Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6 over het beroep van Samruk op immuniteit van jurisdictie.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.7 over Samruks beroep op immuniteit van executie.
Onderdeel 3richt klachten tegen rov. 3.8-3.12, waarin het hof een ontkennend antwoord heeft gegeven op de in hoger beroep aan de orde zijnde primaire kernvraag of het beslag moet worden opgeheven omdat het op zichzelf onrechtmatig is nu het niet is gelegd op een goed van de schuldenaar (Kazachstan), maar op een goed van een derde (Samruk).
Grief 13: immuniteit van jurisdictie
There is common agreement that for acts performed in the exercise of the prerogatives de la puissance publique or “sovereign authority of the State”, there is undisputed immunity”.’
rechtmatigheidvan de oprichting van Samruk door Kazachstan te onderzoeken, omdat dit betreft een soevereine overheidshandeling van Kazachstan volgens haar eigen wetgeving en op haar eigen territoir. Het betoog impliceert dat de Nederlandse rechter moet uitgaan van de rechtmatigheid van die oprichting, althans deze handeling van de soevereine staat Kazachstan dient te respecteren. Dit betoog vertoont verwantschap met een beroep op immuniteit van jurisdictie, maar betreft in feite – zoals ook [verweerders] menen [12] – een beroep op de ‘act-of-state-doctrine’. [13]
onderdelen 2b-2d, die zijn gericht tegen het ten overvloede gegeven oordeel van het hof over immuniteit van executie. Samruk kan immers niet worden vereenzelvigd met Kazachstan, zodat aan haar geen beroep toekomt op de immuniteit van executie van Kazachstan (vgl. art. 2 lid 1 onder Pro b (iii) van het VN-Verdrag). De onderdelen 2b-2d stellen de kwestie aan de orde of voor een beroep op immuniteit van executie de
onmiddellijkebestemming van de goederen beslissend is. Deze kwestie is voor de praktijk van belang, zodat het voor de rechtsontwikkeling wenselijk is dat de Hoge Raad daarover zijn licht laat schijnen. Ik merk hierover het volgende op.
Onderdeel 2bbetoogt dat het bij de beoordeling of sprake is van immuniteit van executie niet gaat om de onmiddellijke, maar om de uiteindelijke bestemming van de goederen waarop beslag is gelegd, althans dat het er in ieder geval niet om gaat wat de onmiddellijke bestemming van die goederen is.
Onderdeel 2cklaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat Samruk een commercieel doel heeft, omdat uit de door het hof in rov. 3.7 veronderstellenderwijs aangenomen vereenzelviging van Samruk en Kazachstan reeds voortvloeit dat Samruk een publiek doel heeft als onderdeel van Kazachstan. Deze veronderstellenderwijs aangenomen vereenzelviging onderstreept dat de opbrengsten van de aandelen die Samruk houdt in KMGK rechtstreeks in de staatskas vloeien en dus een publieke bestemming hebben, althans in ieder geval als mixed funds hebben te gelden (waarvoor immuniteit voortvloeit voor het geheel).
Onderdeel 2dbouwt op het voorgaande voort en betoogt dat het (uiteindelijke) doel van Samruk is het vergroten van de nationale welvaart van het land Kazachstan en dat de opbrengsten van de aandelen van Samruk in KMGK ten goede komen aan de staatskas. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat het doel van Samruk commercieel (althans niet-publiek) is, omdat Samruk een publiek belang behartigt met haar investeringen en sprake is van een publieke bestemming van de (opbrengsten van de) aandelen van Samruk in KMGK nu deze ten goede komen aan de staatskas.
bestemminghebben die daarmee niet onverenigbaar is. Volgens de Hoge Raad strookt dit uitgangspunt met de op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte strekking van de immuniteit van executie. Daarbij past ook dat vreemde staten niet gehouden zijn om gegevens aan te dragen waaruit volgt dat hun eigendommen een bestemming hebben die zich tegen beslag en executie verzet en dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser. Het is aan de schuldeiser om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden. [26] Voor ieder vermogensbestanddeel zal afzonderlijk moeten worden vastgesteld of dit het geval is. [27]
uiteindelijkebestemming niet-publiek is, maar slechts dat de
onmiddellijkebestemming van het goed of het onmiddellijke gebruik van de opbrengsten daarvan niet-publiek is. [29] Dit voorstel heeft bijval gekregen in de literatuur [30] en navolging in de lagere rechtspraak [31] , zoals ook door het hof Amsterdam in de onderhavige zaak.
is specifically in use or intended for useby the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum (…).’ (mijn curs., A-G)
in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruikdoor de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum (…).’ (mijn curs., A-G)
ten tijde vanhet instellen van de procedure tot beslag of executie. [33] Het peilmoment voor de vaststelling van de bestemming van een bepaald goed is dus het moment van het (instellen van de procedure voor het) treffen van conservatoire dan wel executoriale maatregelen. Uit de toelichting van de ILC blijkt niet wanneer precies sprake is van een eigendom die in het bijzonder wordt gebruikt of is beoogd voor gebruik voor, kort gezegd, niet-publieke doeleinden. Art. 21 lid 1 VN Pro-Verdrag noemt vijf categorieën van eigendommen die niet kunnen aangemerkt als eigendommen als bedoeld in art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag (kort gezegd: eigendommen ten behoeve van diplomatieke vertegenwoordigingen, militaire eigendommen, eigendommen van een centrale bank, cultureel erfgoed, objecten van wetenschappelijk, cultureel of historisch belang). Voor andere categorieën eigendommen is de beoordeling aan de rechter van de forumstaat overgelaten. [34]
X/Staat) zou kunnen worden afgeleid dat immuniteit van executie ook gevallen omvat waarin de vreemde staat het goed ‘op enig moment’ in gebruik wil nemen voor publieke doeleinden. [37] De zinsnede ‘op enig moment’ impliceert dat ook goederen die (niet onmiddellijk, maar) uiteindelijk bestemd zijn voor overheidsdoeleinden immuun zijn voor executie. Opmerking verdient echter dat deze uitspraak betrekking had op eigendommen als bedoeld in art. 21 VN Pro-Verdrag (een ambassadegebouw, te weten goederen ten behoeve van de diplomatieke dienst), waarvoor in het algemeen immuniteit van executie geldt. Voor andere eigendommen zou een meer liberale lijn kunnen worden overwogen, waarbij de (voldoende) onmiddellijke bestemming van het goed doorslaggevend is, althans dat voor het aannemen van de in art. 19, onderdeel c, VN-Verdrag bedoelde uitzondering de uiteindelijke bestemming van het vermogensbestanddeel niet (zonder meer) bepalend is.
bedoelinghad om vermogen buiten de greep van (potentiële) crediteuren als [verweerders] te houden [42] , maar ook dat Samruk
daadwerkelijkwordt aangewend door Kazachstan om vermogen, dat feitelijk-economisch aan Kazachstan toebehoort, buiten de greep van [verweerders] als crediteuren te houden, althans dat dit het resultaat is dat daarmee wordt bereikt. [43] Het hof heeft dus niet de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerders] aangevuld door in het midden te laten wat het doel is geweest van de oprichting van Samruk. Het hof kon zijn misbruikoordeel baseren op de omstandigheid dat (i) Samruk in haar verhouding tot Kazachstan feitelijk-economische zelfstandigheid mist en (ii) Samruk materieel in elk geval (mede)
fungeert als middelom substantieel vermogen van Kazachstan buiten de greep van schuldeisers te houden. Onderdeel 3a faalt derhalve.
Onderdeel 3cklaagt dat het oordeel van het hof eveneens ontoereikend is gemotiveerd in het licht van het in hoger beroep gevoerde partijdebat over de uitleg van artikel 8 Civil Pro Code, omdat uit de stellingen van beide partijen volgt dat de hierboven in nr. 3.30 onder (i) en (ii) genoemde omstandigheden onvoldoende zijn voor het (voorshands) aannemen van misbruik van recht naar Kazachs recht en dat meer nodig was, namelijk de bedoeling om met de oprichting van de vennootschap het verhaal van schuldeisers te frustreren.