Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof miskent dat de vraag of sprake is van een beroepsfout had dienen te worden beantwoord aan de hand van het maatmancriterium, te weten of een redelijk bekwaam of redelijk handelend taxateur in vergelijkbare omstandigheden tot een vergelijkbaar resultaat kon komen. Voor zover het hof het maatmancriterium niet zou hebben miskend, betoogt
onderdeel 1.2dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom in de onderhavige zaak toepassing van het criterium heeft geleid tot het oordeel dat sprake is van een beroepsfout van [B] . Daarnaast is het hof voorbij gegaan aan de essentiële stelling van De Vereende dat naar het maatmancriterium beoordeeld geen sprake is van een beroepsfout. Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijk behandeling.
ofvan een gemiddelde referentietaxatie een marge in aanmerking moet worden genomen. Aangezien er in de onderhavige zaak een taxatie ligt van een door de rechtbank benoemde deskundige en taxaties van door De Vereende respectievelijk de curator ingeschakelde deskundigen, heeft het hof de door de rechtbank benoemde deskundige als referentietaxatie genomen en daartegen de taxaties van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [B] afgezet. Daarmee is het hof dus wel ingegaan op de (essentiële) stelling van De Vereende, maar heeft het hof gekozen voor een marge op het referentieobject. Dit is een feitelijk oordeel dat in cassatie enkel op begrijpelijkheid kan worden beoordeeld. Nu er in het dossier geen stukken zijn op basis waarvan het hof tot een gewogen gemiddelde kon komen, is het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft gekozen voor een referentietaxatie. Het onderdeel faalt dan ook.
onderdelen 4 en 5zijn gericht tegen rov. 2.54 waarin het hof heeft overwogen dat De Vereende niet heeft gesteld dat bij afwezigheid van de beroepsfout van [B] [de kopers] het perceel wel voor het hoge bedrag zouden hebben gekocht en beide partijen ervan uit zouden gaan dat bij afwezigheid van de beroepsfout geen transactie tot stand gekomen zou zijn tussen [de verkopers] en [de kopers]
Onderdeel 4betoogt dat dit oordeel van het hof berust op een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van De Vereende. Uit de stellingen van De Vereende zou blijken dat De Vereende aannemelijk heeft gemaakt dat ook zonder de taxatie van [B] en dus zonder de beroepsfout, een transactie tot stand zou zijn gekomen, zodat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat tussen partijen vast staat dat in dat geval geen transactie tot stand gekomen zou zijn.