Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
daarnaast” heeft besloten om ook het bouwen en repareren van langere schepen dan 110 meter aan te vragen en daarbij heeft vermeld dat die aanpassing niet leidt tot verruiming van de bedrijfsactiviteiten of een zwaardere milieubelasting.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voorbereidingsprocedure, die enkel van toepassing is op ‘de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald’ (art. 3:10 lid 1 Awb Pro). [20] Het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure draagt in de eerste plaats bij aan de totstandkoming van zorgvuldig afgewogen besluiten. [21] Zij kan worden gezien als uitwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb Pro dat het bestuursorgaan opdraagt bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De procedure bevordert niet alleen de zorgvuldige voorbereiding van besluiten van bestuursorganen, maar dient ook de ‘preventieve’ rechtsbescherming, omdat zij eraan bijdraagt dat individuele belangen bij de voorbereiding van bestuurlijke beslissingen onder de aandacht van het bestuur worden gebracht. [22]
onrechtmatig besluitis vereist. [31] Is dat niet het geval, dan blijft de bestuursrechter dus toch buiten beeld en zal de betrokkene zijn heil moeten zoeken bij de civiele rechter. Een beperking is voorts gelegen in art. 8:89 lid 2 Awb Pro, waarin is bepaald dat de bestuursrechter buiten de rechtsgebieden genoemd in art. 8:89 lid 1 Awb Pro (kort gezegd gaat het daarbij om het ambtenarenrecht en het financiële bestuursrecht) [32] bevoegd is voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,-- bedraagt. [33] Van exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter is daarbij overigens geen sprake: in deze gevallen is de bestuursrechter naast de civiele rechter bevoegd (tot het bedrag van € 25.000,--). [34] Voor verzoeken die uitstijgen boven het bedrag van € 25.000,-- is de civiele rechter juist exclusief bevoegd. [35]
Noord-Brabant/Janse. [41]
NJ-annotatie legt Scheltema de nadruk op het karakter van de voorbereidingsprocedure:
Noord-Brabant/Jansegegeven overwegingen aan haar beoordeling ten grondslag gelegd (zie rov. 4.1. van het eindvonnis).
Noord-Brabant/Janseoverwoog Uw Raad in
[…] / […]in 2000 als volgt:
NJ2000, 561).” [45]
[…] /Venray. In de zaak die aanleiding gaf tot deze uitspraak ging het om het volgende. […] wilde omstreeks 1996 zijn varkensbedrijf uitbreiden. Vooruitlopend op een nieuw ammoniakreductieplan (een gemeentelijk plan gebaseerd op de Interimwet ammoniak en veehouderij, inmiddels vervallen) kocht hij op 23 juni 1997 voor ongeveer 1050 kg ammoniakrechten voor omstreeks 150.000 gulden. Hij ging ervan uit dat dit onder het nieuwe ammoniakreductieplan van de gemeente een vereiste zou zijn. Op 25 juni 1997 diende hij een aanvraag voor een revisievergunning in voor de beoogde bedrijfsuitbreiding. Op 18 december 1997 legden B&W het ontwerpbesluit van 17 december 1997 met betrekking tot deze vergunningaanvraag ter inzage. Hierin werd de normering van het nieuwe ammoniakreductieplan gevolgd, dat op 3 juli 1997 door de gemeenteraad van de gemeente Venray was vastgesteld. […] diende bedenkingen in tegen het ontwerpbesluit. Hij voerde onder meer aan dat het stellen van de eis dat elders ammoniakrechten zouden worden aangekocht, in strijd was met uitspraken van de Afdeling van 2 oktober en 8 december 1997. B&W achtten de bedenkingen bij besluit van 28 maart 1998 gegrond. De revisievergunning werd alsnog verleend. […] bleef achter met de door hem voor omstreeks 150.000 gulden gekochte extra ammoniakrechten. In een civiele procedure tegen de gemeente Venray eiste […] vervolgens schadevergoeding. De rechtbank wees zijn vordering af. Het hof liet hem bij tussenarrest toe tot het leveren van bewijs dat, vooral in het eerste halfjaar van 1997, door of vanwege de gemeente de eis was gesteld dat hij ammoniakrechten zou aankopen, althans dusdanige uitlatingen waren gedaan dat hij daaruit niet anders kon begrijpen dan dat, wilde hij zijn bedrijf uit kunnen breiden met méér dieren, hij daartoe elders een hoeveelheid ammoniakrechten diende aan te kopen. In het eindarrest bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank, onder meer oordelende dat […] in dat bewijs niet was geslaagd. In cassatie voerde […] aan dat het hof had miskend dat het feit dat B&W ten onrechte de betreffende eis hadden gesteld, wel degelijk een voldoende causaal verband heeft met de door […] geleden schade. Volgens […] moest in een geval als dit, waarin met de onrechtmatigheid van het handelen van de gemeente ook de verwijtbaarheid van dat handelen is gegeven, de causaliteit verondersteld worden geacht. Uw Raad overwoog het volgende:
Noord-Brabant/Janse(randnummer 3.16 hiervoor), het volgende:
het starten van een voorbereidingsprocedure op basis van onjuiste inzichtentegen de feitelijke achtergrond van de zaak (de burgemeester startte een voorbereidingsprocedure op, op basis van een naar later bleek ontoereikend advies van het bureau BIBOB). De tweede alinea heeft betrekking op het
rechtmatig handelen van de burgemeester tijdens de voorbereidingsprocedure, dat de eigenaar ook aan zijn vordering ten grondslag had gelegd. Het hof zag hierin een vordering tot nadeelcompensatie die verband houdt met een appellabel besluit (tot intrekking van de exploitatievergunningen) ten aanzien waarvan de bestuursrechter exclusief bevoegd is. Geen van beide onderwerpen is aan de orde in de voorliggende zaak tussen de Gemeente en Michielsen q.q.
uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening(vergelijk art. 3.1 lid 1, eerste zin, Wro), een terughoudende toets aan. Zij toetst of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt
ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, dit in verband met de beleidsvrijheid die de gemeenteraad toekomt. Voorts beoordeelt de Afdeling – zonder terughoudendheid – of het bestreden besluit (tot vaststelling van een bestemmingsplan) anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Noord-Brabant/Janse, dat het bestuursorgaan hiervoor aansprakelijk kan zijn op grond van art. 6:162 BW Pro. Dat is het geval wanneer het bestuursorgaan niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen, die van hem gevergd mocht worden met het oog op de voor hem kenbare belangen van de belanghebbende. Of dat het geval is, hangt uiteraard af van de omstandigheden van het geval.
Noord-Brabant/Janseen
[…] /Venray, waarop de Gemeente in de onderhavige zaak een beroep doet, blijkt geen bijzondere maatstaf voor aansprakelijkheid, anders gezegd, geen verhoogde drempel voor aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW Pro. De nadruk ligt in
Noord-Brabant/Jansemeer op de zelfstandige beoordeling door de civiele rechter: een eventuele vernietiging van het besluit door de bestuursrechter brengt als zodanig niet mee dat de voorbereiding van het besluit onrechtmatig was. Hetzelfde geldt, zo blijkt uit
[…] /Venray, wanneer een bestuursorgaan tijdens de voorbereidingsprocedure terugkomt van een ontwerpbesluit: dat houdt niet de vernietiging in van het ontwerpbesluit, maar is slechts het resultaat van de heroverweging waartoe de openbare voorbereidingsprocedure juist in het leven is geroepen. Dat een bestuursorgaan in plaats van een minder juist ontwerpbesluit alsnog een juist besluit neemt, doet niet zonder meer vaststaan dat het ontwerpbesluit onrechtmatig was, en houdt evenmin een erkenning in van de onrechtmatigheid van het ontwerpbesluit. Neemt een bestuursorgaan een besluit waarin (op een of meerdere punten) wordt afgeweken van het ontwerpbesluit, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, dan levert dit dus niet automatisch onrechtmatigheid van het ontwerpbesluit op.
in de bezwaarfasevan een bestuursrechtelijk besluit rechtens sprake van een beperkte overheidsaansprakelijkheid voor eventuele schadelijke gevolgen van een gebrek in een primair besluit dat in de bezwaarfase wordt hersteld. Deze ‘beperkte aansprakelijkheid’ heeft
a fortiorite gelden bij de voorbereidingsfase van bestuursrechtelijke besluiten (voorbereidingshandelingen), zoals in casu het ter inzage leggen van een ontwerp-besluit op 28 februari 2012, waarin een (vermeend) gebrek schuilt dat (reeds) bij het vaststellen van het primaire besluit niet meer bestaat, en dat op zichzelf op geen enkel moment rechtens een wijziging van de planologische situatie teweeg heeft gebracht. Het subonderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat het, voor het aannemen van onrechtmatigheid, had dienen vast te stellen dat aan de zijde van de Gemeente sprake is geweest van verwijtbaar onzorgvuldig handelen. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit criterium niet aangelegd. Althans had het hof (in ieder geval) een zwaarder criterium dienen aan te leggen dan het heeft gedaan. Althans is (in ieder geval) de enkele toets aan de algemene norm van maatschappelijke onzorgvuldigheid in dit geval niet of in onvoldoende mate aangelegd, hetgeen leidt tot strijd met het recht.
Noord-Brabant/Janseen
[…] /Venray, waarop de Gemeente in cassatie een beroep doet. Uit de andere rechtspraak waarop de Gemeente in cassatie een beroep doet, volgt evenmin een strengere maatstaf.
de bezwaarfaseslechts een beperkte overheidsaansprakelijkheid aan de orde zou zijn [51] en dat dit ook zou gelden wanneer voorafgaand aan het nemen van een besluit een openbare voorbereidingsprocedure heeft plaatsgevonden. [52] Leidend voor de aansprakelijkheid voor eventuele schadelijke gevolgen van een primair besluit dat in de bezwaarfase wordt hersteld, is het arrest
B./Staat. [53] In dit arrest heeft Uw Raad geoordeeld dat wanneer een besluit van een bestuursorgaan (het primaire besluit) op grond van een daartegen gemaakt bezwaar wordt herroepen door dat bestuursorgaan en, voor zover nodig, wordt vervangen door een nieuw besluit, het van de redenen die daartoe hebben geleid, en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, zal afhangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht in de zin van art. 6:162 BW Pro en, zo ja, of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend. Deze lijn heeft Uw Raad later bevestigd. [54] De door Uw Raad gekozen formulering heeft er ongetwijfeld mee te maken dat in bezwaar een heroverweging aan de orde is en bovendien ook
ex nuncwordt getoetst, [55] zodat niet steeds sprake is van een rechtmatigheidsgebrek. Anders dan bij vernietiging van een besluit door de bestuursrechter kan hier dus niet de lijn worden aangehouden dat steeds sprake is van onrechtmatigheid én van toerekening. [56] Dat gaat in ieder geval wél op, zo blijkt uit het arrest
B./Staat, voor zover het gaat om een herroeping van het primaire besluit vanwege een onjuiste wetsuitleg. Bij andere rechtmatigheidsgebreken is dat automatisme (onrechtmatigheid plus toerekening zijn gegeven) kennelijk niet steeds gerechtvaardigd, [57] maar dat betekent niet dat er in de bezwaarfase een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW Pro geldt. [58] , [59]
Subonderdeel 1.1faalt derhalve.
conserverendbestemmingsplan vast te stellen.
bredereverweer van de Gemeente.
aanvraag van derevisievergunning, randnummer 1.7 hiervoor) in verbinding met de aanvraag bestemmingswijziging (randnummer 1.8 hiervoor) heeft afgeleid en heeft mogen afleiden dat in verbinding met de gewenste lengte van 135 meter aanpassingen aan de werf (verruiming van het bestemmingsvlak ‘Maas-inwaarts’) noodzakelijk waren. Mijns inziens heeft het hof hierop voldoende duidelijk gereageerd in rov. 6.8. en 6.9. Het hof heeft Michielsen q.q. gevolgd in zijn stelling dat de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan los dient te worden gezien van de aanvraag van de revisievergunning die zag op de door Scheepswerf gewenste 110-135 verruiming. Het betrof twee verschillende procedures, af te doen door verschillend bevoegd gezag.
nade terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 28 februari 2012. Deze handelingen kunnen logischerwijs niet afdoen aan het oordeel van het hof dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de 110 meter-beperking in het ontwerpbestemmingsplan op te nemen (rov. 6.17.).
Subonderdeel 1.2is dus vergeefs voorgesteld.
1.2 Soort vergunning
uitbreiding, zoals de Gemeente aanvoert, zijnde een planologische uitbreiding van het bestemmingsplan of een uitbreiding in deze zin dat er bijvoorbeeld nieuwe gebouwen gebouwd moeten worden. Het lijkt eerder te gaan om een aankondiging over welke activiteit door de Scheepswerf zal worden veranderd als de gewenste toestemming – om schepen tot maximaal 135 meter te kunnen bouwen – verkregen wordt. Dat daarvoor een uitbreiding in voormelde zin vereist is, kan niet uit de tekst worden afgeleid. Onder par. 3.6 van de aanvraag wordt, in het kader van de vraag naar de wijze waarop de Scheepswerf wenst om te gaan met geluidsoverlast veroorzaakt door ‘de meest akoestisch relevante activiteiten op het buitenterrein’, aangekondigd dat “de keuze is gevallen op verplaatsing in de richting van de Maas, verder van de woningen dan momenteel het geval is”. Mijns inziens wordt ook hier een oplossing aangekondigd voor de gewenste wijziging om schepen tot maximaal 135 meter te kunnen bouwen en niet zozeer een uitbreiding. Het hof heeft dus mogen overwegen dat deze aankondiging onvoldoende is om de aanvraag te beschouwen als onderdeel van een beoogde, meer omvangrijke uitbreiding van de werf.
‘enkele aanpassingen’de bouw van 135 meter lange schepen mogelijk maken, en dat
‘een gedeelte van de bedrijfsactiviteiten verplaatst kan worden, zodat er minder activiteiten aan de afbouwkade plaats zullen vinden’.Ook staat in de zienswijze dat de
‘onmisbare aanpassingen’zien op een langer dok om langere schepen droog te zetten en op belangrijke afmeermogelijkheden langs het dok voor langere schepen, en dat voor verwezenlijking daarvan gebouwen moeten worden aangepast. Als zelfs de zienswijze van twee jaar later aangeeft dat de revisievergunning meeromvattend bedoeld was, mocht de Gemeente hiervan temeer uitgaan;
Daarnaast”,waarna wordt benoemd dat besloten is een verlenging van het drijvende dok en de bouw van langere schepen dan 110 meter
“aan te vragen”. “Besloten (...) aan te vragen”duidt onmiskenbaar op de aangevraagde revisievergunning in 2010, omdat die enkele dagen voor de brief van 19 juli 2010 is ingediend bij GS, namelijk 16 juli 2010. De enkele zin in de brief van 19 juli 2010 dat die aanvraag geen verruiming van de bedrijfsactiviteiten met zich brengt, bevat niet de boodschap dat voor de bouw van langere schepen geen aanpassingen van de werf benodigd zijn. Integendeel, de passage over een verlenging van het drijvende dok geeft het omgekeerde beeld. De brief van 19 juli 2010 is zodoende (wel degelijk) relevant voor het betoog van de Gemeente dat de revisievergunning en uitbreiding samenhingen.
productie 10dv) lezen wij dat dit dok moet worden
verlengdom de bouw van langere schepen mogelijk te maken.”
onmisbare aanpassingwas.
en met nameop de plaatsing van een drijvend dok in de Maas om aldaar akoestisch relevante activiteiten te kunnen uitvoeren. [70] Het hof heeft deze stelling verworpen in rov. 6.9. Volgens het hof heeft de brief niet betrekking op de aanvraag, maar op een eerder, in juli 2009 ingediende en ingetrokken aanvraag van de Scheepswerf . [71] Deze overweging van het hof acht ik juist, nu de eerste zin van de derde alinea in de brief aanvangt met de frase “De vergunningsaanvraag wet milieubeheer, zoals in juli 2009 door [de Scheepswerf] bij de provincie ingediend” en eindigt met de frase “De aanvraag is, zoals u zelf ook al aangeeft, slechts geweigerd omdat (…).” De derde alinea in de brief begint én eindigt dus met de aanvraag van juli 2009. Dat in de brief ook melding wordt gemaakt van de aanvraag uit juli 2010, heeft het hof niet over het hoofd gezien, gelet op de laatste zin van rov. 6.9. De klacht dat het hof zou hebben miskend dat de brief van 19 juli 2010 (wel degelijk) betrekking heeft op de aangevraagde revisievergunning in 2010, faalt derhalve. Voor zover de klacht ook nog inhoudt dat het hof uit de brief had moeten afleiden dat de Scheepswerf wel een uitbreiding voor ogen stond, faalt de klacht eveneens. In de brief wordt immers, zoals ook het hof heeft geconstateerd, aangevoerd dat van verruiming van bedrijfsactiviteiten of milieubelasting geen sprake is.
Subonderdeel 1.3mist dus doel.
subonderdeel 1.4.
aldusmet zich brengt dat een lengtebeperking geen conserverende, maar beperkende maatregel is. Of een planregel conserverend of beperkend van aard is, is rechtens van meer aspecten afhankelijk dan alleen (expliciete) lengtebeperkende bepalingen. Ook zonder uitdrukkelijke bepalingen over de lengte van te bouwen schepen kunnen voorgaande bestemmingsplannen of (daarmee samenhangende) vergunningsvoorschriften publiekrechtelijk in de weg staan aan de bouw van schepen langer dan 110 meter, en kan het opnemen van een lengtebeperking in een ontwerpbestemmingsplan in overeenstemming zijn met de strekking van een conserverend bestemmingsplan.
conserverend, maar beperkend, door het 110 meter-voorschrift toch op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan. Hierop stuit ook de tweede klacht in de tweede alinea van het subonderdeel af.
Subonderdeel 1.5is dus vergeefs voorgesteld.
conserverendbestemmingsplan, anders dan bij een bestemmingsplan dat in uitbreidingen voorziet, kan volstaan met een inventarisatie van de geldende bestemmingsplan- en vergunningregels. Deze opvatting vindt mijns inziens geen steun in het recht. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure kan worden gezien als uitwerking van het zorgvuldigheidsbeginsel van art. 3:2 Awb Pro dat het bestuursorgaan opdraagt bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (randnummer 3.6 hiervoor). Bij het voorbereiden van een
conserverendbestemmingsplan zal het college van B&W in de regel waarschijnlijk met een minder vergaand onderzoek kunnen volstaan dan bij het voorbereiden van een bestemmingsplan dat in wijzigingen voorziet, maar aan de toepasselijkheid van het zorgvuldigheidsbeginsel doet dit niet af. Van het college van B&W mag worden verwacht dat het rekening houdt met bekende en kenbare belangen van belanghebbenden, ook bij het voorbereiden van een
conserverendbestemmingsplan. Hierbij past niet ervan uit te gaan dat bij het voorbereiden van een conserverend bestemmingsplan mag worden volstaan met het inventariseren welke regels en voorschriften uit geldende bestemmingsplannen en vergunningen volgen.
Subonderdeel 1.7faalt derhalve.
.
conserverendaangemerkt worden. De stelling onder (iv) kan de Gemeente geen soelaas bieden. In randnummer 67. van de memorie van grieven, waarnaar in de procesinleiding bij stelling (iv) verwezen wordt, stelt Michielsen q.q. weliswaar dat gelet op ‘Sanering van de Binnenstad’ de gehele inrichting (van de Scheepswerf ) grotendeels in strijd was met de planologische kaders, maar hij stelt daar ook dat het feit dat het bestemmingsplan ‘Sanering van de Binnenstad’ van toepassing bleek te zijn – nadat partijen er jarenlang vanuit waren gegaan dat ‘Komplan Grave’ het vigerende bestemmingsplan was – niet meebrengt dat het planologisch niet zou zijn toegestaan om schepen met een lengte van 135 meter te bouwen. Volgens Michielsen q.q. konden dus ook onder het bestemmingsplan ‘Sanering van de Binnenstad’ schepen met een lengte van 135 meter worden gebouwd. Dit betekent dat de stelling onder (iv), dat ook volgens de Scheepswerf de bouw van 135 meter lange schepen in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘Sanering van de Binnenstad’ zou zijn, niet overeenkomt met wat Michielsen q.q. gesteld heeft in de memorie van grieven. Het hof heeft zijn oordeel dan ook niet onvoldoende gemotiveerd door aan de stelling onder (iv) geen aandacht te schenken. De stelling onder (v) ten slotte treft ook geen doel. Deze stelling doet, via randnummer 10. van de pleitaantekeningen van de advocaat van de Gemeente, een beroep op hetgeen Michielsen q.q. heeft aangevoerd in randnummer 12. van de inleidende dagvaarding. Daarin staat het volgende:
subonderdeel 1.8faalt.
ookin aanmerking neemt – dus naast de in rov. 6.15. opgenomen overweging dat de Gemeente geen zorgvuldige voorbereiding, besluitvorming en motivering ten grondslag had gelegd aan het opnemen van de onderhavige lengtebeperking in het ontwerpbestemmingsplan –, dat de door de Gemeente geïntroduceerde lengtebeperking geen ruimtelijke relevantie had. Het hof baseert dit op het door Michielsen q.q. overgelegde rapport van het stedenbouwkundig bureau BRO, waarin volgens het hof ook is vermeld dat de aan te vragen situatie van de Scheepswerf vanuit akoestisch oogpunt als acceptabel en vergunbaar is aan te merken. Vanuit een planologisch perspectief was de wens van de Scheepswerf volgens het hof geen uitbreiding en was er dus ook geen bestemmingsplanwijziging voor nodig. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de Gemeente
vervolgens– dus in reactie op het BRO-rapport – de lengtebeperking heeft geschrapt uit het ontwerpbestemmingsplan. Ten slotte heeft het hof overwogen dat waar de Gemeente in deze procedure stelt dat er wel een ruimtelijk relevant verschil is tussen de bouw van een schip van 110 meter en een van 135 meter op de werf van de Scheepswerf , dat in het licht van het vorenstaande onvoldoende is onderbouwd.
planologischrelevant kan zijn, stuit hierop af. Nu het schrappen van de beperking uit het ontwerpbestemmingsplan volstond, kan van
planologischerelevantie geen sprake zijn.
in het licht van het vorenstaande, waarmee het hof heeft bedoeld: het BRO-rapport en hetgeen daaruit blijkt, de verwijzing in het BRO-rapport naar het akoestisch rapport van Peutz van 10 augustus 2010, waarin is vermeld dat de aan te vragen situatie van de Scheepswerf vanuit akoestisch oogpunt als acceptabel en vergunbaar is aan te merken en de impliciete erkenning van de Gemeente dat de lengtebeperking geen ruimtelijke relevantie had. Deze overweging van het hof houdt mijns inziens stand. De stellingen van de Gemeente waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen (randnummer 3.90 hiervoor), die in de kern inhouden “Waar een langer schip wordt gebouwd, is er meer hinder” en die niet met bewijs worden gestaafd, brengen onvoldoende in tegen het BRO-rapport en tegen hetgeen uit het Peutz-rapport blijkt.
Subonderdeel 1.9faalt derhalve.
Subonderdeel 1.10faalt derhalve.
ookten onrechte bij de Provincie de indruk heeft gewekt dat de gewenste 110-135 verruiming op
planologischebelemmeringen zou stuiten, acht ik goed en voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De Gemeente heeft in haar brief van 20 augustus 2010 inderdaad de indruk gewekt dat er planologische belemmeringen zijn voor de bouw van schepen tot maximaal 135 meter, terwijl die er niet waren. De Gemeente geeft in de brief aan dat de aanvraag is getoetst aan het geldende bestemmingsplan ‘Komplan Grave’. Vervolgens noemt de Gemeente in de brief (onder meer) enkele planologische belemmeringen (zie het derde en vierde bolletje onder het kopje ‘Bestemmingsplan’). Gebleken is echter dat ‘Komplan Grave’ niet het geldende bestemmingsplan was (zie rov. 6.12.). De planologische belemmeringen genoemd in het derde en vierde bolletje waren er dus niet. [80] Bij de Provincie zal echter de indruk zijn ontstaan dat die er wel waren.
onderdeel 1vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 2.1strandt in het spoor van subonderdeel 1.1. Het hof heeft geen verkeerde maatstaf voor aansprakelijkheid aangelegd. Het hof heeft geen zwaardere maatstaf voor aansprakelijkheid hoeven aanleggen, dan het heeft gedaan. Er is ook geen grond voor de stelling dat het hof vanwege de door de Gemeente aangeboden gedoogconstructie een zwaardere maatstaf had moeten aanleggen.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof niet (kenbaar) de hypothetisch tot uitgangspunt te nemen juridische houdbaarheid van de door de Gemeente aan de Scheepswerf aangeboden gedoogconstructie in zijn beoordeling heeft betrokken en/althans (daarmee) op geen enkele wijze het belang van de Gemeente (kenbaar, althans voldoende) bij zijn beoordeling heeft meegewogen.
Subonderdeel 2.2mist derhalve doel.
Subonderdeel 2.3faalt. Het hof heeft, door in rov. 6.20. te overwegen dat de door de Gemeente aangeboden gedoogconstructie de onrechtmatigheid van het opnemen van de lengtebeperking van 110 meter in het ontwerpbestemmingsplan niet kan wegnemen, het recht juist toegepast. Indien eenmaal een onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden, kan die onrechtmatigheid op zichzelf niet door een opvolgende, schadebeperkende handeling van de pleger van de onrechtmatige daad worden weggenomen. Hoogstens kunnen de nadelige gevolgen van de onrechtmatige handeling worden weggenomen of verminderd, in welk verband men ook iets van de gelaedeerde mag verwachten (op hem rust ingevolge art. 6:101 BW Pro immers een schadebeperkingsplicht). Hierbij past de kanttekening dat bij een
voortdurendeonrechtmatige daad [81] de onrechtmatigheid wel voor de toekomst kan worden weggenomen, door een einde te maken aan de onrechtmatige daad zelf. Deze kanttekening doet hier echter niet ter zake; de Gemeente stelde een gedoogconstructie voor waarin de lengtebeperking van 110 meter in het ontwerpbestemmingsplan gehandhaafd zou blijven en in het bestemmingsplan zou worden opgenomen (rov. 6.1.1. onder rov. 2.14., weergegeven in randnummer 1.15 hiervoor). Aan de onrechtmatige daad zou met de voorgestelde gedoogconstructie dus geen einde worden gemaakt.
Subonderdeel 2.4houdt een motiveringsklacht in. Het subonderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel met betrekking tot de gedoogconstructie in rov. 6.19. tot en met 6.23. niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, omdat niet gezegd kan worden dat de Gemeente verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld – dan wel een (andere) verzwaarde zorgvuldigheidsnorm passend bij aansprakelijkheid voor bestuursrechtelijke voorbereidingshandelingen heeft geschonden – door het opnemen in het ontwerp van een bestemmingsplan van een lengtebeperking, welke bij de vaststelling niet is opgenomen, in de situatie waarin de Gemeente tegelijkertijd een door de Scheepswerf gevraagde uitvoerbare tijdelijke gedoogconstructie voor de bouw van twee schepen met een lengte van 135 meter heeft aangeboden.
Subonderdeel 2.4faalt in het spoor van de subonderdelen 1.1 en 2.1, nu het subonderdeel aansluiting zoekt bij de in deze subonderdelen naar voren gebrachte opvatting dat het hof een zwaardere maatstaf voor aansprakelijkheid had moet hanteren. Bovendien mist het subonderdeel feitelijke grondslag, nu het ten onrechte stelt dat het opnemen van de lengtebeperking in het ontwerpbestemmingplan en het aanbieden van de gedoogconstructie
tegelijkertijdplaatsvond. Het hof heeft vastgesteld dat het ontwerpbestemmingsplan, met daarin de lengtebeperking, op 28 februari 2012 ter inzage werd gelegd (rov. 6.1.1. onder rov. 2.11., weergegeven in randnummer 1.12 hiervoor) en dat het college van B&W bij brief van 17 april 2012 aan de Scheepswerf heeft bericht dat het onder voorwaarden tijdelijk niet handhavend zal optreden indien de Scheepswerf een begin maakt met het bouwen van schepen in strijd met het bestemmingsplan (rov. 6.1.1., onder rov. 2.14., weergegeven in randnummer 1.15 hiervoor). Van ‘tegelijkertijd’ plaatsvinden, is dus geen sprake geweest.
Subonderdeel 2.5faalt. In rov. 6.20. heeft het hof het verweer van de Gemeente dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij op verzoek van de Scheepswerf heeft besloten tot een gedoogconstructie waarmee de Scheepswerf twee schepen had kunnen bouwen, verworpen. Dit verweer kan volgens het hof niet slagen, omdat, ten eerste, de Gemeente reeds onrechtmatig heeft gehandeld door de lengtebeperking in het ontwerpbestemmingsplan op te nemen en, ten tweede, het minst genomen voor discussie vatbaar was of de voorgestelde gedoogconstructie stand kon houden. Dit oordeel sluit naadloos aan op het oordeel van het hof dat het er niet toe doet of de door Gemeente voorgestelde gedoogconstructie wel of niet juridisch houdbaar was. Het hof heeft, anders gezegd, overwogen dat het niet uitmaakt of de gedoogconstructie uiteindelijk nu wel of niet juridisch houdbaar was. Waar het volgens het hof om gaat, zo blijkt uit rov. 6.21., is dat de Scheepswerf niets zou hebben gehad aan de door de Gemeente voorgestelde gedoogconstructie, omdat deze, ongeacht de juridische houdbaarheid ervan, in ieder geval vragen zou oproepen bij potentiële opdrachtgevers en financiers van de Scheepswerf . Van een niet-concludent en innerlijk tegenstrijdig oordeel is daarom geen sprake.
Subonderdeel 2.6houdt opnieuw een motiveringsklacht in. Het subonderdeel klaagt dat indien het oordeel van het hof in rov. 6.20. zo moet worden begrepen als in subonderdeel 2.5 is aangenomen, dit oordeel (bovendien) niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de (essentiële) stellingen van de Gemeente dat:
Subonderdeel 2.6mist doel. Zoals ik heb uiteengezet in het kader van de bespreking van subonderdeel 2.5, doet de stelling onder (i) niet ter zake. Het hof heeft deze stelling op goede gronden gepasseerd. De stelling onder (ii) heeft het hof gezien, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 6.26., waarover in cassatie niet wordt geklaagd. Die stelling heeft het hof voldoende gemotiveerd verworpen. De stelling onder (iii) ziet niet op de vraag of de gedoogconstructie de onrechtmatigheid van het handelen van de Gemeente had kunnen wegnemen, maar op de vraag of de Scheepswerf de gedoogconstructie als schadebeperkende maatregel had moeten aanvaarden. Die vraag is echter niet aan de orde in rov. 6.19. tot en met 6.23. Hierdoor lijdt de stelling onder (iii) schipbreuk. Bovendien heeft de Gemeente deze stelling niet eerder ingenomen. Uit de tekst bij randnummers 27. en 30. van de pleitaantekeningen van de advocaat van de Gemeente, waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen, hoefde het hof deze stelling niet af te leiden. Het onderwerp van de tekst bij randnummer 27. betreft de stelling van de Gemeente dat het bijzonder opmerkelijk is dat de Scheepswerf de geboden tijdelijke oplossing heeft afgewezen en dat de Gemeente het vermoeden heeft dat de Scheepswerf andere redenen had om de aangeboden gedoogconstructie niet te aanvaarden, waarop in randnummer 43. wordt teruggekomen. In de tekst bij randnummer 30. wordt slechts melding gemaakt van beantwoording door de minister van Economische Zaken van Kamervragen over de situatie van de Scheepswerf . [82] De Gemeente merkt op dat de minister zijn verbazing heeft uitgesproken over de afwijzing door de Scheepswerf van de gedoogconstructie en dat de Gemeente deze verbazing deelt.
Subonderdeel 2.7faalt, nu rov. 6.21., dus ook het gedeelte tot aan de laatste twee zinnen, wel degelijk een overweging ten overvloede is. Dit blijkt uit de eerste zin (“In dat verband overweegt het hof nog het volgende.”) en uit de laatste twee zinnen, waarin het hof een duidelijke terugkoppeling maakt naar hetgeen het heeft overwogen in rov. 6.20.
Subonderdeel 2.8houdt eveneens een motiveringsklacht in. Deze motiveringsklacht is gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 6.22. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dat het feit dat de Scheepswerf om een gedoogconstructie had verzocht niet tot een ander oordeel leidt, omdat dat verzoek op een andere situatie zag dan die waarin de Gemeente de gedoogconstructie heeft voorgesteld – te weten de situatie waarin er een ontwerpbestemmingsplan met een lengtebeperking aan de orde was –, in het licht van de door de Gemeente bij pleidooi – door de Scheepswerf onbetwiste – naar voren gebrachte chronologie, die in dit verband als (essentiële) stelling van de Gemeente heeft te gelden, niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uit deze chronologie volgt immers dat de Scheepswerf op 30 november 2011 de Gemeente heeft verzocht om een tijdelijke oplossing voor de bouw van twee schepen ‘in afwachting van een haalbaarheidsonderzoek naar verplaatsing van de werf’, in een situatie waarin de Scheepswerf wist dat de door haar gewenste lengte van 135 meter op dat moment evenmin positief planologisch bestemd was en er
de facto, in elk geval vanuit de milieuvergunning, een lengtebeperking gold. Het subonderdeel verwijst hierbij naar de aanvraag om revisievergunning [83] Wet milieubeheer d.d. 16 juli 2010, die volgens het subonderdeel juist zag op de gewenste grotere scheepslengte. Op de bij de aanvraag behorende tekening staat als lengte van het droogdok 100 meter vermeld. Het subonderdeel verwijst voorts naar de aanvraag om planherziening [84] d.d. 2 september 2010 die tot doel had de feitelijke situatie positief te laten bestemmen inclusief de mogelijkheid om schepen met een lengte van 135 meter te kunnen bouwen.
subonderdeel 2.8loopt op de klippen. Samengevat komt het subonderdeel erop neer dat het hof niet in rov. 6.22. heeft kunnen overwegen dat het verzoek van de directeur van de Scheepswerf ( [betrokkene 1] ) van eind november 2011 om een gedoogconstructie op een andere situatie zag dan die waarin de Gemeente de gedoogconstructie heeft voorgesteld, omdat
de factovan een andere situatie geen sprake was, nu ook eind 2011 geen schepen met een lengte van 135 meter konden worden gebouwd. Volgens het subonderdeel stonden de planologische situatie van destijds en de milieuvergunning van de Scheepswerf daaraan in de weg. De Gemeente voert deze stelling in cassatie voor het eerst aan. In de vindplaatsen in de gedingstukken waarnaar het subonderdeel verwijst, is deze stelling niet terug te vinden. Van een essentiële stelling die door het hof meegewogen had moeten worden, kan derhalve niet gesproken worden.
onderdeel 2vergeefs voorgesteld.
Onderdeel 3faalt, nu geen van de in onderdelen 1 en 2 naar voren gebrachte klachten slagen.