2] ( [kind 2] ), geboren op [geboortedatum] 2001 te [plaats 2] .
De rechtbank overwoog daartoe, voor zover van belang, onder meer dat partijen sterk van mening verschillen over het inkomen dat de vrouw kan generen uit de (mede) door haar gedreven ondernemingen en dat de rechtbank zich maar tot beperkte hoogte een goed beeld kan vormen van de draagkracht van de vrouw. Partijen hebben te kennen gegeven over diverse punten betreffende de alimentatie advies in te winnen van [betrokkene 1] van het kantoor [A] . Met partijen is onder meer afgesproken dat de rechtbank in deze procedure een definitieve beslissing zal geven ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat van deze vastgestelde kinder- en partneralimentatie, zo nodig, door de meest gerede partij met terugwerkende kracht (in een latere procedure) wijziging kan worden gevraagd, indien de bevindingen van [betrokkene 1] daartoe aanleiding zouden geven. De rechtbank heeft vervolgens de (kinder- en) partneralimentatie vastgesteld op basis van de haar op dat moment bekende gegevens. (rov. 3.10, 3.15, 3.28, 3.43).
Ten aanzien van de aanvullende behoefte van de man overwoog de rechtbank dat het feit dat de man een WAO-uitkering ontvangt erop duidt dat aan zijn zijde sprake is van arbeidsongeschiktheid, zodat de rechtbank daar in het kader van deze procedure nog van uit zal gaan. De rechtbank wees de man er wel op dat van hem verlangd mag worden dat hij zich ten volle inspant om zoveel mogelijk zelf de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen dragen, waarbij niet alleen gedacht dient te worden aan inkomsten uit arbeid, maar ook uit vermogen, nu de man naar verwachting in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aanspraak kan maken op een aanzienlijk bedrag aan vermogen. Bij een herbeoordeling van de partneralimentatie zal ook gekeken moeten worden in hoeverre hij dan inmiddels zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien (rov. 3.43, 3.50 en 3.70).
- de partneralimentatie per 1 januari 2019 vast te stellen op nihil, althans de partneralimentatie op te schorten voor onbepaalde tijd, althans de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk acht, met veroordeling van de man om binnen een week na afgifte van de beschikking de door hem te veel ontvangen partneralimentatie vanaf 1 januari 2019 tot aan de datum van de beschikking aan de vrouw terug te betalen gelet op het feit dat de vrouw deze onverschuldigd heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag dat de man in verzuim is;
- de onderhoudsverplichting van de vrouw jegens de man te limiteren tot 1 januari 2020, althans de onderhoudsverplichting per die datum vast te stellen op nihil, althans te limiteren tot een datum die de rechtbank redelijk en billijk acht.
zaaknummer 200.267.236). De man verzocht het hof, voor zover in cassatie van belang, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering van gronden, de bestreden beschikking te vernietigen en de door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie met ingang van 4 juli 2017 dan wel met ingang van een datum als het hof juist acht te bepalen op € 24.886,- per maand dan wel op een bedrag als het hof juist acht, niet lager dan de huidige alimentatie van € 15.613,- per maand, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.
zaaknummer 200.267.377/01). De vrouw verzocht het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
(zaaknummer 200/267.377/02). Dit verzoek heeft het hof bij beschikking van 26 november 2019 afgewezen.
zaaknummer 200/267.377/03).
Bespreking van het cassatiemiddel tegen de beschikking van het hof van 14 juli 2020
onderdeel 1bevatten vijf klachten die zich richten tegen de toewijzing van het verzoek van de vrouw tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019. Genoemde randnummers klagen in de kern dat het hof er in zijn beschikking van 14 juli 2020 kennelijk aan voorbij is gegaan dat de onderhavige procedure een wijzigingsprocedure partneralimentatie betreft, aangezien het zonder een kenbaar oordeel te geven over de door elk der partijen aangevoerde wijzigingsgronden – die beide betrekking hebben op de draagkracht van de vrouw – het verzoek van de vrouw tot nihilstelling van de partneralimentatie heeft toegewezen op de grond dat de man niet heeft aangetoond dat hij behoeftig is. Daarmee is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Het hof heeft getoetst alsof het een procedure in hoger beroep tegen een eerste alimentatievaststelling door de rechtbank betrof. [5] Ook heeft het hof zich niet gerealiseerd dat de door de rechtbank gegeven motivering voor de afwijzing van het wijzigingsverzoek van de man niet kan dienen om de voorwaarde terzijde te stellen dat in het door de vrouw ingediende wijzigingsverzoek eerst de door haar aan haar verzoek ten grondslag gelegde wijziging van omstandigheden moet komen vast te staan, alvorens de rechter de alimentatie met inachtneming van alle omstandigheden ten tijde van de te geven beschikking (waaronder de behoefte/behoeftigheid van de man) opnieuw kan vaststellen. [6]
Partneralimentatie
.Weliswaar heeft de man een e-mail van dr. [D] , neuroloog/opleider neuroloog, van 23 augustus 2019 (productie 24 bij het beroepschrift van de man) overgelegd waaruit blijkt dat bij de man sprake is van degeneratief lijden (…) klinisch te correleren, maar uit deze e-mail volgt niet dat de man niet in staat is om in het geheel niet te werken. Het had, zeker gelet op de overwegingen van de rechtbank hieromtrent, op de weg van de man gelegen een rapport van een keuringsarts dan wel een arbeidsdeskundige over te leggen. De man heeft niet onderbouwd dat, zoals hij heeft gesteld, een keuringsarts niet beschikt over voldoende kennis om de klachten van de man te beoordelen.
onderdeel 2hebben betrekking op rov. 5.8 en 5.9. In deze rechtsoverwegingen overweegt het hof als volgt:
op geen enkele maniermet stukken heeft onderbouwd’, dat hij ‘heeft nagelaten (recente) aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over te leggen’ en ‘
geenafschriften of overzichten’ [cursiveringen A-G] heeft overgelegd van zijn bankrekeningen, gelet op de overlegde producties 40-42 onbegrijpelijk. Daardoor zijn ook de overweging aan het begin van rov. 5.8, dat het hof van oordeel is dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn vermogensopstelling, en het oordeel in rov. 5.9 dat het hof geen inzicht heeft in (de hoogte) van het vermogen van de man en daarom niet kan beoordelen of de man inkomen uit het vermogen kan verwerven dan wel dat van de man kan worden verwacht dat hij op (een deel van) dit vermogen inteert, niet toereikend gemotiveerd. De klacht in randnr. 3 slaagt derhalve.
Bespreking van het cassatiemiddel tegen de herstelbeschikking van 11 augustus 2020
Het hof overweegt hiertoe dat het hof kennis heeft genomen van de door de man in zijn brief van 16 juli 2020 genoemde producties. Het is vervolgens aan het hof om deze producties te wegen en beoordelen. Dat dit heeft geleid tot een ander oordeel dan door de man werd beoogd,maakt niet dat sprake is van een kennelijke schrijffout dan wel dat is verzuimd te beslissen. Indien en voor zover de man al zou moeten worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een kennelijke schrijffout dan wel dat het hof heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel, hetgeen nadrukkelijk niet het geval is, dan leent het verzoek van de man zich niet voor eenvoudig herstel, zodat het verzoek ook om deze reden moet worden afgewezen. (…)’ [onderstreping A-G]