Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 juni 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verdachte behandeld tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De kern van het geschil betrof de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding in hoger beroep.
De verdediging stelde dat de dagvaarding niet was verzonden naar het van verdachte bekende adres in Duitsland, zoals vereist op grond van artikel 588, tweede lid, Sv. Uit de stukken bleek dat verdachte niet in Nederland was ingeschreven, niet gedetineerd was in Nederland en geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland had, maar wel een bekend buitenlands adres. De dagvaarding was echter niet naar dat adres verzonden.
De Hoge Raad oordeelde dat de betekening van de dagvaarding daardoor niet rechtsgeldig had plaatsgevonden. Het hof had dit onvoldoende gemotiveerd en daarom verklaarde de Hoge Raad de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig. Het bestreden arrest werd vernietigd en de overige middelen behoefden geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de appeldagvaarding nietig wegens ontbreken van rechtsgeldige betekening naar het bekende buitenlandse adres.