Conclusie
Cliëntenremisier
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1vergeefs zijn voorgesteld. Bij die stand van zaken behoeven de
subonderdelen 1.2-1.4geen nadere bespreking. Zij zien immers alle op (het debat over) de uitleg van clausule 163, die in hoger beroep niet voorlag.
Subonderdeel 2.2.is dus vergeefs voorgesteld.
nietmochten vertrouwen: het hof overweegt immers dat de bewoordingen ‘in beginsel’ zijn gebruikt, dat aanvullende vragen zijn gesteld en dat Bavam in een later stadium haar dekkingsstandpunt nader heeft toegelicht. Hierop loopt deze klacht stuk.
sub-subonderdeel 2.5.2., die inhoudt dat de historische reden voor het opnemen van een clausule niet per se relevant althans beslissend is voor de uitleg daarvan, en met die van
sub-subonderdeel 2.5.3., over de door het hof gehanteerde uitlegmaatstaf. Voordat ik de klachten bespreek, maak ik een enkele opmerking over de bij de uitleg van verzekeringsvoorwaarden te hanteren maatstaven.
Haviltex-maatstaf. [28] Het is wel zo dat bij de uitleg van verzekeringsvoorwaarden, waarover in de meeste gevallen niet wordt onderhandeld, meer dan in het algemeen, belang toekomt aan objectieve factoren, waaronder (1) de betekenis van het gebruikte begrip in het algemeen spraakgebruik, (2) de betekenis van het gebruikte begrip in een specifieke setting, (3) het samenstel van polisvoorwaarden en de eventuele toelichting en (4) het met de bepaling beoogde doel en de functie van de verzekering. [29] In dit geval heeft het hof niet vastgesteld of over de polisvoorwaarden is onderhandeld of niet; het cassatiemiddel gaat daar als zodanig niet op in, maar zoekt op verschillende plaatsen wel aansluiting bij de hiervoor beschreven geobjectiveerde maatstaf. [30] Ten slotte: is een beding voor meerderlei uitleg vatbaar, dan komt eventueel de uitleg in het voordeel van de wederpartij van de verzekeraar (
contra proferentem) in beeld. [31]
Haviltexen
Chubb/Dagenstaed(hiervoor randnummer 3.16), waarbij ook sub-subonderdeel 2.5.3 aanhaakt, te hebben gehanteerd. Daarmee faalt dat sub-subonderdeel.
Sub-subonderdeel 2.5.1.betoogt in feite dat de dekkingsomschrijving ‘agent van een bankinstelling’ ruimer moet worden uitgelegd dan het hof heeft gedaan, omdat de hiervoor (randnummer 3.16) weergegeven uitsluiting anders zinledig is. Het hof heeft echter doorslaggevende betekenis toegekend aan de hiervoor besproken betekenis van de verschillende begrippen (randnummer 3.17) en aan het betoog van Bavam, dat inhoudt dat clausule 129 is opgenomen om de activiteiten van de vof als CVB-spaaragentschap te verzekeren, waarbij de uitsluiting een standaarduitsluiting is. Het hof heeft daarmee, terecht, de primaire dekkingsomschrijving (zoals uitgelegd aan de hand van de gewone betekenis van de begrippen en de reden waarom deze clausule is toegevoegd) tot uitgangspunt genomen. Dat de uitsluiting tegen deze achtergrond weinig zinvol zou zijn, betekent niet dat de primaire dekkingsomschrijving daarmee anders zou moeten worden uitgelegd dan de hiervoor genoemde factoren meebrengen. [33] Sub-subonderdeel 2.5.1.faalt daarom. Het hof heeft verder niet enkel de historische reden voor het opnemen van de clausule relevant geacht, zodat
sub-subonderdeel 2.5.2.eveneens faalt.
contra proferentem, aldus het subonderdeel. Mijns inziens heeft het hof met zijn uitleg van het beding in rov. 3.7 echter willen uitdrukken dat de hoedanigheid ‘agent van een bankinstelling’ juist niet ruim moet worden uitgelegd, althans niet zo ruim dat deze gelijk staat aan die van ‘cliëntenremisier’ of activiteiten omvat die een cliëntenremisier wél, maar een agent van een bankinstelling niet zou uitvoeren, zoals het bemiddelen bij de totstandkoming van transacties in effecten. Er was dus volgens het hof geen sprake van een onduidelijk beding, zodat er evenmin reden was om toe te komen aan de vraag of het beding
contra proferentemzou moeten worden uitgelegd (nog daargelaten dat het subonderdeel niet verwijst naar vindplaatsen in de processtukken waar een beroep op dit gezichtspunt zou zijn gedaan). [35] Het subonderdeel faalt dus.
onderdeel 2vergeefs zijn voorgesteld.
onderdeel 3. Dit onderdeel bestaat uit een viertal subonderdelen met klachten die gericht zijn tegen rov. 3.13-3.15 van het derde tussenarrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van Huvass c.s. met betrekking tot de beleggingshypotheek niet gedekt is. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat de activiteiten van de vof niet gedekt zijn, omdat niet enkel is bemiddeld bij hypotheekverlening. De vof heeft namelijk ook geadviseerd over een combinatie van financiële producten, waarvan een deel een beleggingskarakter had (rov. 3.15). Deze kwalificatie van de activiteiten van de vof wordt als zodanig niet bestreden; het gaat erom of deze activiteiten onder de polis waren gedekt.
subonderdeel 3.1heeft het hof met dit oordeel miskend dat voor de vraag of de bedoelde werkzaamheden zijn aan te merken als (onder de polis gedekte) “bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening”, beslissend is of een bemiddelaar in hypotheekverlening deze werkzaamheden placht of pleegt te verrichten, althans of deze ‘typisch’ door een bemiddelaar in hypotheekverlening worden verricht. Partijen zouden het erover eens zijn dat in dit geval deze meer geobjectiveerde maatstaf moest worden gehanteerd.
Subonderdeel 3.2klaagt dat de verwerping van een aantal stellingen van Huvass c.s. over het karakter van de verrichte werkzaamheden niet begrijpelijk is, omdat het hof daarbij deze maatstaf niet heeft gehanteerd.