“
Overweging met betrekking tot het bewijs
Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit. Ter zitting in hoger beroep is hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar huurder is van het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede, waarin op 13 november 2012 een hennepkwekerij van 539 planten is aangetroffen, maar dat hij bij de hennepteelt noch bij de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij betrokken was. Volgens de verdediging is de hennepkwekerij door een ander of anderen dan verdachte geëxploiteerd. Zo heeft verdachte verklaard dat hij in oktober of november 2012 is benaderd door ene [betrokkene 1] over de verhuur van de bovenverdieping van zijn pand en deze [betrokkene 1] de bovenverdieping van het pand heeft bekeken. [betrokkene 1] zou aan hem hebben verteld dat hij samen met een compagnon een ICT bedrijf in op de bovenverdieping van het pand wilde vestigen maar dat hij het pand nog een keer met zijn compagnon wilde bekijken. Verdachte zegt dat hij [betrokkene 1] de sleutels van de voordeur en de deur van de bovenverdieping heeft gegeven. Verdachte zou nadien niet meer in het pand zijn geweest. Verder stelt hij dat hij [betrokkene 1] verder niet kent, hij hem niet meer heeft gezien en [betrokkene 1] niet meer te bereiken is op telefoonnummer […].
Verdachte wist niet dat er een hennepplantage was gevestigd op de bovenverdieping van zijn pand.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt de volgende feiten vast.
De politie is - naar aanleiding van een melding van de eigenaar van [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] - [002] te Enschede en een onderzoek via een warmtebeeldcamera - op 13 november 2012 het bedrijfspand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede binnengetreden op verdenking van aanwezigheid van een in werking zijnde hennepkwekerij. Op de bovenverdieping van het pand hebben verbalisanten in totaal 539 hennepplanten aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode de huurder was van het bedrijfspand.
Anders dan door de verdediging bepleit, gaat het hof uit van actieve betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij die op 13 november 2012 in het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede is aangetroffen. Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Verdachte was gedurende de volledige ten laste gelegde periode huurder van het bedrijfspand. Verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar ene [betrokkene 1] de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Verdachte heeft ter onderbouwing van zijn verklaring - met uitzondering van een telefoonnummer dat niet meer te bereiken was - geen verdere contactgegevens van [betrokkene 1] kunnen verschaffen. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de sleutels van de toegangsdeur en de deur van de bovenverdieping aan [betrokkene 1] heeft gegeven, maar hij toen nog geen huurovereenkomst had gesloten met [betrokkene 1] . Het hof vindt het onaannemelijk dat verdachte aan een volstrekt onbekende de sleutels van zijn pand geeft en die daarna - zoals door hem verklaard - niet meer terug vraagt/terug heeft gevraagd, terwijl er (nog) geen huurovereenkomst is gesloten en/of een borg is betaald. Temeer nu verdachte stelt de bovenverdieping te zijn gaan verhuren aan de betreffende [betrokkene 1] vanwege financiële nood maar er over de maanden die [betrokkene 1] de bovenverdieping zou hebben gehuurd er geen huurbetalingen zijn geweest.
Het hof stelt voorop dat van een verdachte kan en mag worden verwacht dat hij zijn verhaal over deze [betrokkene 1] onderbouwt en concretiseert zodat die verifieerbaar is.
Naar het oordeel van het hof doet verdachte dat niet, onder meer nu door verdachte geen nadere contactgegevens van [betrokkene 1] zijn verstrekt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep, zijn door verdachte geen nadere gegevens betreffende [betrokkene 1] verstrekt. Derhalve verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer.
Op 13 november 2012 heeft een fraudespecialist van Enexis tijdens een onderzoek in het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede geconstateerd dat het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd is geopend en dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze illegale elektriciteitsaansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij en voorzag deze van stroom.
Ter terechtzitting is door de verdediging bepleit dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit. Hiertoe heeft de verdediging hetzelfde aangevoerd als ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, namelijk dat [betrokkene 1] op de bovenverdieping van het door verdachte gehuurde pand een ITC bedrijf wilde vestigen en verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zich een hennepkwekerij in zijn bedrijfspand bevond. De stroom zou door anderen zijn weggenomen.
Het hof is van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit onlosmakelijk verbonden is met de hennepteelt in de bedrijfsruimte. Uit het voorgaande ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde volgt dat het hof bewezen acht dat verdachte alleen en derhalve niet samen met een ander of anderen, de hennepplanten aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft geen verifieerbare en controleerbare aanknopingspunten aangevoerd voor het scenario dat de stroom illegaal door een ander dan verdachte werd afgenomen. Verdachte was de huurder van het pand en uit de aangifte blijkt dat het energiecontract op de naam van verdachte stond. Al het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het verdachte was die de stroom heeft gestolen. Derhalve verwerpt het hof het verweer van de verdediging.”
7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte voor zover deze inhoudt dat hij geen weet had van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op de bovenverdieping van het door hem gehuurde bedrijfspand en zich evenmin aan diefstal van elektriciteit heeft schuldig gemaakt, niet het redengevend bewijs voor de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van 539 hennepplanten, noch van het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van elektriciteit kan vormen. Daarmee heeft de steller van het middel ontegenzeggelijk een punt. Een dergelijke ontkennende verklaring past enkel in de bewijsvoering voor zover zij wordt aangemerkt als kennelijk leugenachtig. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Onaannemelijkheid is in het bewijsrecht nog iets anders dan kennelijke leugenachtigheid. Ook voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij nadien niet meer in het pand is geweest, kan dit onderdeel niet als redengevend voor het bewijs worden beschouwd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft het onjuiste gebruik voor het bewijs van deze onderdelen van de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte naar mijn inzicht niet te leiden, nu blijkens de bewijsvoering van het hof de bewezenverklaring ook met weglating van deze onderdelen toereikend is gemotiveerd.
8. Dat laatste wordt door de steller van het middel met verwijzing naar HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545 en de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge van 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:814 betwist. De tweede klacht luidt dat de actieve betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij en het opzettelijk daar aanwezig hebben van de hennepplanten onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, terwijl hetzelfde heeft te gelden voor de diefstal van elektriciteit. 9. De vraag is hier of de verdachte in het licht van het door en namens hem gevoerde verweer door het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het aanwezig hebben van de hennep en de diefstal van elektriciteit, een en ander zoals tenlastegelegd.
10. In haar artikel “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand” heeft Nienke Seijlhouwer-de Visser de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit terrein verkend en geanalyseerd.Zij gaat in de eerste plaats in op de situatie waarin sprake is van hennepteelt, de verdachte eigenaar of huurder is van het pand en er geen direct bewijs voor is dat hij de hennep zelf heeft geteeld. Dat is in de onderhavige zaak weliswaar niet bewezenverklaard (wel tenlastegelegd), maar de bevindingen te dien aanzien zijn lijkt mij ook van betekenis voor het aanwezig hebben. Uit de analyse van de schrijfster (p. 351) komt onder meer naar voren dat als in de zojuist genoemde situatie de feitenrechter het niet aannemelijk acht dat anderen bij de hennepkwekerij zijn betrokken, de eigenaar of huurder als (zelfstandig) pleger verantwoordelijk kan worden gehouden voor de in zijn pand aanwezig zijnde hennepkwekerij en een veroordeling voor plegen stand kan houden. In dat geval kan de verdachte toch als pleger worden veroordeeld indien geconcludeerd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij in zijn pand heeft geëxploiteerd (p. 356). Haars inziens (p. 350) vloeit uit de rechtspraak van de Hoge Raad voort dat deze conclusie gerechtvaardigd is “als de eigenaar of huurder, ondanks dat de pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden”.Zij vervolgt na een voorbeeld daarvan (p. 350): “Van betrokkenheid van mogelijke andere personen bij de teelt bleek in alle gevallen uit de bewijsvoering van het hof niet. Onder dergelijke omstandigheden heeft de verdachte iets uit te leggen. Doet hij dit niet, dan kan hij als verantwoordelijke worden aangewezen”. Als er echter wel deugdelijke contra-indicaties zijn, bijvoorbeeld als blijkt van mogelijke betrokkenheid van derden, “kan niet zomaar worden geconcludeerd dat de eigenaar of huurder van een henneppand ook teler van de hennep is geweest.” De feitenrechter “doet er met het oog daarop goed aan om in de bewijsvoering precies tot uitdrukking te laten komen welke feiten en omstandigheden hij wel of juist niet vaststelt en daar in zijn bewezenverklaring ook de juiste consequenties aan te verbinden” (p. 351).