Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
moment van afstorting. [15] Het uitgangspunt blijft dat een eventueel tekort moet worden gedeeld, maar de Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat de rechter op grond van de omstandigheden van het geval kan komen tot een andere verdeling, met name wanneer het dekkingstekort aan de vereveningsplichtige echtgenoot is toe te rekenen. De Hoge Raad heeft verder overwogen:
Onderdeel 3.1betoogt, in de kern genomen, dat de man heeft gesteld, en uitvoerig heeft onderbouwd, dat afstorting bij een externe pensioenverzekeraar niet meer mogelijk is, hetgeen door de advocaat van de vrouw is erkend en door de door haar ingeschakelde deskundige is bevestigd. Het hof had de onmogelijkheid van afstorting als vaststaand feit moeten aannemen. Door de man niettemin te verplichten tot afstorting, is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, dan wel heeft het hof zijn oordeel kennelijk gebaseerd op door hem buiten het onderhavige geding ingewonnen informatie, hetgeen strijd oplevert met art. 149 Rv Pro. Het oordeel voldoet dan bovendien niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen.
onderdeel 3.2geen bespreking.
onderdelen 3.3 t/m 3.7hebben betrekking op het oordeel van het hof in rov. 24.13 dat de op de man rustende verplichting tot afstorting voor de man meebrengt dat ‘in het geval een verzekering op dezelfde voorwaarden als de pensioentoezegging in de BV niet tot de mogelijkheden behoort, hij een zoveel mogelijk vergelijkbaar (verzekerings-)product dient aan te schaffen en daartoe zo spoedig mogelijk een overeenkomst dient aan te gaan met de aanbieder van dat product’.
Onderdeel 3.3bevat geen zelfstandige klacht.
Onderdeel 3.4betoogt in de kern dat de door het hof veronderstelde verplichting tot het aanschaffen van een ‘vergelijkbaar verzekeringsproduct’ een wettelijke grondslag ontbeert, niet voortvloeit uit de WVPS en evenmin uit de rechtspraak van de Hoge Raad.
Onderdeel 3.5bevat geen zelfstandige klacht.
Onderdeel 3.6betoogt dat het hof buiten het petitum van de vrouw is getreden, de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend en daarmee art. 23 Rv Pro heeft geschonden, nu de vrouw in eerste instantie en in hoger beroep alleen om ‘afstorting’ heeft verzocht. Het onderdeel klaagt verder dat, voor zover het hof in het oorspronkelijke verzoek van de vrouw het verzoek heeft gelezen tot het ‘aanschaffen door de man ten behoeve van de vrouw van een vergelijkbaar (verzekerings-)product’, die lezing zonder nadere, ontbrekende motivering onbegrijpelijk is.
Onderdeel 3.7bevat geen zelfstandige klacht.