Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 februari 2020.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1982 gehuwd zonder huwelijksgemeenschap en zijn in 2012 gescheiden. De man was directeur en grootaandeelhouder van een BV waarin hij pensioenrechten in eigen beheer had opgebouwd. De vrouw vorderde afstorting van het aan haar toekomende deel van de pensioenaanspraken bij een externe pensioenverzekeraar.
De rechtbank kende haar een bedrag toe van €160.000, dat door de BV werd afgestort. In hoger beroep stelde de vrouw dat dit bedrag te laag was en eiste een hogere afstorting. Het hof bepaalde een totaalbedrag van €302.372, gebaseerd op de commerciële waarde van de pensioenaanspraak per tijdstip van echtscheiding, en wees een hogere waarde per tijdstip van afstorting af.
De Hoge Raad oordeelt dat de hoogte van de pensioenaanspraak moet worden bepaald op het tijdstip van echtscheiding, maar dat de commerciële waarde van die aanspraak, het bedrag dat nodig is om deze bij een externe verzekeraar te realiseren, moet worden berekend op het tijdstip van afstorting. De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Daarnaast stelt de Hoge Raad dat indien onvoldoende kapitaal aanwezig is voor volledige afstorting, het tekort in beginsel evenredig moet worden verdeeld, tenzij het tekort aan toerekening aan de vereveningsplichtige echtgenoot kan worden toegerekend. Ook kan de rechter besluiten tot (gedeeltelijke) afstorting als afstorting de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.
De Hoge Raad compenseert de kosten van het cassatiegeding en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en bepaalt dat de commerciële waarde van de pensioenaanspraak moet worden berekend op het tijdstip van afstorting, waarna de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.