Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tot slot heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
eerste middelklaagt – in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer – allereerst over het onder 1 bewezen verklaarde medeplegen (van opzettelijk telen van hennep). Tevens bevat het eerste middel de klacht dat het hof de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof onderdelen van die verklaring onaannemelijk heeft geacht. Het
tweede middelklaagt over het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen (van diefstal van elektriciteit). Voor zover de middelen klagen over het bewezen verklaarde medeplegen, lenen deze zich voor een gezamenlijke bespreking.
het” [DA: ik begrijp de hennepplanten] nog een week kon blijven staan totdat de oogst rijp was. De bemoeienis van de verdachte met het moment waarop in de kwekerij zou worden geoogst, wijst op een betrokkenheid bij de exploitatie van een hennepkwekerij die verdergaat dan het enkel aan een ander gelegenheid of middelen verschaffen voor het telen van hennep. [3] Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof dan ook kunnen afleiden dat tussen de verdachte en anderen een bewuste en nauwe samenwerking heeft bestaan die was gericht op het telen van hennep. [4]
Ik ben huurder van een pand. Ik heb mij verantwoordelijk gesteld dan wel garant gesteld voor de huur van een pand. Maar de feitelijke huur is op naam van [verdachte] gesteld. De eigenaar van het pand heeft me gevraagd garant te staan. Dit speelde in november 2015.
van de huisbaashoorde dat er een hennepkwekerij in het pand zat. Dit betekent echter nog niet dat dit ook daadwerkelijk het moment was waarop hij
voor het eerstop de hoogte raakte van het bestaan van de hennepkwekerij. In zoverre faalt de klacht.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.