Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een Duits publiek beleggingsfonds (Publikum Sondervermögen), verzocht teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting over 2013. De inspecteur wees dit verzoek af, hetgeen tot beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant leidde. De rechtbank behandelde de zaak in het kader van een pilotprocedure en hield rekening met eerdere uitspraken en prejudiciële vragen.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende vergelijkbaar is met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarmee recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een belemmering van het vrije kapitaalverkeer door het verschil in behandeling tussen buitenlandse beleggingsfondsen en Nederlandse fbi's, welke belemmering niet gerechtvaardigd kan worden door het coherentiebeginsel of woonstaatneutralisatie.
Belanghebbende voldeed niet aan de aandeelhouderseis, omdat een levensverzekeringsmaatschappij 61% van de participaties hield, wat niet verenigbaar is met de wettelijke criteria. De rechtbank verwierp het betoog dat deze eis slechts bedoeld is om misbruik te voorkomen en dat in dit geval aan de eis voldaan zou zijn. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van de dividendbelasting.
Uitkomst: Het beroep van het Duitse beleggingsfonds wordt ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan de aandeelhouderseis en het ontbreken van woonstaatneutralisatie.