Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Toelichting: uit de medische verklaring blijkt dat er op dit moment geen sprake is van verzet. Betrokkene laat zich nu ook vrijwillig begeleiden. De verwachting is echter dat als deze zorg niet meer ambulant mogelijk is zonder verzet, er een korte opname nodig zal zijn. Daarom wordt om deze mogelijkheid gevraagd gedurende de duur van de machtiging.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietde consequentie van niet-ontvankelijkheid te verbinden. Van het Openbaar Ministerie mag immers worden verwacht dat het zich aan de wettelijke termijn houdt (subonderdeel 1.2). Als gevolg van de termijnoverschrijding door het Openbaar Ministerie is betrokkene bovendien niet tijdig op de hoogte gesteld van de tegen haar ingebrachte ‘beschuldigingen’ als bedoeld in art. 5 lid 2 EVRM Pro (subonderdeel 1.3). Ook volgens art. 5 lid 4 EVRM Pro moet sprake zijn van een rechtmatigheidstoetsing binnen korte termijn, nu de voorbereiding is gestart op 18 maart 2020, toen de laatste Bopz-machtiging nog liep (subonderdeel 1.4). Tot zover de klachten van dit middelonderdeel.
ten tijde van het psychiatrisch onderzoekgeen sprake was van verzet tegen de geneeskundige behandeling. De medische verklaring hield óók in dat de ervaring leert dat betrokkene, als zij opnieuw psychotisch wordt, geen medicatie meer wil innemen: de verwachting is dat, als de reguliere zorg niet meer ambulant mogelijk is zonder verzet, een korte opname in een accommodatie nodig zal zijn. Ter zitting heeft de behandelaar hierover in gelijke zin verklaard; zie blz. 1, 2 en 3 van het proces-verbaal.
weigeren(anders gezegd: met inname zal stoppen) en aldus bij haar sprake zal zijn van
verzettegen inname van de voorgeschreven medicatie. Met dit oordeel geeft de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De redengeving kan het oordeel dragen en is toereikend om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Onderdeel II faalt.
In de eerste plaatshoudt de klacht in dat de Wvggz niet de rechtsfiguur van een voorwaardelijke machtiging kent, zoals deze vroeger onder de Wet Bopz heeft bestaan. [32] Volgens het middelonderdeel is de door de rechtbank gehanteerde constructie in strijd met de Wvggz en (art. 2:1 van Pro) het Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg (Bvggz) en daarmee tevens in strijd met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, in verbinding met art. 5 lid 4 en Pro art. 6 lid 1 EVRM Pro. Wat betreft art. 2:1 Bvggz Pro vermeldt de toelichting in het cassatierekest dat in dat artikel is bepaald welke vormen van verplichte zorg bij een ambulante behandeling mogelijk zijn: het ‘opnemen in een accommodatie’ behoort daartoe niet. De toelichting op de klacht onder 4.1 wijst erop dat de wetgever in art. 8:11 – 8:12 Wvggz regels heeft gegeven voor het verlenen van niet voorziene verplichte zorg ter afwending van een noodsituatie. Zulke zorg kan worden bestendigd, mits de zorgmachtiging een daarop gerichte wijziging ondergaat waarbij plaats is voor rechterlijke controle.
in concretoaan de betrokkene wordt verleend (art. 8:9 Wvggz Pro).
dictumen rov. 2.3.3, een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend voor het als “reguliere verplichte zorg” toedienen van medicatie en verrichten van medische controles, ter behandeling van een psychische stoornis dan wel, vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening. Als “verplichte zorg in crisissituaties” heeft de rechtbank ook het beperken van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie mogelijk gemaakt voor de duur van maximaal vier weken. De rechtbank voorziet – naar de toestand ten tijde van haar beslissing – de mogelijkheid dat zich in dit tijdvak een situatie voordoet waarin betrokkene (al dan niet door toegenomen gebruik van ‘middelen’) stopt met het innemen van de voorgeschreven medicatie en dan haar psychotische klachten toenemen. In dat geval kan worden ingegrepen met een klinische opname, zodat betrokkene weer adequaat kan worden ingesteld op medicatie. Deze vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank noodzakelijk geacht om het ernstig nadeel af te wenden. Deze omschrijving van de te verlenen verplichte zorg valt mijns inziens binnen het door de Hoge Raad in voormelde jurisprudentie omlijnde kader.
nietin de zorgmachtiging zijn voorzien. In zo’n noodgeval kan de zorgverantwoordelijke tijdelijk andere verplichte zorg verlenen dan in de zorgmachtiging is vermeld. Om die tijdelijke zorg voor langere tijd te kunnen blijven verlenen is blijkens art. 8:12 Wvggz Pro een wijziging van de zorgmachtiging nodig. In het onderhavige geval gaat het uitsluitend om verplichte zorg in crisissituaties die wél zijn voorzien toen de rechter de zorgmachtiging verleende. [36]
voorafgaandetoetsing door een rechter nodig maakt, wanneer de zorgverantwoordelijke uitvoering wil geven aan de machtiging, voor zover deze mede strekt tot opneming van betrokkene in een accommodatie. Dat is niet het geval. Ook art. 5 lid 4 EVRM Pro dwingt daartoe niet, zolang
achterafeen rechterlijke toetsing mogelijk is die aan de eisen van die verdragsbepaling voldoet. [37] Mijn slotsom is dat ook onderdeel III niet tot cassatie leidt.