Uitspraak
1.Geding in cassatie
.
- in strijd met art. 366, vierde lid, Sv - geen schriftelijke vertaling van de mededeling van het arrest is verstrekt.
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van een verdachte met Tsjechoslowaakse nationaliteit tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreffende medeplegen van mensenhandel. Het beroep werd niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen ingesteld na betekening van de mededeling van het arrest.
De verdachte stelde ontvankelijk te zijn in cassatie omdat hem in strijd met art. 366, vierde lid, Sv geen schriftelijke vertaling van de mededeling van het arrest was verstrekt. Gezien zijn nationaliteit en het feit dat een tolk Tsjechisch werd opgeroepen, achtte de Hoge Raad het aannemelijk dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Er was geen bewijs dat een schriftelijke vertaling was verstrekt, waardoor de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was en het beroep ontvankelijk werd verklaard.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het bestreden arrest niet voldeed aan de wettelijke vereisten omdat het niet de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen bevatte. Het Hof had bevestigd dat geen aanvulling was opgemaakt, terwijl art. 359 Sv Pro vereist dat het arrest op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevat. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens procedurele tekortkomingen.