Conclusie
bis), 17/02428 en 19/01141
Fidelity Funds: het HvJ vraagt intrekking; HR trekt vraag 1 in
Deka: antwoord HvJ op uw resterende vragen 2 en 3
Deka
Fidelity Funds: koppeling van bronbelasting en teruggaaf: aan bronbelasting valt (écht) niet te ontkomen
Deka:de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen;
de factodiscriminatie; antwoord op uw vragen 2 en 3 door het HvJ
1.Samenvatting
prejudiciële vragenvan de
Rechtbank Zeeland-West-Brabant [1] aan de Hoge Raad in twee zaken, waaronder de zaak van de belanghebbende
Köln-Aktienfonds Deka;
(eerste) conclusie [2] van uw parket tot verwijzing van prejudiciële vragen naar het HvJ;
aanvullende prejudiciële vraag van de Rechtbank [4] aan de Hoge Raad na intrekking van de zaak X Fund (16/03955) door die belanghebbende;
het HvJ vraagt de Hoge Raadof deze zijn prejudiciële vragen in C‑156/17 (
Deka) en C‑157/17 (
X Fund) nog wil handhaven na
Fidelity Funds;
tweede aanvullende conclusie [7] in reactie op HvJ
Fidelity Fundsen op ‘s Hofs suggestie aan de Hoge Raad om zijn vragen in beide zaken in te trekken;
de Hoge Raad trekt vraag 1 in belanghebbendes zaakDekain, maar handhaaft vragen 2 en 3. Hij trekt al zijn vragen in zaak C-157/17 (X Fund) in;
het HvJ ontvoegtde zaken C-156/17
Dekaen C-157/17 X Fund;
nieuwe aanvullende prejudiciële vragen van de Rechtbanknaar de betekenis van ‘s Hogen Raads intrekking van vraag 1 in de zaak C-157/17
Deka; [9]
derde aanvullende conclusie [10] in reactie op die laatste aanvullende vragen van de Rechtbank;
het HvJ beantwoordtvragen 2 en 3 van de Hoge Raad in belanghebbendes zaak
Deka. [11]
reacties van de partijenop ’s Hofs arrest in de zaak
Deka.
Fidelity Fundsop verzoek van het HvJ ingetrokken – vraag 1 aan het HvJ (beide over de fiscale coherentie tussen Nederlandse bronheffing en teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting) heb ik na
Dekaweinig toe te voegen.
Dekagaat immers nog slechts over uw vragen 2 en 3, dus uitsluitend over de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen met het oog op het
beleggingsneutraliteitsdoel van het fbi-regime,
nietover de koppeling van bronheffing aan teruggaaf met het oog op het
fiscalecoherentiedoel van het fbi-regime. Over die coherentievoorwaarde van bronheffing voor teruggaaf ging uw vraag 1, die het HvJ al beantwoord achtte in
Fidelity Funds. Het HvJ achtte overigens al uw vragen al beantwoord in
Fidelity Funds, en zoals hieronder (opnieuw) zal blijken, ben ik dat met hem eens. U was daarvan vooralsnog alleen overtuigd voor wat betreft uw vraag 1, die u dan ook heeft ingetrokken en waarop het HvJ in
Dekadan ook op geen enkele manier ingaat.
Dekagaat dus niet over fiscale coherentie tussen bronheffing en teruggaaf en het HvJ gaat in
Dekadan ook op geen enkele manier in op
Fidelity Funds.
Fidelity Fundsdat voor de verzekering van de noodzakelijke coherentie tussen Deense bronheffing en Deense vrijstelling een minder belemmerende maatregel bestaat dan weigering van vrijstelling aan niet-ingezeten beleggingsfondsen, nl. toestaan dat niet-ingezeten fondsen die ook vrijgesteld willen worden, met het oog daarop dezelfde Deense bronbelasting afdragen als de vrijgestelde Deens ingezeten fondsen. In Nederlandse termen: aan niet-ingezeten fondsen wordt op dezelfde voet als aan ingezeten fbi’s de te hunnen laste ingehouden dividendbelasting teruggegeven mits zij op dezelfde voet als ingezeten fondsen binnen acht maanden hetzelfde bedrag aan Nederlandse dividendbelasting afdragen als ingezeten fbi’s.
Fidelity Fundsbetreffen, werpt
Dekaop die vragen evenmin licht en heb ik ook aan de beantwoording daarvan in de derde aanvullende conclusie weinig toe te voegen.
Dekaalleen nog om de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen in art. 28 Wet Pro Vpb met het oog op het
neutraliteitsdoel van het fbi-regime (neutraliteit tussen direct en indirect beleggen door voorkoming van economische dubbele belasting). De voorwaarde van betaling van Nederlandse bronheffing om voor teruggaaf in aanmerking te komen, die gesteld wordt met het oog op het
fiscale-coherentiedoel van het fbi-regime, is volgens het HvJ – en ook volgens u, gegeven uw intrekking van vraag 1 – al volledig beoordeeld in
Fidelity Funds. Als gevolg van (i) ’s Hofs niet heel precieze r.o. 84
Fidelity Fundsen (ii) zijn r.o. 81
Deka, die echter uitsluitend over de dooruitdelingseis als heffingsniveauverplaatser gaat,
nietover fiscale coherentie, bestaat in de literatuur nog steeds – mijns inziens volmaakt zinloze – discussie over de vraag of de volgens
Fidelity Fundsgerechtvaardigde verzekering van fiscale coherentie van fbi-regimes ook bereikt kan worden als een niet-ingezeten niet-onderworpen fonds dat Nederlandse dividendbelasting terug vraagt, géén Nederlandse, maar een
buitenlandsebronbelasting betaalt (antwoord: neen, natúúrlijk niet; dat is per definitie fiscaal volstrekt incoherent; het leidt tot een door niets gerechtvaardigde vrijdom van bronheffing in het bronland voor iedereen, waar ook ter wereld, die zijn belegging omleidt langs een fonds in een ander land).
Dekain te trekken omdat uit
Fidelity Fundsal bleek dat verzekering van fiscale coherentie akkoord is,
mitsdaarvoor de minst belemmerende weg wordt gevolgd, i.e. openstelling van het ingezetenregime voor niet-ingezetenen die daarvoor kiezen. Dat bleek onmiskenbaar uit (i) de r.o. 52, 57 en 84 van
Fidelity Funds, (ii) de conclusie van A-G Mengozzi waarnaar het HvJ verwijst in r.o. 84, (iii) de schriftelijke opmerkingen van de Commissie in die zaak en (iv) ‘s Hofs vaste rechtspraak over fiscale coherentie en parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheden. U zie mijn tweede en derde aanvullende conclusies in de huidige zaak
Deka. R.o. 81 van
Dekawerpt daarop uiteraard geen enkel verder licht omdat
Dekaexpliciet alleen nog over uw vragen 2 (aandeelhouderseisen) en 3 (dooruitdelingseis) gaat. Uitsluitend in
datverband (het verband van de twee mogelijke
neutraliteitsdoelen van de dooruitdelingseis, dus
nietin het verband van het mogelijke
fiscale-coherentiedoel van de dooruitdelingseis, dat in
Dekaniet meer aan de orde is) geeft het HvJ in r.o. 80 en 81 van
Dekatwee voorwaardelijk geformuleerde antwoorden: (i) als de dooruitdelingseis dient om de beleggingsopbrengst zo snel mogelijk bij de belegger te krijgen, is hij akkoord, want objectief neutraal, maar (ii) als hij bedoeld is om de heffing te verplaatsen van fonds naar deelnemers, is hij discriminerend omdat het voor
datdoel niet ter zake doet of echt of fictief wordt dooruitgedeeld, nu in beide gevallen een belastbaar feit bij de participant wordt gecreëerd. Het Hof zegt in dit verband echter
nietsover de vraag naar de coherentie tussen de belastbare feiten.
Dekavolledig abstraheert van uw ingetrokken vraag 1,
i.e.van de vraag naar fiscale coherentie tussen bronheffing en teruggaaf, blijkt ook daaruit dat het Hof:
Dekanergens ingaat op of zelfs maar verwijst naar
Fidelity Funds; dat arrest wordt alleen bij het procesverloop genoemd als reden om u te verzoeken uw vragen in te trekken;
Deka– die alleen de mogelijke neutraliteitsdoelen van de dooruitdelingseis betreft – nergens gewag maakt van enige buitenlandse
heffingof van
heffingin de vestigingsstaat van het niet-ingezeten fonds; zij gaat slechts in het algemeen over verlegging van heffing naar ‘het niveau van de aandeelhouder’ als mogelijk doel van de dooruitdelingseis, welke
uiteraardnet zo goed door fictieve dooruitdeling zoals in Duitsland kan worden gediend als door ‘echte’ uitdeling, en
Dekavaststelt dat Nederland ‘in het hoofdgeding’ geen rechtvaardiging geeft
voor de dooruitdelingseis. Dat klopt, want
voor de koppeling van bronheffing aan teruggaaf(fiscale coherentie; vraag 1) is de dooruitdelingseis overbodig en daarmee ongerechtvaardigd. De fiscus heeft uiteraard zowel bij de Rechtbank als bij u (wel degelijk) in alle toonaarden de noodzaak van fiscale coherentie bezongen als rechtvaardiging voor de koppeling van bronbelasting en teruggaaf (uw ingetrokken vraag 1) en die noodzaak was in
Fidelity Fundsook al erkend, zij het dat coherentie volgens het HvJ ook bereikt kan worden met een minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering, nl. niet-ingezetenen de mogelijkheid geven om voor het ingezetenenregime te kiezen. Als coherentie al verzekerd is door betaling van bronheffing op dezelfde voet als ingezeten fbi’s, zoals reeds aangegeven in
Fidelity Funds, is de dooruitdelingseis bezien
vanuit het fiscale-coherentiedoelvan een fbi-regime overbodig en daarmee ongerechtvaardigd. Bij een niet-ingezeten beleggingsfonds kán de dooruitdelingseis uiteraard niet bedoeld zijn om de
Nederlandseheffing te verleggen van het fonds naar de aandeelhouders: bij een niet-ingezeten, niet-onderworpen fonds bestáát geen Nederlands heffingsaangrijpingspunt, zodat het ook niet verlegd kan worden naar een nóg extraterritorialer punt. Zelfs heffing bij het niet-ingezeten fonds zelf zou immers al een verboden extraterritoriale
secondary withholding taxzijn.
ubij de beantwoording van de vragen van de Rechtbank niet abstraheren van uw vraag 1 en van
Fidelity Funds. Wordt de noodzakelijke koppeling van bronheffing en teruggaaf wél in de beschouwing betrokken, dan is de dooruitdelingseis, zoals bleek, irrelevant en hoeft zij niet beoordeeld te worden (en de aandeelhouderseisen evenmin als het niet-ingezeten fonds niet kiest voor ingezetenenbehandeling). Dat zal de reden geweest zijn voor ’s Hofs suggestie om
aluw vragen in te trekken en het zal ook de reden geweest zijn om uw resterende vragen toe te wijzen aan een minimale 3-kamer, met voorspelbaar resultaat (omdat alle vragen inderdaad wezenlijk in
Fidelity Fundsal waren beantwoord): (i) de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen zijn zonder-onderscheid-maatregelen en daarom akkoord, tenzij zij
de factoniet-ingezeten fondsen benadelen op het punt van het neutraliteitsdoel van het fbi-stelsel (neutraliteit tussen rechtstreekse en fondsbeleggingen); en (ii) vanuit dat neutraliteitsdoel bezien, discrimineert de dooruitdelingseis niet als zijn doel is om de beleggingsopbrengst zo snel mogelijk bij de belegger te krijgen, en discrimineert hij wél als zijn doel is heffingsverlegging naar aandeelhoudersniveau omdat voor dat laatste doel fictieve uitdeling net zo goed werkt. Het HvJ behandelt in
Dekade dooruitdelingseis alleen maar omdat u uw vraag 3 nu eenmaal heeft gehandhaafd en dus kennelijk nog mogelijk belang in die eis zag ook voor het
anderedoel van het fbi-regime dat reeds beoordeeld was in
Fidelity Funds(fiscale coherentie), dus u krijgt volledig antwoord. De dooruitdelingseis is
als ficale-coherentievoorwaarde (zie de r.o. 52 en 57 van
Fidelity Funds) echter bij niet-ingezeten fondsen al vervangen door de bronbelastingvoorwaarde die r.o. 84 van
Fidelity Fundsstelt. De dooruitdelingseis is daarmee overbodig en dus ongerechtvaardigd bij niet-ingezeten fondsen die conform
Fidelity Fundskiezen voor ingezetenenbehandeling.
nietvoor ingezetenenbehandeling, dus om
nietde bronbelasting in de bronstaat te betalen die ingezeten fondsen daar moeten afdragen, dan is er als gevolg van die keuze geen minder belemmerende maatregel voorhanden dan teruggaafweigering om het fiscale-coherentiedoel van een fbi-stelsel te bereiken en is teruggaafweigering dus gerechtvaardigd. Ook in dat geval is de dooruitdelingseis dus irrelevant (en de aandeelhouderseisen trouwens ook).
Dekaonderzocht worden of die eisen niet-ingezeten fondsen
de factodiscrimineren.
aandeelhouderseisenmeent de
belanghebbende, anders dan u (r.o. 7.7.2 en 7.8.2 van uw prejudiciële beslissing) en anders dan het HvJ (r.o. 63
Deka) dat het niet zijn eigen keuze voor een handelsplatform is die hem in bewijsmoeilijkheden brengt ter zake van de identiteit van zijn aandeelhouders. Hij meent dat de Inspecteur hem daarover geen bewijs mag vragen en geen controle mag instellen omdat de inspecteur dat volgens hem ook bij binnenlandse fbi’s niet doet.
belanghebbendeacht de
dooruitdelingseiszó eigen aan de Nederlandse markt dat het voor niet-ingezeten fondsen onmogelijk is om er aan te voldoen, zodat die eis volgens hem niet-ingezeten fondsen
de factodiscrimineert. Hij meent overigens dat de woorden ‘any tax’ in r.o. 84 van
Fidelity Fundsbetekenen dat de belasting bij dooruitdeling niet Nederlands hoeft te zijn. Een dooruitdelingsbelasting in de thuisstaat van het niet-ingezeten fonds is ook goed. Hij meent daarom dat, nu zijn vestigingsstaat Duitsland een fictieve dooruitdeling kent, hij ook zonder feitelijke dooruitdeling in aanmerking komt voor de fbi-status en daarmee voor teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. Meer subsidiair meent hij dat als de dooruitdelingseis wel mag worden gesteld, hij alleen voor Nederlandse dividenden geldt en dat dan elke dooruitdeling geacht moet worden als eerste afkomstig te zijn uit Nederlandse dividenden. Hij betwijfelt overigens of Nederland de dooruitdelingseis wel alleen voor Nederlandse dividenden mag stellen. Hij stelt daarom voor, als u de dooruitdelingseis toelaatbaar acht, daarover nieuwe prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen.
Staatssecretarismeent dat
Fidelity Fundsniet noopt tot terugkomen van HR
BNB2015/203: teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting vereist Nederlandse inhoudings-plicht bij (tijdige) dooruitdeling. Zo het fbi-regime het kapitaalverkeer al zou belemmeren, blijkt uit r.o. 84 van
Fidelity Fundsdat voor de verzekering van de noodzakelijke fiscale coherentie een minder belemmerende maatregel bestaat dan weigering van teruggaaf, nl. vrijwillige betaling van de Nederlandse bronbelasting die ook ingezeten fbi’s moeten afdragen.
Staatssecretarisacht het onderscheid in
aandeelhouderseisentussen Amsterdamse-beursgenoteerde fondsen en niet aldaar genoteerde fondsen in de jaren 2002-2006 niet relevant omdat de belanghebbende niet beursgenoteerd was, ook niet in zijn vestigingsstaat. Overigens werd destijds in de uitvoeringspraktijk ook aan buitenlandse-beursgenoteerde fondsen het lichte Amsterdamse-beursgenoteerdenregime toegestaan, zodat van ongelijke behandeling geen sprake was. Ná 2006 komen ingevolge art. 28(2)(c) Wet Vpb ook buitenlandse beleggingsinstellingen die onder een buitenlands regime tot uitvoering van de icbe [12] -richtlijn vallen in aanmerking voor het lichte aandeelhoudersregime, zodat zich ook na 2006 geen
de factodiscriminatie van niet-ingezeten fondsen voordoet. Ingezeten fondsen die niet bewijzen dat zij aan de aandeelhouderseisen voldoen, krijgen volgens de Staats-secretaris de fbi-status net zo min als niet-ingezeten fondsen die dat bewijs niet leveren.
dooruitdelingseisstelt de
Staatssecretarisdat het hoofddoel daarvan is ‘snel doorstromen naar de belegger’ en subsidiair ‘verlegging belastingheffing naar de belegger’. Wat dat laatste doel betreft, meent de Staatssecretaris dat de vergelijkbaarheid van niet-ingezeten fondsen op dat punt afhangt van de vergelijkbaarheid van de heffing in de vestigingsstaat van het fonds met de Nederlandse heffing als het fonds Nederlands zou zijn en beargumenteert hij waarom de Duitse heffing onvergelijkbaar is.
Fidelity Fundsen ’s Hofs verzoek om uw vragen in te trekken, geen zin heeft om op dooruitdelingseis in te gaan: die is - na
Fidelity Funds- voor het fiscale-coherentiedoel van het fbi-regime bij niet-ingezeten fbi’s overbodig en daarmee ongerechtvaardigd.
de factodiscriminatie in belastingzaken, met name de zaken
Hervis Sport, Van Calster en Van Calsteren
Van der Weegen, is helder: de litigieuze aandeelhouderseisen (en de dooruitdelingseis), hoezeer ook zonder-onderscheid-maatregelen, belemmeren niettemin het vrije kapitaalverkeer als zij de toegang van niet-ingezeten beleggingsfondsen tot de Nederlandse markt ongerechtvaardigd of onevenredig belemmeren of feitelijke marktongelijkheid ten nadele van niet-ingezeten fondsen veroorzaken. Het HvJ splitst de vraag naar
de factodiscriminatie van niet-ingezeten fondsen in twee subvragen: (i) zijn die eisen
inhoudelijk de factobelemmerend (zoals in de zaken
Hervisen
Van der Weegen)? En (ii): werkt de
bewijslastter zake van de aandeelhouders-eisen
de factoten nadele van niet-ingezeten fondsen (zoals in
Van Caster en Van Caster)?
pre-2007- als de
vanaf-2007-periode uitzoeken of de aandeelhouderseisen niet-ingezeten fondsen structureel meer hinderden dan ingezeten fondsen. De last om dat aannemelijk te maken, rust op de belanghebbende. Ik vermoed dat daar uit komt dat het criterium voor de lichtere aandeelhouderseisen tot 2007 (Amsterdams beursnotering)
de factobelemmerend kon werken en het regime voor de lichtere eis vanaf 2007 (Wft-toezichtcriteria) niet meer. Met de Staatssecretaris meen ik echter dat dat de belanghebbende niet helpt, nu ook erkenning van een niet-Amsterdamse beursnotering hem niet helpt omdat hij evenmin op enige andere beurs was genoteerd. Mocht de feitenrechter niettemin vaststellen dat – in het geval de belanghebbende de ex
Fidelity Fundsvoor teruggaaf vereiste Nederlandse bronheffing wenst te betalen; zo niet, dan hoeven wij niet verder na te denken – de lichte aandeelhouderseisen de belanghebbende tot 2007
de factodiscrimineerden, dan moet hij de gelegenheid krijgen om aannemelijk te maken dat (i) zijn aandeelhouders natuurlijke personen, in het bijzonder kleine beleggers waren, en (ii) hij het fbi-regime niet oneigenlijk gebruikte om winsten en verliezen opportunistisch te alloceren.
vanaf-2007-regime van aandeelhouderseisen meen ik dat geen van de in met name art. 2:72 Wft Pro neergelegde eisen specifiek is aan de Nederlandse markt, en dat ook u als cassatierechter kunt oordelen dat de eisen voor het lichtere aandeelhoudersregime vanaf 2007 geen verkapte discriminatie inhouden.
de factoongunstiger te worden behandeld, dan moeten zij de gelegenheid krijgen aannemelijk te maken dat (i) hun aandeelhouders natuurlijke personen, in het bijzonder kleine beleggers zijn en (ii) het fbi-regime niet oneigenlijk gebruikt wordt om winsten en verliezen opportunistisch te alloceren. De voorwaarden voor het lichte aandeelhoudersregime vanaf 2007 zijn niet zo eigen zijn aan de Nederlandse markt dat zij
de factoniet-ingezeten fondsen benadelen.
2.Overzicht van verwikkelingen
Köln-Aktienfonds Deka, [13] antwoord gegeven op uw twee resterende prejudiciële vragen van 3 maart 2017 [14] in die zaak, die u aan dat Hof had voorgelegd naar aanleiding van prejudiciële vragen die u op 1 augustus 2016 waren gesteld door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. In mijn derde aanvullende conclusie [15] heb ik de verwikkelingen tot dan toe (22 mei 2019) als volgt samengevat:
Fidelity Fundsen
Dekavoor de bij de Rechtbank aanhangige zaken met het oog op een zo efficiënt mogelijk behandeling conform
Fidelity Fundsen
Dekavan de resterende duizenden beroepen van niet-ingezeten beleggingsfondsen.
3.De prejudiciële vragen van de Rechtbank
A. 1 februari 2016: eerste reeks prejudiciële vragen van de Rechtbank
X Fund) zijn beroep bij de Rechtbank ingetrokken (zie r.o. 1.2 in onderdeel 2.1 hierboven). Dat was voor de Rechtbank aanleiding om een in die zaak gestelde vraag over te hevelen naar de niet-ingetrokken zaak
Deka. Zij heeft daarom in
Dekade volgende aanvullende vraag gesteld:
X Fundondanks intrekking van die zaak bij de Rechtbank.
Fidelity Funds, [27] die nog niet beslist was toen u uw vragen aan het Hof stelde en die mede reden was voor uw vraag 1 aan het Hof. [28] Het HvJ heeft u bij brief van 22 juni 2018 gevraagd of u, gegeven ’s Hofs antwoorden in
Fidelity Funds, (al) uw vragen in belanghebbendes zaak
Dekawilde intrekken. In een tweede aanvullende conclusie van 27 september 2018 [29] heb ik voorgesteld om inderdaad ofwel (i) alle vragen in te trekken omdat uit
Fidelity Fundsblijkt dat het EU-recht niet in de weg staat aan verzekering van fiscale coherentie tussen Nederlandse bronheffing en teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting, zij het dat het HvJ vindt dat daartoe een minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering bestaat, nl. niet-ingezeten beleggingsfondsen de keuze geven voor het ingezetenenregime, ofwel (ii):
Dekain te trekken, dus de vragen 2 (aandeelhouderseisen) en 3 (dooruitdelingseis) te handhaven, en alle vragen in de zaak
X fundin te trekken. U heeft daar geen toelichting op gegeven.
Dekabetekende, reden voor haar om u een tweede reeks (aanvullende) prejudiciële vragen voor te leggen:
Fidelity Fundsen ’s Hofs vraag of u uw vragen in belanghebbendes zaak zou willen intrekken, afleidt dat het HvJ ook in belanghebbendes zaak de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel geschonden zal achten omdat hij fondsen en hun deelnemers die niet aan Nederlandse (inhouding van) bronheffing onderworpen kunnen worden desondanks objectief vergelijkbaar acht met fondsen en hun deelnemers die daaraan wél zijn onderworpen.”
Fidelity Funds: niet-ingezeten fondsen en hun deelnemers worden geacht objectief vergelijkbaar te zijn met fbi’s en hun deelnemers, hoewel evident is dat objectief bezien - vanuit het doel van het fbi-regime (verplaatsing van de dividendbelasting, óók van de buitenlandse, van de ingang naar de uitgang) - niet-ingezeten fondsen en hun deelnemers, die niet onderworpen kunnen worden aan (inhouding van) Nederlandse bronheffing, volstrekt onvergelijkbaar zijn met ingezeten fondsen en hun deelnemers die daaraan wél zijn onderworpen, nu bronheffing aan de uitgang cruciaal is voor de (gerechtvaardigde) interne fiscale consistentie van een fbi-stelsel dat ingangsbronheffing restitueert.”
Dekavoor te houden:
likefondsen te geven die hij voor zijn eigen dividendbelasting wel aan die fondsen geeft (als die Staat zo’n tegemoetkoming ook voor binnenlandse dividenden niet geeft, dan gaat het om een dispariteit die Nederland niet hoeft op te lossen). De oorzaak van mogelijke economische dubbele belasting zit dus niet in Nederland. Het HvJ ware dan ook te wijzen op de mogelijkheid dat de betrokken fondsen ook in hun vestigingsstaat proberen met een beroep op het vrije kapitaalverkeer teruggave/verrekening van de Nederlandse dividendbelasting te verkrijgen tegenover door hen in te houden lokale dividendbelasting bij dooruitdeling en aldus proberen dubbel te declareren. Ook ware het HvJ expliciet te wijzen op het algehele verbod op
secondary withholding taxesin art. 10(5) OESO-Modelverdrag. Het wordt uit de conclusie en het arrest in de zaak
Fidelity Fundsniet duidelijk of het HvJ dat verbod op het netvlies heeft.”
Dekaabstraheren dan ook geheel van de kwestie die uw vraag 1 aan de orde stelde,
i.e.de vragen of (i) het Nederlandse fbi-stelsel, anders dan het Deense, wél neutraal is (en dus geen rechtvaardiging behoeft) c.q., als het niet neutraal geacht wordt (en daar ziet het naar uit, gegeven
Fidelity Fundsen ’s Hofs vraag om uw vragen in te trekken), (ii) teruggaafweigering disproportioneel is om de noodzakelijke fiscale coherentie te bereiken omdat er een minder belemmerende maatregel denkbaar is, nl. vrijwillige betaling van de bronheffing die ingezeten fbi’s binnen acht maanden moeten betalen.
Dekagaat alleen nog over de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen nádat
Fidelity Fundsal is toegepast op de kwestie van uw ingetrokken vraag 1 en daarmee alleen nog over het doel van die eisen om
beleggingsneutraliteit te bereiken (gelijkheid tussen rechtstreeks en via een fonds beleggen), niet over het tweede doel van fbi-regimes (fiscale coherentie). Mijn derde aanvullende conclusie gaat uiteraard wel in op die vraag 1 en ik stelde daarin voor om de tweede reeks (aanvullende) vragen van de Rechtbank als volgt te beantwoorden:
Dekaals volgt beantwoord:
Fidelity Funds. Gegeven diens suggestie om uw vragen in te trekken, acht het HvJ zelf
aluw vragen al beantwoord in dat arrest. Zoals betoogd in mijn derde aanvullende conclusie, zijn met
Fidelity Fundsook de vragen 1 en 2 van de tweede (aanvullende) reeks vragen van de Rechtbank beantwoord. Dispuut bestaat echter opmerkelijkerwijs nog steeds over de vraag wat dat antwoord inhoudt.
Fidelity Fundsdan alleen nog de vraag of r.o. 81 van
Dekaaanleiding geeft om r.o. 84 van
Fidelity Funds(niet-ingezeten fondsen mogen voor het ingezetenenregime kiezen, dus dezelfde bronheffing in Nederland betalen als zij dezelfde teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting willen) anders te lezen dan ik deed in mijn tweede en derde aanvullende conclusie (antwoord: neen. Ik ga daarop in onderdeel 6 hieronder in).
Deka, kunnen ook de vragen 2, 3 en 5 van de eerste serie vragen van de Rechtbank (over de aandeelhouders- en de dooruitdelingseisen) definitief beantwoord worden. In onderdeel 7 ga ik daarop in. Met het HvJ meen ik overigens dat alle vragen al beantwoord waren in
Fidelity Funds.
Fidelity Fundsdoor te geven aan de Rechtbank: niet-ingezeten fondsen die vergelijkbaar zijn met ingezeten fbi’s (i.e. aan dezelfde aandeelhouderseisen voldoen) komen in aanmerking voor dezelfde teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting als ingezeten fbi’s mits zij binnen acht maanden dezelfde Nederlandse bronbelasting betalen als die welke ingezeten fbi’s moeten betalen. Zoals boven opgemerkt, beargumenteer ik dat opnieuw, uitgebreider, in onderdeel 6 hieronder.
Deka.
de factoslechts vervulbaar voor ingezeten fbi’s? en (ii) sluit de dooruitdelingseis ex art. 28(2)(c) Vpb per definitie of
de factoniet-ingezeten fondsen uit van dividendteruggave? Hij meent dat dit feitelijke vragen zijn die door de feitenrechter beantwoord moeten worden en verzoekt u dan ook de Rechtbank dit te laten onderzoeken.
Dekadat hij zou hebben
gekozenvoor een handelssysteem dat het hem onmogelijk maakt de identiteit van zijn aandeelhouders te achterhalen en meent dat zijn bewijsnood op dat punt daarom niet voor zijn rekening komt. Als hij al zou hebben kunnen kiezen, zou hij zijns inziens ook dan niet in staat zijn geweest om te achterhalen wie zijn aandeelhouders waren. Ook ingezeten fondsen verhandelen hun participaties via vergelijkbare platforms en zij krijgen volgens de belanghebbende wél zonder voorafgaand informatieverzoek of controle achteraf de fbi-status.
Euroclear Banken
Clearstream Banking Luxembourg. Alle Duitse
Publikumsgebruiken een van beide.
Open endfondsen zoals de belanghebbende [33] kunnen een onbeperkt aantal beleggers hebben die op elk moment als
Globalurkundegesecuriseerde participaties kunnen kopen, verkopen of aflossen die zijn gedeponeerd bij een centrale effectenbewaarinstelling (
Clearstream, maar voor
Euroclearwerkt het net zo). De transacties verlopen via twee soorten bewaarrekeningen, één waarop het fonds de deelbewijzen levert aan de bewaarder, en één waarop de bewaarder levert aan de beleggers. In Nederland is gebruik van
Euroclearvolgens de belanghebbende feitelijk verplicht door aanwijzing in de Wet giraal effecten-verkeer (Wge). [34] Dat platform wordt dan ook door alle Nederlandse fondsen gebruikt. Volgens de belanghebbende kunnen daardoor ook Nederlandse fbi’s geen informatie geven over hun aandeelhouders. Nu zij desondanks de fbi-status hebben, mag de fiscus ook niet-ingezeten fondsen geen informatie over aandeelhouders vragen, aldus de belanghebbende. De fiscus kan die informatie volgens hem opvragen bij de Duitse fiscale autoriteiten op basis van de
DAC; [35] hij begrijpt niet waarom de fiscus van die mogelijkheid geen gebruik maakt. Dat de fiscus geen onderzoek instelt naar ingezeten fbi’s, impliceert volgens hem dat weigering van teruggaaf een ongunstiger behandeling van niet-ingezeten fondsen inhoudt zoals bedoeld in r.o. 66 van
Deka. De belanghebbende voegt een brief van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) bij die zijn stellingen moet ondersteunen. Hij heeft een verzoek ingediend bij de Minister van Financiën op basis van de Wet Openbaarheid Bestuur om te achterhalen of haar stellingen over het (geen)controlebeleid van de fiscus kloppen.
de factoworden benadeeld door de dooruitdelingseis zoals bedoeld in r.o. 73 van
Deka.Kennelijk is die eis zó eigen aan de Nederlandse markt dat niet-ingezeten fondsen er niet aan kunnen voldoen. Daarvan uitgaande meent hij dat hij de gelegenheid moet krijgen aan te tonen dat hij, vanuit het doel van de dooruitdelingseis bezien, in een met een fbi vergelijkbare positie verkeert, gegeven de regelgeving in zijn vestigingsstaat. Het hoofddoel van de dooruitdelingseis is volgens hem om collectief beleggen fiscaal neutraal mogelijk te maken voor Nederlandse box 3-beleggers door box 3-beleggers in een beleggingsfonds hetzelfde te belasten als box 3-beleggers die rechtstreeks beleggen. [36] Van box 3-beleggers wordt echter inkomstenbelasting geheven op basis van een forfaitair rendement. Zo beschouwd dient de dooruitdelingseis geen doel. Omdat de belanghebbende die eis binnenslands overbodig acht, mag hij volgens hem niet aan niet-ingezeten fondsen worden gesteld. Dat niet-ingezeten natuurlijke personen bij ontbreken van een dooruitdelingseis de heffing over hun beleggingsopbrengst kunnen uitstellen, acht de belanghebbende EU-rechtelijk irrelevant omdat het fbi-regime volgens hem niet op niet-ingezeten beleggers, maar op ingezeten box 3-beleggers is gericht. Bovendien leest hij in r.o. 84 van
Fidelity Funds, in samenhang met de punten 122 t/m 131 van de conclusie van A-G Pitruzella in
Dekadat onmiddellijke heffing over beleggingsresultaten in Duitsland equivalent is aan een Nederlandse dooruitdelingsheffing. ‘Any tax’ in r.o. 84 van
Fidelity Fundsdekt volgens hem niet alleen Nederlandse, maar ook buitenlandse bronheffing.
anyDuitse heffing voldoende.
acte clairof
éclairé, want hij stelt voor opnieuw prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen, nl. de volgende drie vragen:
Fidelity Fundsin zijn brief van 29 augustus 2018 aan u, [37] die er op neer-komen dat
Fidelity Fundsgeen reden was om terug te komen van HR
BNB2015/203 [38] nu het Nederlandse fbi-stelsel, anders dan het Deense, intern en doelconsistent is: anders dan Denemarken, geeft Nederland immers ook buitenlandse dividendbelasting terug aan ingezeten fbi’s. Zou u desondanks menen dat de fbi-regeling het kapitaalverkeer belemmert, dan zegt r.o. 84 van
Fidelity Fundszijns inziens dat fiscale coherentie van de fbi-regeling ook bereikt kan worden met een minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering, nl. toestaan van vrijwillige betaling van dezelfde bronbelasting als ingezeten fbi’s in Nederland. Wordt die vervangende bronbelasting niet betaald, dan hoeft Nederland ook geen teruggaaf te verlenen. De Staatssecretaris meent dat de belastingrechter die vervangende bronbelasting moet berekenen, met als uitgangspunt gelijkheid aan de gewenste teruggaaf, tenzij het fonds aannemelijk maakt dat de Nederlandse bronheffing lager is dan de teruggaaf.
de factobelemmering door de voorwaarde van een Amsterdamse beursnotering voor het lichtere aandeelhoudersregime in 2002 t/m 2006 niet ter zake doet omdat de belanghebbende aan geen enkele beurs genoteerd was en dus hoe dan ook niet in aanmerking had kunnen komen voor dat lichtere regime. Zou dat anders zijn, dan was zijns inziens van discriminatie geen sprake omdat in de uitvoeringspraktijk ook notering aan een buitenlandse beurs volstond voor het lichtere regime. Vanaf 2007 stelt art. 28(2)(c) Wet Vpb de lichtere aandeelhouderstoets ook open voor niet-ingezeten lichamen die onder financieel toezicht staan in een andere Lidstaat op basis van de uitvoering die ook Nederland heeft gegeven aan de (wijziging van de) icbe-Richtlijn. [39]
de factobenadeeld. Hij benadrukt dat
Fidelity Fundsen
Dekade lidstaten toestaan om fbi-status te weigeren aan niet-ingezeten fondsen die niet aannemelijk maken dat zij aan de aandeelhouderseisen voldoen, mits dezelfde bewijslast op ingezeten fondsen drukt, en dat is volgens hem het geval. De inspecteur verlangt ook van ingezeten beleggingsfondsen bewijs dat zij aan de aandeelhouderseisen voldoen. Ook een ingezeten fonds dat geen bewijs levert, krijgt noch fbi-status, noch teruggaaf. De Staatssecretaris wijst bovendien op een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 januari 2020, [40] waarin die Rechtbank een eventueel verschil in (de wijze van) toezicht niet als benadeling ziet als dat verschil verklaard wordt door een verschil in informatiepositie van de Inspecteur.
Dekain op de vraag of niet-ingezeten fondsen vanwege de in hun vestigingsstaat geldende regelgeving in een vergelijkbare situatie verkeren als ingezeten fondsen die aan de dooruitdelingseis voldoen.
Deka), met als
effectdat de Nederlandse belastingheffing wordt verlegd van het fonds naar zijn deelnemers. Omdat het gaat om
Nederlandsebelastingheffing (zie r.o. 84
Fidelity Funds), acht hij een niet-ingezeten fonds dat geen Nederlandse bronheffing betaalt niet objectief vergelijkbaar met een ingezeten fbi. Subsidiair is het doel van de dooruitdelingseis volgens hem verlegging van de belastingheffing van het fonds naar de aandeelhouder (vgl. r.o. 81
Deka). Op basis van dat doel hangt de vergelijkbaarheid van een buitenlands niet-dooruitdelend fonds met een ingezeten dooruitdelend fonds volgens hem af van de mate waarin de regelgeving van de vestigingsstaat waarborgt dat zowel de uitgekeerde als de niet-uitgekeerde winst bij
alleaandeelhouders in dat fonds wordt belast, ongeacht of sommige van die aandeelhouders in
hunrespectieve woonstaten worden belast.
Sondervermögende Nederlandse bronbelasting van zijn winst aftrok. De Duitse heffing bij aandeelhouders is volgens de Staatssecretaris daardoor onvoldoende om Duitse beleggingsfondsen vergelijkbaar te kunnen achten met dooruitdelende ingezeten fbi’s.
5.De nog openstaande rechtsvragen en de korte antwoorden erop
Dekalicht op de betekenis van r.o 84 van
Fidelity Funds? Geeft ook een
buitenlandsebronheffing bij (fictieve) buitenlandse dooruitdeling recht op teruggaaf van
Nederlandsebronheffing?
de factomarktbelemmerend uit jegens niet-ingezeten fondsen?
de factomarktbelemmerend uit jegens niet-ingezeten fondsen?
Dekagaat expliciet niet meer over uw – immers ingetrokken - vraag 1, die volgens het HvJ – en volgens u – al beantwoord is in
Fidelity Funds.
Dekagaat
nietover het
tweededoel van fbi-regimes (verzekeren van koppeling van bronbelasting aan vrijstelling/teruggaaf) en gaat dus niet over (r.o. 84 van)
Fidelity Funds.
Dekagaat alleen nog over uw vragen (2) of de aandeelhouderseisen en/of (3) de dooruitdelingseis
de factoniet-ingezeten fondsen belemmeren op basis van het
eerstedoel van fbi-regimes (gelijke behandeling van direct en indirect beleggen door voorkoming van dubbele heffing). De vragen (ii) en (iii) komen dus niet meer aan snee bij niet-ingezeten fondsen die niet kiezen voor het ingezeten-fondsregime,
i.e.die niet binnen acht maanden dezelfde Nederlandse bronbelasting betalen als een ingezeten fbi binnen acht maanden moet betalen, omdat als gevolg van die keuze geen minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering bestaat om de volgens r.o. 84 van
Fidelity Fundsgerechtvaardigde koppeling tussen bronbelasting en teruggaaf te verzekeren (
onderdeel 6),
onderdeel 7), en
nietvoor kiezen. In geval (a) dient de dooruitdelingseis geen (voor Nederland) fiscaal zinvol doel en in geval (b) zijn zowel de dooruitdelingseis als de aandeelhouderseis irrelevant, want als het niet-ingezeten fonds
nietdezelfde bronbelasting als een fbi wil betalen, is er geen minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering om de fiscaal noodzakelijke koppeling tussen bronheffing en teruggaaf te verzekeren en komt het fonds dus hoe dan ook niet voor teruggaaf in aanmerking (
onderdelen 6 en 7).
Fidelity Funds: samenhang van bronheffing en teruggaaf: aan Nederlandse bronheffing valt (écht) niet te ontkomen
Fidelity Funds [44] in dat een onderscheid tussen (i) niet-ingezeten icbe’s die worden onderworpen aan dividendbelasting en (ii) ingezeten icbe’s die daarvan worden vrijgesteld, maar bij dooruitdeling wel zelf dividendbelasting moeten inhouden en afdragen (zij het kennelijk niet precies hetzelfde bedrag), niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de coherentie van een fbi-stelsel te verzekeren als een minder belemmerende maatregel bestaat die fiscale coherentie kan verzekeren, en dat het HvJ zo’n minder belemmerende maatregel waarneemt in een keuze voor ingezetenenbehandeling. Niet-ingezeten fondsen moeten volgens
Fidelity Fundsdus de keuze krijgen tussen het voor hen geldende niet-ingezetenenregime en het voor ingezeten icbe’s geldende ingezetenenregime:
Gerritse [45] (niet-inwoners onderworpen aan een
flat ratezonder aftrekposten moeten kunnen kiezen voor de progressieve heffing mét aftrekposten voor inwoners),
Bouanich [46] (niet-inwoners onderworpen aan brutoheffing naar laag tarief moeten kunnen kiezen voor nettobelasting naar het hogere tarief voor inwoners),
National Grid Indus [47] (emigranten onderworpen aan exitheffing moeten kunnen kiezen voor heffingsuitstel tot realisatie, net zoals inwoners, maar dan wel met renteberekening, administratieplicht en zekerheidstelling),
Turpeinen [48] (keuze tussen beperkte belastingplicht naar een plat tarief en onbeperkte belastingplicht naar een progressief tarief),
Hirvonen [49] (keuze tussen ingezetenenheffing met progressie en aftrek en vereenvoudigde niet-ingezetenenheffing naar een plat tarief zonder aftrek) en
Anton van Zantbeek VOF, [50] waarin het HvJ akkoord ging met het bieden van een keuze tussen
vrijwilligebetaling van dezelfde Belgische taks op beursverrichtingen door niet-ingezeten tussenpersonen als de taks die ingezeten tussenpersonen zouden moeten inhouden, of heffing van die taks bij de ingezeten ordergever die gebruik maakt van een niet-ingezeten tussenpersoon die de Belgische taks
nietvrijwillig betaalt. Met name het laatste arrest lijkt mij doortrokken van dezelfde denkwijze als die van het HvJ in
Fidelity Funds. Het Belgische systeem tot verzekering van fiscale coherentie in de grensoverschrijdende situatie (voorkoming van ‘ontsnapping’, net zoals door het HvJ benoemd in de r.o. 52 en 57 van
Fidelity Funds) is in die zaak conceptueel identiek aan het systeem dat het HvJ in r.o. 84 van
Fidelity Fundspropageert als minder belemmerend dan teruggaafweigering, nl.: aan de niet-ingezeten, niet-onderworpen persoon die desondanks hetzelfde regime wil als de ingezeten onderworpen persoon, de keuze bieden voor het ingezeten-onderworpenenregime.
Fidelity Funds, met name r.o. 52 – 63, volgt dat het HvJ ingezeten en niet-ingezeten beleggingsinstellingen, bezien vanuit één doel van een fbi-regeling (neutraliteit tussen direct en indirect beleggen, dus voorkoming van cumulatie van belastingheffing bij indirecte belegging), niet onvergelijkbaar acht op de grond dat niet-ingezeten fondsen
nieten ingezeten fondsen
welonderworpen zijn aan inhoudingsplicht in de bronstaat. Maar een fbi-stelsel heeft nog een
tweededoel: fiscale coherentie. Het HvJ omschrijft die twee doelstellingen van de Deense fbi-regeling (die bestond uit vrijstelling van dividendbelasting aan de ingang van het fonds en bronheffing aan de uitgang, maar dat komt volgens het HvJ, gegeven zijn verzoek om uw vragen in te trekken, op hetzelfde neer als teruggaaf aan de ingang en bronheffing aan de uitgang) als volgt:
niet-onderworpen fondsen lijken mij vanuit het geciteerde
fiscale-coherentiedoel (iia) en (iib) van een fbi-regime evident
nietobjectief vergelijkbaar, maar het HvJ blijft op het punt van de objectieve vergelijkbaarheid om de een of andere reden hangen bij alleen het
neutraliteitsdoel (i) (neutraliteit tussen rechtstreeks en fondsbeleggen door voorkoming van cumulatie van heffing). Uit de in 6.1 hierboven geciteerde r.o. 84 van
Fidelity Fundsvolgt dat het HvJ ingezeten en niet-ingezeten fbi’s op basis van de neutraliteits-doelstelling (i) niet onvergelijkbaar acht, zodat een rechtvaardiging voor de weigering van vrijstelling (Denemarken) c.q. van teruggaaf (Nederland) vereist is. Die rechtvaardiging ziet het HvJ in het fiscale-coherentiedoel (iia) en (iib), zij het dat die doelstelling (éénmaal Deense heffing van Deense dividendbelasting op uitdeling van Deense dividenden en (daardoor) bewaring van fiscale coherentie ondanks tussenschuiving van een fonds) als rechtvaardiging slechts aanvaard kan worden als Denemarken c.q. Nederland desgewenst ook vrijstelling c.q. teruggaaf geeft aan niet-ingezeten fondsen die ‘volledig meewerken’ aan betaling van een Deense c.q. Nederlandse bronheffing gelijk aan de Deense c.q. Nederlandse bronheffing die ingezeten, aan inhoudingsplicht onderworpen fbi’s aan de uitgang moeten afdragen om in aanmerking te komen voor de gewenste vijstelling c.q. teruggaaf. U zie verder met name de onderdelen 2.6, 2.7 en 5 van mijn tweede aanvullende conclusie.
Fidelity Fundsbedoelde en door hem in r.o. 84 aanvaarde fiscale coherentie van het Deense fbi-systeem (“ervoor te zorgen dat [Deense dividenden] één keer daadwerkelijk aan die [de Deense] heffingsbevoegdheid worden onderworpen”) is uiteraard onbestaanbaar als niet-ingezeten fbi’s wel vrijgesteld zouden worden maar daartegenover – anders dan ingezeten fbi’s – géén bronheffing in de bronstaat Denemarken zouden hoeven betalen en dus willekeurig bevoordeeld zouden worden ten opzichte van de ingezeten maatpersoon. Het lijkt mij daarom onbestaanbaar, mede gezien de geciteerde r.o. 52 en 57 en ’s Hofs vaste rechtspraak over fiscale coherentie, dat het HvJ in r.o. 84 van
Fidelity Funds nietde bronstaatheffing zou bedoelen die de nationale maatpersoon (de ingezeten fbi) in de bronstaat moet afdragen. Geen enkele heffing in geen enkel buitenland kan de door het HvJ in r.o. 52 en 57 geformuleerde fiscale coherentie in de bronstaat verzekeren. Daar wél van uitgaan, is juist volstrekt
incoherent: dat produceert een door niets gerechtvaardigde dividendbelastingvrijdom voor iedereen ter wereld die zijn belegging in Deense aandelen omleidt langs een niet-Deens fonds. Zou enige heffing in enig buitenland Denemarken verbieden om dezelfde bronheffing van niet-ingezeten fondsen te vragen die hun concurrerende ingezeten fbi’s wél moeten betalen, dan zou het HvJ in r.o. 84 van
Fidelity Fundsterloops bronstaten hebben verplicht om fiscale voorrang te geven aan het woonplaatsbeginsel en af te zien van een bronheffing. Bronstaten zouden niet-inwoners niet meer mogen belasten zoals zij hun eigen inwoners belasten omdat niet-inwoners (wellicht) in hun woonstaat (enigszins) zijn onderworpen. Dat lijkt mij uitgesloten en flagrant in strijd met ’s Hofs vaste rechtspraak dat de EU-verkeersvrijheden geen basis bieden voor enige voorrangkeuze tussen het bronbeginsel het woonplaatsbeginsel en zich dus niet verzetten tegen simultane parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheid door bronstaat en woonstaat, ook niet als dat leidt tot internationale dubbele belastingheffing (u zie met name de zaken
Kerckhaert-Morres [51] en
Damseaux [52] ), als de niet-ingezetene maar niet ongunstiger wordt belast dan de ingezetene. Het enige dat r.o. 84 van
Fidelity Fundszegt, is dat niet-ingezeten fbi’s niet ongunstiger mogen worden belast dan ingezeten fbi’s en dat zij daarom voor het ingezetenenstelsel moeten kunnen kiezen als zij dat wensen,
i.e.als zij liever het ingezetenenstelsel willen (teruggaaf-mits-bronheffing) dan het niet-ingezetenenstelsel (geen-bronheffing-dan-ook-geen-teruggaaf), bijvoorbeeld omdat zij, zoals zij stellen, die bronstaatheffing verrekenbaar willen kunnen doorgeven aan hun deelnemers.
Fidelity fundsziet op de
Deensebronheffing. Het blijft mij ontgaan hoe commentatoren kunnen menen dat het EU-recht zo’n evident markt
verstorend, soevereiniteitsschendend en door niets gerechtvaardigd fiscaal privilege voor indirecte omleiders zou inhouden. De tegenwerping van onder meer de belanghebbende dat inhouding van Nederlandse dividendbelasting niet
nodigzou zijn ten laste van ingezeten box-3-beleggers snijdt mijns inziens evident geen hout omdat (i) de Nederlandse dividendbelasting verre van alleen maar van box-3-beleggers wordt geheven, (ii) het EU-recht de lidstaten uiteráárd niet verbiedt om belastingen te heffen die niet iedereen nodig acht (welke al dan niet ‘nodige’ en al dan niet verrekenbare belastingen een lidstaat heft, staat te zijner volstrekt vrije soevereine keuze zolang de inkomstenbelastingheffing van natuurlijke personen niet op EU-niveau is geharmoniseerd of gecoördineerd) en (iii)
zelfsals men een discriminatie zou willen ontwaren in een bronheffingsysteem voor niet-ingezetenen en een eindheffingsysteem voor ingezetenen, daar EU-rechtelijk niets op tegen is; u zie onder meer HvJ
Scorpio [53] en HvJ
Truck Center. [54] Uit HvJ
Miljoen e.a. [55] blijkt verder expliciet dat er met de verrekening van de dividendbelasting met de box 3 heffing bij ingezetenen niets mis is als de uiteindelijke gecombineerde
Nederlandsebelastingdruk voor ingezetenen maar niet lager is dan de
Nederlandsedividendbelastingdruk voor niet-ingezetenen. Uit het latere HvJ-arrest
PMT [56] blijkt overigens dat het HvJ box 3-onderworpenen en (slechts) bronheffing-onderworpenen toch alsnog objectief verschillend acht, zodat zij ongelijk belast mogen worden. In
PMTzegt hij immers expliciet dat een bronheffing voor niet-ingezetenen op alleen hun broninkomen en een fictief-rendementheffing op het gehele vermogen van ingezetenen (
precieszoals de Nederlandse box 3 dus) zódanig van elkaar verschillen dat zelfs geen sprake is van discriminatie van niet-ingezetenen wegens een objectief verschil in situatie, zodat zelfs geen rechtvaardiging nodig is voor verschillende belastingdruk.
V-N2018/55.10 vroeg zich naar aanleiding van mijn tweede aanvullende conclusie niettemin af of het niet ‘logischer’ zou zijn dat het HvJ in
Fidelity Fundseen
buitenlandseteruggaaf-compenserende heffing bedoelde, en
De Haanmeende dat uit de HvJ-arresten
Miljoen,
PMTen
Belgische fairness tax [57] volgt dat het gaat om de uiteindelijke effectieve belastingdruk bij de aandeelhouder, die voor een binnenlander en een buitenlander gelijk moet zijn en dat die logica dicteert dat juist (ook) wordt gekeken naar een buitenlandse heffing. [58] Ook mijn derde aanvullende conclusie heeft hem kennelijk niet overtuigd, [59] hoewel ook hij meent dat het HvJ dat in
Dekaniet (duidelijk) zegt. [60]
Fidelity Fundswordt kennelijk gevoed door r.o. 81 van
Deka, die als volgt luidt (
onderstrepingPJW):
wordt geacht te zijn uitgekeerd en als zodanig wordt belast op het niveau van de aandeelhouder van dat fonds, zich in een objectief vergelijkbare situatie bevinden. In beide gevallen wordt de belastingheffing immers verschoven van het beleggingsfonds naar de aandeelhouder.”
coherentietussen bronheffing en teruggaaf), maar slechts over de vraag of een (echte) dooruitdeling vanuit het
beleggingsneutraliteitsdoel nodig is om de heffing te verplaatsen van de ingang van het fonds naar de uitgang. Het antwoord op
dievraag luidt uiteraard ontkennend, want een fictieve dooruitdeling creëert evenzeer een belastbaar feit op aandeelhoudersniveau als een echte dooruitdeling. Het Hof zegt hier niets over de
fiscale-
jurisdictiecoherentie van de allocatie van dat gecreëerde belastbare feit.
Dekabetekent dat het HvJ vindt dat ook een buitenlandse heffing goed genoeg is om het
fiscale-coherentiedoel van het fbi-regime te bereiken:
Dekagaat
nietover de fiscale coherentie tussen bronheffing en teruggaaf die in uw ingetrokken vraag 1 aan de orde is en die in
Fidelity Fundsal was toegestaan (mits op de minst belemmerende wijze vormgegeven,
i.e.door de keuze voor ingezeten-fondsbehandeling te bieden).
V-N2020/9.10 [61] meent dat (ook)
Dekageen antwoord geeft op de vraag in hoeverre een Nederlandse dan wel buitenlandse compenserende heffing mag worden geëist bij al dan niet fictieve dooruitdeling
.Ook zij betwijfelt of ’s Hofs rechtspraak wel voorziet in een fiscaal coherent systeem; zij vraagt zich zelfs af of het HvJ zich überhaupt bekommert om de fiscale coherentie van fbi-regimes:
nietin het midden of het om een Deense of een buitenlandse heffing ging: uit de r.o. 52, 57 en 84 blijkt mijns inziens duidelijk (uiteraard, gezien de in r.o. 52 en 57 duidelijk weergegeven tweede doelstelling van het Deense systeem) dat het om de
Deensebronheffing ging;
niet‘uit te gaan van een buitenlandse heffing, althans een heffing door de lidstaat waar het fonds is gevestigd’: die r.o. 81 gaat, zoals opgemerkt, uitsluitend over de kale vraag 3, dus uitsluitend over de mogelijke
beleggings-neutraliteitsdoelen van een dooruitdelingseis. Zij maakt nergens gewag van binnen- of buitenlandse heffing of van heffing in de vestigingsstaat, maar heeft het slechts in abstracto over het mogelijke neutraliteitsdoel ‘verlegging naar het niveau van de aandeelhouder’, dus over het (eerste) doel van neutraliteit van direct en indirect beleggen;
nietover het (tweede) fiscale-coherentiedoel bedoeld in r.o. 52 en 57, waarover uw ingetrokken, want reeds in
Fidelity Fundsbeantwoorde vraag ging;
Dekauiteráárd, ‘anders dan in Fidelity Fund, (…) geen oog meer voor de interne samenhang tussen de teruggaaf bij het inkomende dividend en de corresponderende heffing bij het uitgaande dividend’, omdat de zaak
Dekadaar helemaal niet meer over gaat: uw daarop ziende vraag 1 was immers al ingetrokken omdat het HvJ – en ook u – die terecht al volledig beantwoord achtte in
Fidelity Funds. Het gaat in de zaak
Deka(bij het HvJ) alleen nog maar de aandeelhouderseisen bezien vanuit neutraliteit tussen direct en indirect beleggen en de dooruitdelingseis bezien vanuit neutraliteit tussen direct en indirect beleggen;
isook geen rechtvaardiging voor de dooruitdelingseis bezien vanuit de tweede doelstelling van het fbi-stelsel (fiscale coherentie) als die coherentie al verzekerd is door betaling van dezelfde bronheffing als ingezeten fbi’s betalen, zoals door het HvJ al heeft aangegeven in r.o. 84 van
Fidelity Funds. De dooruitdelingseis is overbodig en daarmee ongerechtvaardigd als het niet-ingezeten fonds al, conform
Fidelity Funds, voldoet aan de voorwaarde voor teruggaaf dat hij binnen acht maanden bronbelasting betaalt op dezelfde voet als ingezeten fbi’s; en
alshet doel van de dooruitdelingseis (slechts) is om beleggingsneutraliteit te bereiken door vervanging van de heffing op fondsniveau door heffing op aandeelhoudersniveau, een fictieve dooruitdeling in Duitsland uiteraard even goed is als een echte dooruitdeling. Die beschouwing over beleggingsneutraliteit heeft – ik blijf het maar herhalen – niets te maken met uw immers ingetrokken vraag 1 naar fiscaal-
jurisdictionelesamenhang tussen teruggaaf en bronbelasting (het tweede doel van een fbi-regime), maar uitsluitend met het eerste doel om zo dicht mogelijk
rechtstreeksebelegging te benaderen. Ik merk op dat
rechtstreeksebelegging in Nederlandse aandelen onontkoombaar leidt tot betaling van Nederlandse dividendbelasting.
Dekaen ook daarna [63] nog onzeker over de betekenis van r.o. 84 van
Fidelity Funds, en ook uit de opmerkingen van de partijen naar aanleiding van ’s Hofs
Deka-arrest blijkt dat zij over die betekenis twisten. [64] Uit de interactie tussen het HvJ en u, met name uit uw intrekking, op verzoek van het HvJ, van uw vraag 1, blijkt mijns inziens echter onmiskenbaar dat
Dekamet zekerheid
nietmeer gaat over die vraag 1, dus
nietmeer gaat over het tweede in r.o. 52 en 57 van Fidelity Funds omschreven doel van een fbi-stelseldoel, dus niet meer gaat over de rechtvaardiging en proportionaliteit van maatregelen tot verzekering van fiscale coherentie tussen teruggaaf en bronheffing, die zowel volgens het HvJ als volgens u – gegeven uw intrekking – al is beantwoord in
Fidelity Funds.
de factodiscrimineert omdat zij, hoewel
de jureeen zonder-onderscheid-maatregel, teruggaaf en daarmee markttoegang onnodig moeilijker maakt voor niet-ingezeten fondsen, die geconfronteerd worden met dubbele fiscale regulering: zowel in hun vestigingsstaat als in Nederland. Het Hof begint met herhalen van zijn vaste rechtspraak (r.o. 72) dat Nederland uiteraard niet verplicht is om zijn fbi-systeem aan te passen aan de behoeften van niet-ingezeten fondsen die onderworpen zijn aan andere fiscale systemen in andere staten: bij gebrek aan regulering op EU-niveau heeft heffing in de ene (woon)lidstaat uiteraard geen voorrang op heffing in een andere (bron)lidstaat. De verkeersvrijheden nopen geenszins tot geen wederzijdse voorrangserkenning van belastingheffing; het zou, zoals eerder opgemerkt, onzinnig zijn als de bronstaat niet meer mag heffen omdat de woonstaat (misschien) heft. Aldus ook De Wilde [65] en Kavelaars. [66] In de gevallen waarin wél aanleiding kan bestaan voor wederzijdse erkenning, zoals bij producteisen, fyto-sanitaire eisen en diploma-eisen, zou het overigens het stelsel van de oorsprongstaat zijn (in casu dus Nederland) dat door de andere lidstaten erkend zou moeten worden.
de factodiscriminatie, die uiteraard alleen beoordeeld kan worden in het licht van de mogelijke doelen van de dooruitdelingseis. Het HvJ gaat uit van twee mogelijke doelen van dooruitdeling:
Fidelity Funds(r.o. 52 en 57), waarin het over het onderwerp van uw in Deka ingetrokken vraag 1 ging, onderkent het HvJ hier dus
nietals doel van (dit aspect van) het fbi-stelsel:
Dekadus
nietover het tweede doel van de Deense en Nederlandse fbi-stelsels (koppeling van bronbelasting aan vrijstelling/teruggaaf), zoals expliciet weergegeven in r.o. 52 en 57 van
Fidelity Funds(zie 6.3 hierboven) en ook door u expliciet vermeld in uw prejudiciële beslissing waarin u vraag 1 stelde (r.o. 4.2;
onderstrepingPJW):
Nederlandsebelastingheffing te brengen als natuurlijke personen die rechtstreeks beleggen.”
eerstedoel van fbi-stelsels: neutraliteit van rechtstreeks en fondsbeleggen door voorkoming van economische dubbele heffing als er een fonds tussen wordt geschoven. Uitsluitend in
datverband gaat het Hof vanaf r.o. 68 in op de dooruitdelingseis. R.o. 80 gaat over het in r.o. 77 als eerste genoemde mogelijke doel van de dooruitdelingseis (beleggingsopbrengst zo snel mogelijk bij de belegger brengen). R.o. 81 e.v. gaan over het tweede in r.o. 77 genoemde mogelijke doel van de dooruitdelingseis (heffing verplaatsen van fondsniveau naar aandeelhoudersniveau). Beide overwegingen zijn voorwaardelijk geformuleerd: als de dooruitdelingseis
opbrengstverplaatsing dient, dan discrimineert hij niet omdat er een objectief verschil is tussen dooruitdelen en niet-dooruitdelen, maar als hij
heffingsverplaatsing dient, dan discrimineert hij wel omdat ook met een fictieve dooruitdeling zoals in Duitsland het doel bereikt wordt van een belastbaar feit op aandeelhoudersniveau.
Fidelity Funds. Of in de vestigingsstaat van het niet-ingezeten fonds al dan niet – echt of fictief – wordt dooruitgedeeld, is bezien vanuit de
tweede(fiscale-coherentie) doelstelling van het fbi-stelsel immers irrelevant als het fonds in de bronstaat dezelfde bronbelasting als ingezeten fondsen betaalt, zoals bedoeld in r.o. 84 van
Fidelity Funds. Betaalt hij die niet, dan is dooruitdeling evenmin relevant, want dan komt hij hoe dan ook niet voor teruggaaf in aanmerking.
Deka(r.o. 77, 80 en 81) niet
ultra viresgaat door slechts twee mogelijke doelen van de dooruitdelingseis te noemen en geheel voorbij te gaan aan de noodzaak van fiscale coherentie. Het fiscale-coherentiedoel van het fbi-stelsel is in vraag 3 immers helemaal niet meer aan de orde, want volgens het HvJ al volledig afgedaan met de indirecte beantwoording van uw vraag 1 in
Fidelity Funds. De Wilde schrijft:
Deka- terecht - de opwinding niet begrijpt.
i.e.kunnen kiezen voor bronbelasting betalen om teruggaaf te krijgen. Als zij daarvoor kiezen, kunnen zij niet meer onderworpen worden aan een alsdan fiscaal zinloze dooruitdelingseis.
Fidelity Funds– terecht genoeg heeft van deze zaak.
7.Deka: de aandeelhouders- en dooruitdelingseisen; de factodiscriminatie?
A. Beperkte relevantie
Deka-arrest – irrelevant zijn voor niet-ingezeten fondsen die niet kiezen voor het ingezetenenregime maar voor geen-bronheffing-dus-ook-geen-teruggaaf, nu die laatste keuze hen hoe dan ook uitsluit van teruggaaf omdat bij die keuze geen minder belemmerende maatregel dan teruggaafweigering bestaat om de fiscaal noodzakelijke samenhang tussen teruggaaf en bronheffing te verzekeren.
Dekatoch ingaat op mogelijke
de factodiscriminatie door de zonder-onderscheid-eis van dooruitdeling, wordt verklaard door uw handhaving van vraag 3, waaruit het HvJ moest afleiden dat u (toch) gevallen voorzag waarin die voorwaarde fiscaal noodzakelijk zou kunnen zijn bij niet-ingezeten fondsen ondanks betaling van bronheffing binnen acht maanden (ongeacht fictieve of echte dooruitdeling) of ondanks (ii) afzien van het ingezetenenregime.
Dekakan mijns inziens dus alleen relevant zijn voor niet-ingezeten fondsen die voor het ingezetenenregime kiezen, dus voor betaling van dezelfde Nederlandse bronheffing als die bij ingezeten fbi’s, en alsdan alleen voor de toepassing van de aandeelhouderseisen. Ik ga hieronder daarom niet meer in op de dooruitdelingseis: die is voor niet-ingezeten fondsen onder alle omstandigheden irrelevant en daarmee ongerechtvaardigd. Het heeft geen zin om door uit te delen als er toch geen teruggaaf in zit, en het heeft evenmin zin om door uit te delen als teruggaaf al verzekerd is door de betaling van de bronheffing (en voldoening aan de aandeelhouderseisen).
Dekageen ingezetenenbehandeling wenst en dus geen Nederlandse bronheffing wenst te betalen, heeft hij hoe dan ook geen recht op teruggaaf en heeft het dus in zijn geval evenmin nog zin om op de aandeelhouderseisen in te gaan. Met het HvJ meen ik overigens, zoals ook opgemerkt in mijn eerdere aanvullende conclusies, dat uw vraag 2 ook al was beantwoord in
Fidelity Funds, waarin het HvJ immers al overwoog (r.o. 84) dat voor de Deense vrijstelling alleen in aanmerking konden komen de niet-ingezeten fondsen:
de factoniet-ingezetenen c.q. grensoverschrijdende situaties benadelen in vergelijking met vergelijkbare ingezetenen c.q. interne situaties. De r.o. 58 en 60 van
Dekazijn dan ook opdrachten aan de nationale rechter om na te gaan of aan de aandeelhouders-eisen
totc.q.
vanaf2007:
de factodiscriminatiebeoordeling van de dooruitdelingseis.
de factodiscriminatie van niet-ingezetenen door fiscale zonder-onderscheid-maatregelen.
Hervis Sport- és Divatkereskedelm [69] ging over een belasting ogenschijnlijk zonder onderscheid naar draagkracht die echter
de factoniet-ingezetenen benadeelde door de combinatie van een afwijkende heffingsmaatstaf voor in een groep verbonden lichamen en een algemeen maar sterk progressief tarief. De belasting werd geheven over de netto (groeps)omzet naar een tarief van 0,1% (bij een (groeps)omzet tussen 500 mio en 30 mrd HUF), via 0,4% (over (groeps)omzet tussen 30 en 100 mrd HUF) tot 2,5% (over (groeps)omzet boven 100 mrd HUF). Bij
stand alonevennootschappen werd de belasting uiteraard bepaald door het progressieve tarief toe te passen op slechts de omzet van die vennootschap zelf; bij groepsvennootschappen daarentegen door eerst de progressie in het tarief te bepalen op basis van de totale groepsomzet in Hongarije, dat progressieve tarief toe te passen op de groepsomzet in Hongarije en ten slotte het resulterende belastingbedrag omzetevenredig toe te rekenen aan de Hongaarse groepsvennootschappen. Het effect was dat vennootschappen in een groep in hogere tariefschijven terecht kwamen dan
stand alonevennootschappen met dezelfde omzet.
Hervis, een Hongaarse vennootschap die tot een Oostenrijkse groep behoorde, meende dat de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer zich verzetten tegen een dergelijk verschil in behandeling dat:
Van Caster en Van Caster [71] betrof twee Duits ingezetenen die deelnamen in niet in Duitsland gevestigde beleggingsfondsen in bewaring bij een Belgische bank. Duitsland hief bij zijn ingezetenen inkomstenbelasting over opbrengsten uit beleggingsfondsen. Ongeacht de plaats van hun zetel, dus in beginsel zonder onderscheid, eiste de Duitse wet van beleggingsfondsen, jaarlijks en in het Duits gesteld, gedetailleerde informatie over hun vermogenswaarden en uitgekeerde winsten. Afhankelijk van de mate van
compliancegolden – zonder onderscheid naar vestigingsplaats – drie verschillende maatstaven van heffing bij Duits ingezeten deelnemers. De gunstigste maatstaf was heffing over de werkelijke (vermogens)opbrengst; de ongunstigste was heffing over een forfaitaire opbrengst van minstens 6% van de verkoopwaarde van de participatie. Die laatste maatstaf gold voor fondsen die voldeden aan de informatieverstrekkingsplicht, zonder tegenbewijsmogelijkheid voor de participanten. Het HvJ overwoog:
Duitswaren, overwoog het HvJ:
Duitse– kam scheren van grensoverschrijdende gevallen zonder weerlegging toe te staan van een omineus bewijsvermoeden dat vooral die grensoverschrijdende gevallen trof.
Van der Weegen [72] betrof een Belgische vrijstelling van inkomsten uit spaartegoeden die aan bepaalde eisen voldeden. Spaartegoeden bij banken in andere lidstaten voldeden als gevolg van de aldaar vigerende regelgeving vaak niet precies aan de Belgische eisen, maar ook voldoende was het als de spaartegoeden voldeden aan ‘analoge eisen’. Wat daarvoor precies was vereist, was niet duidelijk. Van der Weegen hield spaardeposito’s aan bij niet-Belgische banken die noch aan de wettelijke eisen, noch aan de ‘analoge’ eisen voldeden, zodat de vrijstelling werd geweigerd, hetgeen hij een schending van het vrije verkeer van spaardiensten achtte. Het HvJ ging na of met name twee eisen, hoewel zonder onderscheid toepasselijk op alle banken, de markttoegang van niet-Belgische banken belemmerde, nl. (i) ‘opvragingen’ van deposito’s moesten beperkt zijn om deposito’s te onderscheiden van rekeningen-courant en (ii) de vergoeding op spaardeposito’s moest uitsluitend bestaan uit een basisrente [73] en een getrouwheidspremie: [74]
de factodiscriminerend ten nadele van niet-Belgische banken bevonden te hebben, kwam het HvJ toe aan de vraag naar een rechtvaardiging voor deze markttoegangsbelemmering:
Dekais helder: de litigieuze aandeelhouderseisen (en de dooruitdelingseis), hoezeer ook zonder-onderscheid-maatregelen, belemmeren het vrije kapitaalverkeer als zij de toegang van niet-ingezeten beleggingsfondsen tot de Nederlandse beleggingsmarkt ongerechtvaardigd of onevenredig belemmeren of marktongelijkheid ten nadele van niet-ingezeten fondsen veroorzaken. Het HvJ splitst in r.o. 50 de vraag of de aandeelhouderseisen niet-ingezeten fondsen
de factobenadelen in tweeën: (i) zijn die eisen
inhoudelijkbelemmerend, zoals in de zaken
Hervisen
Van der Weegen? Daarover gaan de r.o. 51 t/m 60. (ii) Werkt de
bewijslastter zake van de aandeelhouderseisen
de factoten nadele van niet-ingezeten fondsen, zoals in
Van Caster en Van Caster? Daarover gaan de r.o. 61 t/m 66.
Deka):
tot2007 een Amsterdamse beursnotering nodig en
vanaf2007 toelating op een financiële-instrumentenmarkt bedoeld in art. 1:1 Wft Pro of beschikken over of vrijgesteld zijn van een Wft-vergunning. De aandeelhouderseisen strekken er, aldus uw prejudiciële beslissing (r.o. 4.3) toe om:
Dekavoor de aandeelhouderseisen die golden
tot2007:
tot2007 (Amsterdams beursnotering)
de factobelemmerend kon werken en dat het regime voor de lichtere toets vanaf 2007 niet belemmert. Met de Staatssecretaris meen ik echter dat dat de belanghebbende vermoedelijk ook voor de periode tot 2007 niet helpt, nu erkenning van ook een niet-Amsterdamse beursnotering (die volgens de Staatssecretaris ook toen al beleid was) hem niet lijkt te helpen, gegeven dat hij kennelijk evenmin op enige andere vergelijkbare beurs was genoteerd, maar dat is aan de feitenrechter.
V-N2020/9.10 meent dat de aandeelhouderseisen tot 2007
de jureal discrimineerden vanwege het Amsterdamse-beurscriterium, maar uit r.o. 58 van
Dekavolgt mijns inziens dat het HvJ dat niet vindt.
Kavelaarsmeent dat de aandeelhouderseisen vanaf 2007 niet meer (
de facto) discrimineren.
de factodiscrimineerden, zulks aannemelijk te maken door Deka – én Deka de voor teruggaaf vereiste Nederlandse bronheffing betaalt – dan moet Deka de gelegenheid krijgen om aannemelijk te maken dat (i) zijn aandeelhouders natuurlijke personen, in het bijzonder kleine beleggers waren en (ii) hij het fbi-regime niet oneigenlijk gebruikte om winsten en verliezen opportunistisch te alloceren.
vanaf2007 wijst de Staatssecretaris op het volgende citaat in de parlementaire toelichting op de aanpassing van de aandeelhouderseis per 1 januari 2007 (van beursnoteringseis naar Wft-vergunnings- en toezichtsregime-eis): [76]
zondervergunning de Nederlandse effectenmarkt op willen. Die vrijstelling van vergunningsplicht biedt alternatieve toegang tot art. 28(2)(c) Wet Vpb in plaats van de Wft-vergunning die ingezeten fbi’s moeten hebben. Dan rijst de vraag of de eisen aan buitenlandse icbe’s voor vrijstelling van de ingezetenen-vergunningsplicht qua doel en effect vergelijkbaar zijn met en niet verder gaan dan de eisen waaraan Nederlandse fondsen moeten voldoen voor een vergunning. [80] Die staan in de artt. 2:67 t/m 2:69 Wft, die evenzeer uitgebreide informatieverstrekking eisen. Zijn de eisen voor vrijstelling van de vergunningsplicht niet bezwarender dan die voor de vergunning zelf, dan rijst de vraag of zij niettemin zó eigen zijn aan de Nederlandse beleggingsfondsenmarkt dat zij
de factoprotectionistisch uitwerken, zoals de Belgische spaardeposito-eisen in de boven (7.11) geciteerde zaak
Van der Weegen. Ik meen dat het antwoord op die vraag ontkennend luidt. Ook zonder hinder van kennis van de beleggingsfondsenregimes in andere lidstaten meen ik te kunnen concluderen dat geen van de in met name art. 2:72 Wft Pro gestelde eisen specifiek is aan de Nederlandse markt of anderszins merkbaar verkapt marktprotectionistisch effect heeft. Ik meen daarom dat ook u als cassatierechter al kunt oordelen dat het de eisen voor toegang tot het lichtere aandeelhoudersregime vanaf 2007 geen verkapte discriminatie inhoudt.
de factomarkttoegangs- of marktgelijkheidsbelemmering door de
bewijslast(verdeling). Zoals voor de hand ligt, overweegt het HvJ (r.o. 61) dat de inspecteur van niet-ingezeten fondsen de informatie mag eisen die hij nodig heeft om te controleren of zij aan de aandeelhoudereisen voldoen, mits (r.o. 62) die informatievordering niet buitensporig is, gelet op de aard van de informatie, en ook overigens geen buitensporige administratieve last wordt opgelegd die niet-ingezeten fondsen
de factode toegang tot het fbi-regime belemmert. Daarna volgen de rechtsoverwegingen waarover de belanghebbende valt in zijn schriftelijke reactie (onderdelen 4.3 t/m 4.5). In r.o. 63 overweegt het HvJ, mede op basis van de r.o. 7.7.2 en 7.8.2 van uw prejudiciële beslissing, dat belanghebbendes bewijsmoeilijkheden een gevolg zijn van zijn handelsplatformkeuze, en in r.o. 64 concludeert hij daarom dat belanghebbendes bewijsmoeilijkheden:
Haribo Lakritzenen
Österreichische Salinen, [81] dat Nederland “in die omstandigheden” niet verantwoordelijk is voor belanghebbendes bewijsproblemen. Als Nederlandse fondsen op een vergelijkbaar handelsplatform hetzelfde bewijs als de belanghebbende moeten leveren (dat moet de Nederlandse belastingrechter nagaan), is weigering van fbi-status aan de belanghebbende wegens niet-voldoen aan de aandeelhouderseisen geen ongunstiger behandeling van niet-ingezetenen.
de factoongunstiger te worden behandeld, dan moeten zij de gelegenheid krijgen aannemelijk te maken dat (i) hun aandeelhouders natuurlijke personen, in het bijzonder kleine beleggers zijn en (ii) het fbi-regime niet oneigenlijk gebruikt wordt om winsten en verliezen opportunistisch te alloceren. De voorwaarden voor het lichte aandeelhoudersregime vanaf 2007 zijn niet zo eigen zijn aan de Nederlandse markt dat zij
de factoniet-ingezeten fondsen benadelen.
de factomarktprotectionistisch effect ervan. Overigens zegt de 3-kamer van het HvJ er mijns inziens niets nieuws over: zo’n eis mag uiteraard enerzijds niet verkapt protectionistisch zijn door afstemming specifiek op de binnenlandse markt, terwijl anderzijds de betrokken lidstaat geenszins verplicht is om zijn eisen aan te passen aan soepeler regimes in andere lidstaten omdat het toetreden tot een andere, nog niet-geharmoniseerde markt nu eenmaal meebrengt dat aan de voor iedereen op die markt geldende eisen voldaan moet worden, tenzij dat een zinloze doublure van oorsprong- en bestemmingseisen zou zijn.
Fidelity Funds, evenzeer het fiscaal-jurisdictionele coherentiedoel dient. Ik herhaal dat
Dekaüberhaupt niet meer gaat over uw ingetrokken vraag 1 (fiscale coherentie tussen bronheffing en teruggaaf).
Fidelity Funds, maar als hij nog relevant zou zijn, zou het antwoord mijns inziens luiden:
8.Conclusie; beantwoording van de vragen van de Rechtbank
Fidelity Fundsal genoeg van deze zaak had; ik ook trouwens;
de factoongunstiger te worden behandeld, dan moeten zij de gelegenheid krijgen aannemelijk te maken dat (i) hun aandeelhouders natuurlijke personen, in het bijzonder kleine beleggers zijn en (ii) het fbi-regime niet oneigenlijk gebruikt wordt om winsten en verliezen opportunistisch te alloceren. De voorwaarden voor het lichte aandeelhoudersregime vanaf 2007 zijn niet zo eigen zijn aan de Nederlandse markt dat zij
de factoniet-ingezeten fondsen benadelen.