ECLI:NL:HR:2002:AF0220

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/053HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Verwijzingen
3 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis bevestigd

De Officier van Justitie heeft een verzoek ingediend voor een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De Rechtbank Almelo verleende deze machtiging voor de duur van één jaar na het horen van betrokkene en een arts-assistent.

Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Rechtbank had geoordeeld dat betrokkene door een blijvende stoornis van de geestvermogens een gevaar vormt voor de algemene veiligheid en zich niet buiten de inrichting kan handhaven.

De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het oordeel voldoende is gemotiveerd, mede gelet op de medische verklaring en de recente incidenten. Ook het oordeel over de onvoldoende bereidheid van betrokkene tot verblijf wordt bevestigd. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.

Uitspraak

6 december 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/053HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Almelo heeft op 16 mei 2002 onder overlegging van een geneeskundige verklaring en een behandelingsplan een verzoek ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman, en de arts-assistent Van der Nagel op 28 mei 2002 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 29 mei 2002 de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene voor de duur van één jaar verleend.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Onderdeel 1 richt zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de derde rechtsoverweging van de Rechtbank, waarin zij heeft overwogen dat en waarom naar haar oordeel betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat door de voorwaardelijke bereidverklaring van de betrokkene, te weten indien aan zijn voorwaarden met betrekking tot het regime wordt voldaan, het gevaar niet kan worden weggenomen. Aldus overwegende heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Haar oordeel, dat in overwegende mate berust op waarderingen van feitelijke aard, kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is, ook in het licht van de in het onderdeel weergegeven stellingen, niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
3.2 De Rechtbank heeft in haar tweede rechtsoverweging geoordeeld dat betrokkene door een blijvende stoornis van de geestvermogens ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen veroorzaakt, terwijl betrokkene zich als gevolg van deze stoornis niet buiten de inrichting kan handhaven. Daarbij heeft de Rechtbank een aantal incidenten in aanmerking genomen die zich onlangs hebben voorgedaan. Onderdeel 2 klaagt dat de Rechtbank ten onrechte het bestaan van gevaar heeft aangenomen, althans dat deze slotsom onbegrijpelijk is althans onvoldoende is gemotiveerd. In het licht van de geneeskundige verklaring, waarin onder meer is vermeld dat betrokkene door de stoornis van zijn geestvermogens onvoldoende gewetensfunctie heeft en aangewezen is op verblijf in een gesloten inrichting omdat deze stoornis niet therapeutisch is te beïnvloeden en zijn impulsieve gedrag voortdurende bewaking nodig maakt, alsmede van het verhandelde ter terechtzitting waar een aantal incidenten ten gevolge van deze stoornis ter sprake zijn gekomen, is het oordeel van de Rechtbank, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.
Ook onderdeel 2 is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 6 december 2002.