Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Schiphol/Chipshol [26] is de Hoge Raad van deze toelichting afgeweken in de volgende overweging:
Schiphol/Chipshol-arrest schaart H.J. Snijders zich achter de beslissing van de Hoge Raad, die niet alleen afwijkt van de wetsgeschiedenis, maar ook van de (toen) overheersende opvatting in de literatuur. Z.i. is de beslissing van de Hoge Raad dogmatisch het zuiverst omdat “het niet zo [mag] zijn dat zowel de provisionele tussenuitspraak en de einduitspraak tegelijk rechtskracht hebben”. [30] Valt de einduitspraak conform de provisionele uitspraak uit, dan zou ongewenste cumulatie van rechtskracht optreden. Wijkt de einduitspraak af van de provisionele tussenuitspraak, dan zou in zoverre ongewenste collisie van rechtskracht optreden. Hij wijst er wel op dat de rechtskracht van de einduitspraak een voorwaardelijke is, gelet op de mogelijkheid van vernietiging van die uitspraak in beroep. Wordt die einduitspraak, waarbij een provisionele voorziening kwam te vervallen, inderdaad vernietigd in beroep, dan herleeft, zo meent H.J. Snijders, de voorlopige voorziening. Deze opvatting lijkt hem niet alleen dogmatisch het zuiverst, maar ook praktisch omdat anders opnieuw een provisionele voorziening moet worden gevraagd, hetgeen alle betrokkenen tijd en geld kost. [31]
Schiphol/Chipshol“te verbreden tot ieder geval waarin de voorlopige voorziening een voorschot vormt op de toewijzing van de vordering in de hoofdzaak”. [33]
Schiphol/Chipsholgeformuleerde afwijking van de opmerking in de memorie van toelichting over de werkingsduur (zie hiervoor onder 2.7) alleen ziet op betaling van een geldsom. M.i. staat het subonderdeel een te beperkte opvatting van genoemd arrest voor. Uit het arrest
Schiphol/Chipsholkan niet worden afgeleid dat alleen een voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot op het in de hoofdzaak gevorderde geldbedrag, haar werking verliest zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Uit dat arrest volgt immers ook (i) dat vanaf de datum waarop het desbetreffende vonnis in de hoofdzaak is uitgesproken, dit vonnis rechtskracht heeft en het daarmee het provisionele vonnis vervangt voor zover daarin is beslist op een vordering
die vooruitloopt op[curs. A-G] dezelfde vordering in de hoofdzaak en (ii) dat een veroordeling in een einduitspraak die
naar inhoud gelijk is[curs. A-G] aan de voorlopige voorziening, van rechtswege de titel vervangt op grond waarvan aan de voorlopige voorziening is of moest worden voldaan. Het gevolg daarvan is dat de partij ten gunste van wie het provisionele vonnis is gewezen, aan dat vonnis geen rechten meer kan ontlenen. [34]
subonderdeel 1.2is het oordeel van het hof in rov. 3.10 ook onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd indien – zakelijk weergegeven – de rechtsopvatting van subonderdeel 1.1 niet juist is. Dit wordt uitgewerkt in de subonderdelen 1.2.1 en 1.2.2.
Schiphol/Chipsholkan van het wettelijk voorschrift van art. 223 Rv Pro worden afgeweken indien in het provisionele vonnis wordt beslist op een vordering die vooruitloopt op dezelfde vordering in de hoofdzaak dan wel indien sprake is van een einduitspraak die naar inhoud gelijk is aan de voorlopige voorziening. In alle [37] andere gevallen verliest een voorziening pas haar werking indien de uitspraak in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan, zoals art. 223 Rv Pro blijkens de wetsgeschiedenis moet worden opgevat. Van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in de hoofdzaak is geen sprake, nu het hoger beroep van het eindvonnis nog aanhangig is.
Schiphol/Chipsholdat een toegewezen voorlopige voorziening van rechtswege wordt vervangen door een veroordeling in de einduitspraak die
naar inhoud gelijk isaan de voorlopige voorziening, kan m.i. worden afgeleid dat de art. 223 Rv Pro-vordering en de vordering in de hoofdzaak niet gelijkluidend behoeven te zijn, maar wel per saldo op hetzelfde moeten neerkomen. In dit geval is m.i. daarvan sprake. De door [eisers] gevorderde voorlopige voorziening, die door de rechtbank is toegewezen, betreft een verbod voor STB om over te gaan tot executie van de (notariële) geldleningsovereenkomst van 16 januari 2012 en de hypotheekrechten van 23 februari 2012, op straffe van een dwangsom. Aan deze vordering hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat STB niets meer van hen heeft te vorderen en dat bij het opstellen van de geldleningsovereenkomst van 16 januari 2012 geen rekening is gehouden met de door hen betaalde voorschotnota van € 297.500,-. [38]
toepassingvan de maatstaf in rov. 3.14. Daarover wordt geklaagd in subonderdeel 2.2.1.
subonderdeel 2.2.1allereerst dat het oordeel van het hof, dat [eisers] niet hebben aangevoerd dat executie bij hen zal leiden tot financiële of andere problemen of dat STB niet in staat is om eventuele schade door de executie te vergoeden indien achteraf zou blijken dat zij ten onrechte tot executie is overgegaan (rov. 3.14), onbegrijpelijk is. Zonder nadere, ontbrekende toelichting valt volgens het subonderdeel niet in te zien waarom voor een voldoende (dringend) belang bij het verkrijgen van een voorlopige voorziening vereist zou zijn dat [eisers] door executie van de zijde van STB (i) in financiële problemen zouden moeten raken of (ii) dat STB niet in staat zou zijn om schade als gevolg van onterechte executie te vergoeden, zoals het hof overweegt in rov. 3.14. Het oordeel van het hof resulteert erin dat [eisers] het zich zouden moeten laten welgevallen dat STB hangende de hoofdzaak tientallen beslagen en zekerheden executeert met alle onomkeerbare gevolgen van dien, aldus [eisers]
subonderdeel 2.2.2is het oordeel van het hof bovendien onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen – zakelijk weergegeven – :
daten
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [56]