Conclusie
Inleiding
Ontvankelijkheid verdachte
Procesverloop
(i) Tijdens het politieverhoor d.d. 2 juni 2009 heeft de verdachte als zijn woonadres opgegeven: [a-straat 1] te [plaats].
(ii) De verdachte is in de zaak met parketnummer 11/500244-09 gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Dordrecht op 17 juni 2009.
(iii) De verdachte is op die terechtzitting van 17 juni 2009 in persoon verschenen. Als gezegd is hij toen bijgestaan door een tolk Roemeens. Na sluiting van het onderzoek heeft de politierechter onmiddellijk uitspraak gedaan en de verdachte van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.
(iv) De officier van justitie heeft tegen dit vonnis op 30 juni 2009 hoger beroep ingesteld.
(v) De aanzegging hoger beroep van 1 juli 2009 houdt als mededeling aan de verdachte in dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 17 juni 2009 in de zaak met parketnummer 11/500244-09. Bij de stukken van het geding bevindt zich een akte van uitreiking d.d. 31 december 2009 aan de griffier van de rechtbank, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
(vi) De raadsman van de verdachte heeft zich bij stelbrief van 7 of 9 juli 2009 gesteld. [4] (vii) De zaak is in hoger beroep bij verstek behandeld op 10 maart 2010. De raadsman van de verdachte was aanwezig ter terechtzitting, maar deelde mee niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Vervolgens is op 24 maart 2010 het bestreden, bij verstek gewezen, arrest uitgesproken. De verdachte was bij het doen van deze uitspraak niet aanwezig.
(viii) Zoals hiervoor reeds besproken, is op 3 december 2017 een “proces-verbaal (van betekening vonnis in persoon)” opgemaakt door wachtmeester 1e klasse [betrokkene 2] van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol, brigade Grensbewaking.
Het eerste middel
NJ1987/440, m.nt. Mulder heeft de Hoge Raad bepaald dat onder “geen gevolg gegeven” als bedoeld in art. 409, tweede lid, Sv “dient te worden verstaan dat geen dagvaarding of behandeling van de zaak in hoger beroep mag plaatsvinden alvorens zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte op de hoogte is gekomen van de omstandigheid dat de OvJ hoger beroep heeft ingesteld.” Voorts heeft de Hoge Raad in het arrest van 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7417 overwogen dat art. 409, tweede lid, Sv ertoe strekt de processuele positie van de verdachte in die zin te beschermen dat hij zo tijdig op de hoogte geraakt van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep als nodig is voor de voorbereiding van zijn verdediging. [5]
Het tweede middel
NJ2002/317 m.nt. Schalken aangaande (kort gezegd) de betekeningsvoorschriften en het aanwezigheidsrecht worden diverse situaties onderscheiden waarin onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen. Zo overweegt de Hoge Raad onder meer:
[…]
Wat betreft de appèldagvaarding kunnen worden genoemd het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen en - indien daarin geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de (laatste) terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.”