ECLI:NL:PHR:2021:414

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
19/05420
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring hennepplantage en diefstal elektriciteit door huurder bedrijfspand

Verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij in november 2012 in een bedrijfspand te Enschede opzettelijk ongeveer 539 hennepplanten aanwezig had en elektriciteit had gestolen ten behoeve van deze hennepkwekerij. Hij verklaarde dat hij het pand huurde, maar niet wist van de hennepkwekerij en dat hij de bovenverdieping had verhuurd aan een onbekende derde, zonder nadere contactgegevens.

Het hof stelde vast dat verdachte gedurende de gehele periode huurder was, geen verifieerbare gegevens van de vermeende huurder kon geven, en het onaannemelijk was dat hij zomaar de sleutels aan een onbekende gaf zonder huurovereenkomst of borg. De politie trof de hennepkwekerij aan en Enexis constateerde een illegale elektriciteitsaansluiting.

De verdediging voerde vrijspraak aan, maar het hof achtte bewezen dat verdachte alleen de hennepplanten aanwezig had gehad en de elektriciteit had gestolen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op jurisprudentie dat de huurder of eigenaar van een pand verantwoordelijk kan worden gehouden voor de hennepkwekerij in zijn pand indien hij geen aannemelijke verklaring geeft en geen bewijs van betrokkenheid derden is geleverd.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd is, ook zonder de ontkennende verklaring van verdachte als redengevend bewijs. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Verdachte werd eerder veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en diefstal van elektriciteit wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05420
Zitting20 april 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 20 november 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 “diefstal” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van een eerder, deels voorwaardelijk opgelegde straf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte [1] en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad en/of zich aan diefstal van elektriciteit schuldig heeft gemaakt en/of dat de bewezenverklaring van die feiten, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht, (telkens) onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij in de periode van 6 november 2012 tot en met 13 november 2012 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad in ruimtes in pand gelegen aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 539 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij in de periode van 6 november tot en met 13 november 2012 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis BV.”
5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof van 6 november 2019 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het bedrijfspand aan de [a-straat 1] - [001] in Enschede is van mij. Het klopt dat ik gedurende de volledige ten laste gelegde periode huurder was van het gehele bedrijfspand. Ik wist niet dat er een hennepplantage was gevestigd op de bovenverdieping van mijn pand.
Ik ben noch bij de hennepteelt noch bij de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij betrokken geweest. Ik ben in oktober of november 2012 benaderd door ene [betrokkene 1] over de verhuur van de bovenverdieping van mijn pand en deze [betrokkene 1] heeft de bovenverdieping van het pand bekeken. [betrokkene 1] heeft aan mij verteld dat hij samen met een compagnon een ICT bedrijf in op de bovenverdieping van het pand wilde vestigen, maar dat hij het pand nog een keer met zijn compagnon wilde bekijken. Ik heb [betrokkene 1] de sleutels van de voordeur en de deur van de bovenverdieping gegeven. Ik ben nadien niet meer in het pand geweest. Ik ken [betrokkene 1] verder niet. Ik heb hem niet meer heeft gezien. [betrokkene 1] is niet meer te bereiken is op telefoonnummer […]
2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 6 februari 2013 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van politie, Unit Regionale Tactische Recherche team Druwa (Drugs & Wapens), opgemaakte proces-verbaal expertise hennepkwekerij en hennepplanten in perceel [a-straat 1] - [001] van 14 november 2012 (dossierpagina 4 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 13 november 2012 werd door ons een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het sterke vermoeden dat een hennepkwekerij in het perceel [a-straat 1] - unit [001] te Enschede aanwezig was.
Op 6 november 2012 werd collega [verbalisant 3] gebeld door de eigenaar van [A] BV gevestigd aan de [a-straat 1] - [002] te Enschede. De eigenaar meldde dat er hoogstwaarschijnlijk een hennepkwekerij aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede zat.
Sinds een tijd roken werknemers vaak een duidelijke henneplucht in hun bedrijfspand. Tevens vertelde [betrokkene 2] dat de tussenmuur op de eerste verdieping die hun pand scheidt met die van [a-straat 1] - [001] beduidend warmer is dan aan de andere kant.
Nadien is door mij, verbalisant [verbalisant 2] , op 8 november 2012 met behulp van een warmtebeeldcamera vastgesteld dat er een warmtelekkage was. Wij hebben op grond van artikel 9 van Pro de Opiumwet ons toezicht verschaft tot het pand.
Uit het BVH-systeem blijkt dat de vermoedelijke huurder van perceel [a-straat 1] - [001] is genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .
Bij het ingestelde onderzoek zagen wij dat naast de toegangsdeur van perceel [a-straat 1] unit [001] een bordje was aangebracht met de tekst Klussenbedrijf [verdachte] . Wij hebben op grond van artikel 9 Opiumwet Pro voor de vervulling van onze taak ons toegang verschaft tot het pand. Daartoe verbraken wij het cilinderslot. Wij hoorden binnen in het pand een zacht gezoem, vermoedelijk veroorzaakt door aanwezige afzuig ventilatoren in het pand op de bovenverdieping. Op de bovenverdieping troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan. De bovenverdieping was verdeeld in meerdere ruimtes.
Kweekruimte 1:
In kweekruimte 1 telden wij 233 hennepplanten.
Kweekruimte 2:
In kweekruimte 2 telden wij 264 hennepplanten.
Kweektent:
In de ruimte voor/naast kweekruimte 2 stond een zwarte hennepkweektent opgesteld.
In de kweektent stonden 42 hennepplanten.
Van de aangetroffen hennepplanten zijn monsters genomen die zijn getest met de ODV verdovende middelentest voor hennep. Deze testen verliepen positief op de aanwezigheid van THC (=Tetrahydrocanabinol), zijnde de werkzame stof in hennep. Marihuana en hasj is afkomstig van de Hennepplant (geslacht cannabis) en staat als zodanig vermeld op lijst II van de Opiumwet.
Door de medewerker van het energiebedrijf Enexis werd ons meegedeeld dat er ook diefstal van elektriciteit in dit bedrijfspand was gepleegd. De medewerker verklaarde tegen ons dat er een illegale aansluiting voor de meter was aangebracht.
Dit was een krachtaansluiting. Er waren drie verzwaarde fasen aangebracht.
3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 6 februari 2013 gevoegd schriftelijk bescheid,
zijnde een aangifte van Enexis van 18 december 2012 (dossierpagina 32 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:
Namens Enexis B.V. ben ik, [betrokkene 3] , in dienstbetrekking als medewerker Fraudebestrijding, uit hoofde van mijn functie bevoegd om aangifte te doen van diefstal van energie van verzegeling.
Op 13 november 2012 is door fraude-inspecteur [betrokkene 4] van Enexis BV een onderzoek ingesteld naar de meetinrichting in het perceel [a-straat 1] [001] , [postcode] Enschede. De fraude-inspecteur constateerde verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:
Het deksel van de aansluitkast is ongeoorloofd open. Illegale aansluiting op bovenzijde zekeringhouders.
Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.
Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Enexis BV ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 40.614 kWh illegaal is afgenomen ten behoeve van de hennepplantage en eventueel huishoudelijk verbruik.”
6. Voorts heeft het hof het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Overweging met betrekking tot het bewijs
Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit. Ter zitting in hoger beroep is hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar huurder is van het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede, waarin op 13 november 2012 een hennepkwekerij van 539 planten is aangetroffen, maar dat hij bij de hennepteelt noch bij de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij betrokken was. Volgens de verdediging is de hennepkwekerij door een ander of anderen dan verdachte geëxploiteerd. Zo heeft verdachte verklaard dat hij in oktober of november 2012 is benaderd door ene [betrokkene 1] over de verhuur van de bovenverdieping van zijn pand en deze [betrokkene 1] de bovenverdieping van het pand heeft bekeken. [betrokkene 1] zou aan hem hebben verteld dat hij samen met een compagnon een ICT bedrijf in op de bovenverdieping van het pand wilde vestigen maar dat hij het pand nog een keer met zijn compagnon wilde bekijken. Verdachte zegt dat hij [betrokkene 1] de sleutels van de voordeur en de deur van de bovenverdieping heeft gegeven. Verdachte zou nadien niet meer in het pand zijn geweest. Verder stelt hij dat hij [betrokkene 1] verder niet kent, hij hem niet meer heeft gezien en [betrokkene 1] niet meer te bereiken is op telefoonnummer […].
Verdachte wist niet dat er een hennepplantage was gevestigd op de bovenverdieping van zijn pand.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt de volgende feiten vast.
De politie is - naar aanleiding van een melding van de eigenaar van [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] - [002] te Enschede en een onderzoek via een warmtebeeldcamera - op 13 november 2012 het bedrijfspand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede binnengetreden op verdenking van aanwezigheid van een in werking zijnde hennepkwekerij. Op de bovenverdieping van het pand hebben verbalisanten in totaal 539 hennepplanten aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de gehele ten laste gelegde periode de huurder was van het bedrijfspand.
Anders dan door de verdediging bepleit, gaat het hof uit van actieve betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij die op 13 november 2012 in het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede is aangetroffen. Hiertoe overweegt het hof het volgende.
Verdachte was gedurende de volledige ten laste gelegde periode huurder van het bedrijfspand. Verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar ene [betrokkene 1] de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Verdachte heeft ter onderbouwing van zijn verklaring - met uitzondering van een telefoonnummer dat niet meer te bereiken was - geen verdere contactgegevens van [betrokkene 1] kunnen verschaffen. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de sleutels van de toegangsdeur en de deur van de bovenverdieping aan [betrokkene 1] heeft gegeven, maar hij toen nog geen huurovereenkomst had gesloten met [betrokkene 1] . Het hof vindt het onaannemelijk dat verdachte aan een volstrekt onbekende de sleutels van zijn pand geeft en die daarna - zoals door hem verklaard - niet meer terug vraagt/terug heeft gevraagd, terwijl er (nog) geen huurovereenkomst is gesloten en/of een borg is betaald. Temeer nu verdachte stelt de bovenverdieping te zijn gaan verhuren aan de betreffende [betrokkene 1] vanwege financiële nood maar er over de maanden die [betrokkene 1] de bovenverdieping zou hebben gehuurd er geen huurbetalingen zijn geweest.
Het hof stelt voorop dat van een verdachte kan en mag worden verwacht dat hij zijn verhaal over deze [betrokkene 1] onderbouwt en concretiseert zodat die verifieerbaar is.
Naar het oordeel van het hof doet verdachte dat niet, onder meer nu door verdachte geen nadere contactgegevens van [betrokkene 1] zijn verstrekt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep, zijn door verdachte geen nadere gegevens betreffende [betrokkene 1] verstrekt. Derhalve verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer.
Op 13 november 2012 heeft een fraudespecialist van Enexis tijdens een onderzoek in het pand aan de [a-straat 1] - [001] te Enschede geconstateerd dat het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd is geopend en dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze illegale elektriciteitsaansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij en voorzag deze van stroom.
Ter terechtzitting is door de verdediging bepleit dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit. Hiertoe heeft de verdediging hetzelfde aangevoerd als ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, namelijk dat [betrokkene 1] op de bovenverdieping van het door verdachte gehuurde pand een ITC bedrijf wilde vestigen en verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zich een hennepkwekerij in zijn bedrijfspand bevond. De stroom zou door anderen zijn weggenomen.
Het hof is van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit onlosmakelijk verbonden is met de hennepteelt in de bedrijfsruimte. Uit het voorgaande ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde volgt dat het hof bewezen acht dat verdachte alleen en derhalve niet samen met een ander of anderen, de hennepplanten aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft geen verifieerbare en controleerbare aanknopingspunten aangevoerd voor het scenario dat de stroom illegaal door een ander dan verdachte werd afgenomen. Verdachte was de huurder van het pand en uit de aangifte blijkt dat het energiecontract op de naam van verdachte stond. Al het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het verdachte was die de stroom heeft gestolen. Derhalve verwerpt het hof het verweer van de verdediging.”
7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte voor zover deze inhoudt dat hij geen weet had van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op de bovenverdieping van het door hem gehuurde bedrijfspand en zich evenmin aan diefstal van elektriciteit heeft schuldig gemaakt, niet het redengevend bewijs voor de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van 539 hennepplanten, noch van het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van elektriciteit kan vormen. Daarmee heeft de steller van het middel ontegenzeggelijk een punt. Een dergelijke ontkennende verklaring past enkel in de bewijsvoering voor zover zij wordt aangemerkt als kennelijk leugenachtig. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Onaannemelijkheid is in het bewijsrecht nog iets anders dan kennelijke leugenachtigheid. Ook voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij nadien niet meer in het pand is geweest, kan dit onderdeel niet als redengevend voor het bewijs worden beschouwd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft het onjuiste gebruik voor het bewijs van deze onderdelen van de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte naar mijn inzicht niet te leiden, nu blijkens de bewijsvoering van het hof de bewezenverklaring ook met weglating van deze onderdelen toereikend is gemotiveerd.
8. Dat laatste wordt door de steller van het middel met verwijzing naar HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545 en de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge van 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:814 betwist. De tweede klacht luidt dat de actieve betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij en het opzettelijk daar aanwezig hebben van de hennepplanten onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, terwijl hetzelfde heeft te gelden voor de diefstal van elektriciteit.
9. De vraag is hier of de verdachte in het licht van het door en namens hem gevoerde verweer door het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het aanwezig hebben van de hennep en de diefstal van elektriciteit, een en ander zoals tenlastegelegd.
10. In haar artikel “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand” heeft Nienke Seijlhouwer-de Visser de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit terrein verkend en geanalyseerd. [2] Zij gaat in de eerste plaats in op de situatie waarin sprake is van hennepteelt, de verdachte eigenaar of huurder is van het pand en er geen direct bewijs voor is dat hij de hennep zelf heeft geteeld. Dat is in de onderhavige zaak weliswaar niet bewezenverklaard (wel tenlastegelegd), maar de bevindingen te dien aanzien zijn lijkt mij ook van betekenis voor het aanwezig hebben. Uit de analyse van de schrijfster (p. 351) komt onder meer naar voren dat als in de zojuist genoemde situatie de feitenrechter het niet aannemelijk acht dat anderen bij de hennepkwekerij zijn betrokken, de eigenaar of huurder als (zelfstandig) pleger verantwoordelijk kan worden gehouden voor de in zijn pand aanwezig zijnde hennepkwekerij en een veroordeling voor plegen stand kan houden. In dat geval kan de verdachte toch als pleger worden veroordeeld indien geconcludeerd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij in zijn pand heeft geëxploiteerd (p. 356). Haars inziens (p. 350) vloeit uit de rechtspraak van de Hoge Raad voort dat deze conclusie gerechtvaardigd is “als de eigenaar of huurder, ondanks dat de pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden”. [3] Zij vervolgt na een voorbeeld daarvan (p. 350): “Van betrokkenheid van mogelijke andere personen bij de teelt bleek in alle gevallen uit de bewijsvoering van het hof niet. Onder dergelijke omstandigheden heeft de verdachte iets uit te leggen. Doet hij dit niet, dan kan hij als verantwoordelijke worden aangewezen”. Als er echter wel deugdelijke contra-indicaties zijn, bijvoorbeeld als blijkt van mogelijke betrokkenheid van derden, “kan niet zomaar worden geconcludeerd dat de eigenaar of huurder van een henneppand ook teler van de hennep is geweest.” De feitenrechter “doet er met het oog daarop goed aan om in de bewijsvoering precies tot uitdrukking te laten komen welke feiten en omstandigheden hij wel of juist niet vaststelt en daar in zijn bewezenverklaring ook de juiste consequenties aan te verbinden” (p. 351).
11. Voorts gaat de auteur in op de situatie waarin sprake is van “het opzettelijk aanwezig hebben als vangnet”. In haar inleiding (p. 349) schrijft zij namelijk dat het verschil in gedraging tussen het telen (art. 3 onder Pro b Opiumwet) en het opzettelijk aanwezig hebben (art. 3 onder Pro c Opiumwet) van belang is omdat dezelfde omstandigheden die voor het aannemen van betrokkenheid bij het telen niet voldoende zijn, wél toereikend kunnen zijn voor het opzettelijk aanwezig hebben van de hennepplanten, zodat deze laatste gedraging daarmee een vangnet kan vormen als die (bijvoorbeeld subsidiair) is tenlastegelegd. In dit onderdeel van haar artikel luidt de vraagstelling (p. 354): ‘onder welke omstandigheden kan de eigenaar of huurder van een pand gezegd worden de daarin aanwezige hennep opzettelijk aanwezig te hebben gehad’. Daarbij zij aangetekend dat voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten moet kunnen worden vastgesteld dat de planten zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en hij daarvan ook wetenschap had. De schrijfster zegt dan, ik citeer (p. 355):
“Uit het zijn van eigenaar of huurder van een pand volgt reeds enige vorm van zeggenschap over de daarin aanwezig zijnde hennepplanten. Als de verdachte ook toegang heeft tot het pand, zal het oordeel dat die planten zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden snel voor de hand liggen. [4] Het vaststellen dat de eigenaar of huurder op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepplanten in zijn pand kan een grotere uitdaging zijn, zo blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. [5] Is de eigenaar of huurder ook de bewoner/gebruiker van het pand, dan kan zijn wetenschap vaak worden aangenomen indien bij normaal gebruik van het pand de aanwezigheid van de kwekerij hem niet kan zijn ontgaan. Als de eigenaar of huurder niet de bewoner/gebruiker is van het pand of (het gedeelte van) de ruimte waarin de kwekerij zich bevindt en er ook mogelijke andere betrokkenen zijn, zal het telkens van de omstandigheden van het geval afhangen of (ook) ten aanzien van hem kan worden aangenomen dat hij wist dat zich in die ruimte een kwekerij bevond. Als de verdachte ontkent dergelijke wetenschap te hebben gehad, zal het in cassatie aankomen op de motivering van de appelrechter en de factoren die hij daarbij in aanmerking neemt.”
12. Tot zover het artikel van Nienke Seijlhouwer-de Visser over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand. Ik denk dat haar analyse juist is. Haar bevindingen met betrekking tot het geval waarin sprake is van hennepteelt, de verdachte eigenaar of huurder is van het pand en direct bewijs voor het zelf telen van de hennep ontbreekt, vindt bevestiging in HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48. In die zaak was de verdachte tenlastegelegd dat hij opzettelijk ongeveer 130 hennepplanten had geteeld. De verdachte had verklaard dat hij het pand waarin de hennepkwekerij was aangetroffen had gehuurd, en had zich verder op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof overwoog dat de verdachte aldus voor voormelde omstandigheden, zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren kwamen en die redengevend moesten worden geacht voor het bewijs van verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring had gegeven. Het hof betrok dit bij de waardering van het bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat gelet op hetgeen het hof blijkens de bewijsvoering had vastgesteld en overwogen, niet onbegrijpelijk was en toereikend was gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen onder meer inhielden dat in de kweekruimte henneptoppen te drogen hingen en dat deze kweekruimte plaats bood aan 150 hennepplanten.
13. Ik meen, tegen de achtergrond van hetgeen Nienke Seijlhouwer-de Visser in haar publicatie naar voren heeft gebracht, dat deze lijn kan worden doorgetrokken naar het onderhavige geval. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat (i) de verdachte gedurende de volledige tenlastegelegde periode huurder van het bedrijfspand was, (ii) de verdachte (ook in hoger beroep) geen nadere (contact)gegevens van de door hem (slechts) in zijn verklaring gepresenteerde ‘ [betrokkene 1] ’ heeft verschaft (met uitzondering van een telefoonnummer dat niet meer te bereiken bleek) en (iii) de verdachte zijn verhaal over deze ‘ [betrokkene 1] ’ niet heeft onderbouwd en geconcretiseerd zodat dit verhaal niet verifieerbaar is. Daarnaast heeft het hof overwogen dat hij het onaannemelijk vindt dat de verdachte aan een volstrekt onbekende de sleutels van zijn pand geeft en die daarna niet meer terugvraagt c.q. terug heeft gevraagd, terwijl er (nog) geen huurovereenkomst is gesloten en/of een borg is betaald (temeer nu de verdachte heeft gesteld de bovenverdieping te zijn gaan verhuren aan die ‘ [betrokkene 1] ’ vanwege financiële nood terwijl er over de maanden die [betrokkene 1] de bovenverdieping zou hebben gehuurd er geen huurbetalingen zijn geweest).
14. In zijn bewijsoverweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht welke feiten en omstandigheden hij wel en welke hij juist niet heeft vastgesteld en daaraan heeft hij, naar het mij voorkomt, in zijn bewezenverklaring de juiste consequenties verbonden, een punt waarvoor Nienke Seijlhouwer-de Visser in haar artikel de aandacht vraagt. Naar mijn inzicht zouden de door het hof in zijn bewijsvoering genoemde omstandigheden al voldoende grondslag kunnen vormen voor het bewijs van telen van de hennepplanten; ik noem daarvan nu slechts de betrokkenheid van de verdachte (als huurder) bij het pand. [6] Het telen is echter niet bewezenverklaard, maar het aanwezig hebben wel. En wat voor het telen heeft te gelden, geldt dan toch zeker voor het aanwezig hebben. Zoveel maakt het artikel van Nienke Seijlhouwer-de Visser wel duidelijk. Daarbij merk ik op dat in deze zaak niet van medeplegen of medeplichtigheid is gebleken, ook niet in de persoon van ‘ [betrokkene 1] ’, die enkel in de verklaring van de verdachte ten tonele is gevoerd, en dat het hof heeft overwogen dat “uit het voorgaande ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde volgt dat het hof bewezen acht dat verdachte alleen en derhalve niet samen met een ander of anderen, de hennepplanten aanwezig heeft gehad”. Dat wordt in cassatie niet bestreden. [7]
15. De verwijzing in de toelichting op het middel naar HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge van 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:814 maakt mijn slotsom ten aanzien van ‘het aanwezig hebben’ in deze zaak niet anders, meen ik. Het arrest van HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545 ziet op een andere situatie. De Hoge Raad vernietigde in
diezaak de uitspraak omdat het hof zijn oordeel dat de verdachte in een pand hennepplanten opzettelijk aanwezig had gehad niet toereikend had gemotiveerd, waarbij de Hoge Raad in aanmerking nam dat het hof zijn oordeel dat de verdachte het in dit verband vereiste opzet had gehad in de kern slechts erop had gebaseerd dat de verdachte het pand had gehuurd en dat als uitgangspunt daarbij had te gelden “dat ervan uit mag worden gegaan dat een huurder weet wat zich in zijn woning bevindt dan wel afspeelt, tenzij anders is gebleken”, terwijl het hof de juistheid in het midden had gelaten van het verweer dat de verdachte niet in het desbetreffende pand, maar in de woning van haar partner verbleef. Bovendien heeft het hof in de onderhavige zaak de juistheid van het verweer van de verdediging (aangaande ‘ [betrokkene 1] ’) niet in het midden gelaten. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat naar het oordeel van het hof de verdachte onder de omstandigheden van dit geval iets had uit te leggen, maar dat niet heeft gedaan, en dat hij (mede daarom) als verantwoordelijke voor het aanwezig hebben van de hennepplanten kan worden aangewezen. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die de hennepplanten in de door hem gehuurde ruimte aanwezig heeft gehad.
16. Dan de diefstal van elektriciteit. In het algemeen is voor het bewijs van het plegen van diefstal van elektriciteit in dit verband niet voldoende dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat een verdachte (als pleger) betrokken is geweest bij de hennepteelt of het aanwezig hebben van hennepplanten. Mijn ambtgenoot Bleichrodt noteert in zijn conclusie van 8 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1124 mijns inziens terecht dat indien op grond van de wettige bewijsmiddelen als vaststaand kan worden aangenomen dat een illegale elektriciteitsaansluiting de desbetreffende hennepkwekerij van stroom voorziet, terwijl de verdachte de hennepkwekerij alleen heeft opgezet, ingericht en onderhouden, daaruit in de regel wel kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft gestolen, en dat daarbij ook het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte en van derden bij de hennepteelt en/of de diefstal van belang kan zijn.
17. Welnu, mutatis mutandis geldt voor de diefstal van de elektriciteit zoals onder feit 2 tenlastegelegd en bewezenverklaard, hetzelfde als wat ik hierboven met betrekking tot ‘het aanwezig hebben’ van de hennepplanten heb uiteengezet. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat het van oordeel is dat deze diefstal van elektriciteit onlosmakelijk verbonden is met de hennepteelt in de bedrijfsruimte (ik, A-G, begrijp het aanwezig hebben van de hennepplanten zoals onder 1 primair tenlastegelegd en bewezenverklaard). Als gezegd heeft het hof daarbij expliciet overwogen dat de verdachte alleen en derhalve niet samen met een ander of anderen de hennepplanten aanwezig heeft gehad.
18. Ik meen, zij het met enige aarzeling, dat ook de deelklacht met betrekking tot de bewezenverklaring van de diefstal van elektriciteit (feit 2) doel mist.
19. Het middel faalt mitsdien in zijn geheel.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Bij de ‘akte partiële intrekking cassatie’ van 26 januari 2021 is het cassatieberoep ingetrokken voor wat betreft de gegeven vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk telen etc. van 539 hennepplanten en de vrijspraak van het onder 2 medeplegen.
2.N. (Nienke) Seijlhouwer-de Visser, “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand”, in:
3.Zij verwijst daarvoor naar HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5560; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553; HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR: 2014:2573; HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48; HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554; en HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:850.
4.Noot (29) van de schrijfster: “Zie bijv. HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4260 en HR 28 augustus 2018, nr. 17/05334 (niet gepubliceerd), waarin voor het aannemen van een zodanige macht voldoende was dat de verdachte gebruiker en mede-eigenaar was van het (hennep)pand, respectievelijk het (hennep)pand bewoonde met haar partner en aan hem huurpenningen betaalde, waartoe ook een (onderhands) contract was opgesteld. Zie ook HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861 waarin de verdachte die ervan op de hoogte was dat de medeverdachte een hennepkwekerij exploiteerde in het pand waar zij als logée verbleef en zich daarvan niet had gedistantieerd niet als medepleger van het aanwezig hebben kon worden aangemerkt.” Ik, A-G, voeg daaraan toe: zie evenwel ook HR 8 oktober 2019 ECLI:NL:HR:2019:1545, het arrest waarnaar de steller van het middel verwijst en waarop ik hieronder in randnummer 15 terugkom.
5.Noot (30) van de schrijfster: “Zie HR 27 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4039 en HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435 voor vernietigingen op dit punt en HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5458 voor een verwerping.”
6.Vgl. mijn conclusie van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:174.
7.Zie ook mijn voetnoot 1.