Conclusie
New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad. [1] In die beschikking formuleerde de Hoge Raad de gezichtspunten die bij het vaststellen van de billijke vergoeding van art. 7:681 BW Pro moeten worden betrokken. In de onderhavige zaak is aan de orde of het verwijzingshof op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan die gezichtspunten en of het zijn oordeel op dit punt toereikend en begrijpelijk heeft gemotiveerd. Daarnaast wordt de vraag opgeworpen of de omstandigheid dat de meervoudige kamer van het verwijzingshof bestond uit één vaste raadsheer als voorzitter en twee raadsheren-plaatsvervangers, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Het principale cassatieberoep
4.Onderdeel 1: twee plaatsvervangers in de meervoudige kamer
eerste onderdeelklaagt over de samenstelling van de meervoudige kamer die de bestreden beschikking heeft gegeven. Die kamer bestond uit één vaste raadsheer als voorzitter, en twee raadsheren-plaatsvervangers. De
primaire klachtvan het onderdeel houdt in dat een combinatie van één vaste raadsheer en twee raadsheren-plaatsvervanger in strijd is met fundamentele beginsel van een behoorlijke procesorde en daarom van de hand gewezen moet worden.
1. Rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de plaatsvervangers, rechters in opleiding en officieren in opleiding, kunnen niet tevens advocaat of notaris zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken.
2.4.2 Voor zover het middel klaagt dat met het optreden van [betrokkene 1] als rechter onverenigbaar was dat hij tot 26 november 2012 op het tableau van advocaten stond ingeschreven, kan het middel niet tot cassatie leiden. Het middel berust immers op de opvatting dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] ten tijde van de berechting in eerste aanleg door zijn inschrijving op het tableau van advocaten een met zijn rechterlijk ambt (absoluut) onverenigbare nevenbetrekking vervulde en dat dit tot gevolg heeft dat daardoor aan de samenstelling van de Rechtbank een gebrek kleefde dat tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank diende te leiden. Die opvatting vindt geen steun in het recht, in het bijzonder ook niet in art. 44 Wrra Pro.”
zelfbeoordeelt of een nevenbetrekking verenigbaar is met zijn ambt. De ‘functionele autoriteit’ bedoeld in art. 44, derde lid, Wrra (oud) toetst de aanvaardbaarheid van nevenbetrekkingen. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de rechterlijk ambtenaar aan het resultaat van deze toetsing geen gehoor geeft en een onverenigbaar geachte functie weigert prijs te geven, kunnen disciplinaire maatregelen volgen. In het uiterste geval is ontslag door de Hoge Raad denkbaar. Uit dit systeem blijkt dat de vervulling van onverenigbare nevenfuncties in de eerste plaats een rechtspositionele aangelegenheid is, waarvan de rechtsgevolgen binnen de interne hiërarchie van het gerecht worden bepaald. In elk geval zijn daaraan geen gevolgen verbonden voor de bevoegdheid van een rechter om als zodanig op te treden. Uit het feit dat in een uitzonderlijk geval ontslag kan volgen, blijkt dat de betrokken rechter niet van rechtswege ophoudt rechter te zijn. De justitiabele die meent dat een rechter in zijn zaak een onverenigbare nevenfunctie vervult, heeft bij een desbetreffende klacht alleen belang voor zover daardoor de onafhankelijkheid en/of de onpartijdigheid van die rechter in die zaak in het gedrang komt.
rechtereen met het ambt onverenigbare functie bekleedde. De zaak laat zich echter doortrekken naar de rechter-plaatsvervanger. Het wettelijke systeem van art. 44 Wrra Pro geldt in de leden 4 tot en met 6 namelijk voor alle rechterlijke ambtenaren, ongeacht of het om een vaste rechter of om een plaatsvervanger gaat. De analyse van Hofstee geldt derhalve ook voor plaatsvervangers: als sprake is van onverenigbaarheid van functies, heeft dat niet tot gevolg dat de betrokken rechter-plaatsvervanger van rechtswege geen bevoegdheid had om als zodanig op te treden. Dit betekent dat er ook geen sprake is van een nietige rechterlijke uitspraak.
nogniet of niet
meer). In dat geval moet er namelijk vanuit worden gegaan de betrokkene geen bevoegdheid had om als rechter op te treden. In het geval betrokkene een meervoudige uitspraak heeft meegewezen, leidt dat ertoe dat de rechterlijke uitspraak is gewezen door
tweein plaats van drie rechters of raadsheren. Dat betekent dat de uitspraak nietig is, nu uit art. 5 lid 2 jo Pro. art. 6 lid 2 RO Pro volgt dat uitspraken van een meervoudige kamer op straffe van nietigheid moeten zijn gewezen door drie rechterlijke ambtenaren. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft dit beslist in een geval waarin een raadsheer-plaatsvervanger nog niet was benoemd in dat ambt, omdat hij nog niet was beëdigd (art. 5g lid 1 Wrra). [14] Een zelfde beslissing is gegeven voor de situatie waarin een raadsheer op het moment dat het arrest werd gewezen, was gedefungeerd als raadsheer. [15]
[…] /NCOuit 2000 heeft de civiele kamer van de Hoge Raad geen bezwaar gezien tegen de combinatie van de uitoefening van het beroep van advocaat met het optreden als rechter-plaatsvervanger. Geoordeeld werd dat ‘
er geen grond is voor de veronderstelling dat advocaten de functie van rechter-plaatsvervanger niet op onpartijdige en onafhankelijke wijze zouden kunnen uitoefenen en dat zulks in het bijzonder het geval zou zijn indien zij die functie zouden uitoefenen in hun eigen arrondissement.’ [17] Volgens de Hoge Raad geldt juist het tegendeel, omdat er voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een onpartijdige en onafhankelijke uitoefening van de functie van rechter-plaatsvervanger door advocaten, ook in hun eigen arrondissement. Daarbij wordt op de volgende omstandigheden gewezen:
concreetgeval de inzet van een
specifiekeplaatsvervanger in overeenstemming was met de vereisten van art. 6 EVRM Pro.
specifiekgeval het optreden van een
bepaalderechter-plaatsvervanger strijd met art. 6 EVRM Pro opleveren. Daarbij kan in het bijzonder aan de orde zijn of sprake is van subjectieve onpartijdigheid (“
that is on the basis of the personal conviction of a particular judge in a given case”), of objectieve onpartijdigheid van de rechter-plaatsvervanger (“
and also according to an objective test whether the judge offered guarantees sufficient to exclude any legitimate doubt in this respect”). [23]
Wettsteinging het over een rechterlijke uitspraak die gewezen was door onder meer een rechter-plaatsvervanger, die tegelijkertijd het beroep van advocaat uitoefende. Deels gedurende de periode dat de betrokken zaak bij de rechter aanhangig was, trad deze rechter-plaatsvervanger ook op als gemachtigde van een wederpartij van klager in een andere zaak. Bovendien deelde de rechter-plaatsvervanger als advocaat kantoorruimte met een advocaat die in een ander rechtsgeding tegenover klager had gestaan. Onder deze omstandigheden was het EHRM van oordeel dat de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd was. [24]
Steck-Rischwerd geklaagd over de schijn van rechterlijke partijdigheid in een zaak waarbij een plaatsvervangend rechter bij het Constitutionele Hof moest beslissen over een uitspraak van een andere rechter, terwijl die rechter en de plaatsvervangend rechter beiden verbonden waren aan hetzelfde advocatenkantoor. Het hof was van oordeel dat geen sprake was van de schijn van partijdigheid, vanwege de afwezigheid van enige vorm van afhankelijkheid tussen de beide rechters (tevens advocaten), zij het beroepsmatig, financieel of hiërarchisch. Verder werd meegewogen dat er in het land Lichtenstein alleen parttime-rechters zijn. [25]
Inzet rechter-plaatsvervangers
(…)5. Van een meervoudige kamer kan één rechter-plaatsvervanger deel uitmaken.
Een zittingscombinatie is evenwichtig samengesteld uit het oogpunt van
De rechter is verantwoordelijk voor de voortgang van, de regie over en de
Laat het voorzitterschap rouleren onder de leden van de combinatie; laat in beginsel alleen de raadsheer- plaatsvervanger niet voorzitten.”
Het moet worden voorkomen dat zaken enkel uit efficiencyoverwegingen enkelvoudig wordt afgedaan. Rechters moeten altijd de ruimte hebben om zaken meervoudig te behandelen. In aanvulling op wettelijke voorschriften ligt meervoudige afdoening voor de hand bij onder meer complexe zaken, principiële rechtsvragen of grote maatschappelijke onrust.
3.2.2 MK-aandeel
Het belang van meervoudige rechtspraak in hoger beroep in personen- en familierechtelijke zaken brengt met zich dat recht wordt gesproken door drie in het personen- en familierecht deskundige raadsheren. Aangezien in veel familierechtelijke zaken naast twee vaste raadsheren een raadsheer-plaatsvervanger wordt ingezet, achten de besturen van de gerechtshoven, het lovf-h, de familieteamvoorzitters en de teams familie van de hoven het van belang voor het goed functioneren van de meervoudige rechtspraak in personen- en familierechtelijke zaken en voor de volwaardige vervulling van het raadsheer-plaatsvervangerschap in de familieteams onderstaande afspraken te maken.
Uit de interviews blijkt dat de praktijk van rechters-plaatsvervangers wat wisselt per afdeling en per gerecht. Zo geeft men aan dat in de afdeling Strafrecht meer gebruik wordt gemaakt van rechters-plaatsvervangers, dan in de overige afdelingen. Bij sommige gerechten treden vrijwel alleen gepensioneerde rechters
specifiekbeginsel is aan te wijzen waarmee het opstellen van twee plaatsvervangers in een meervoudige kamer in strijd zou zijn, ontbreekt er naar mijn mening een grondslag om aan te nemen dat die praktijk strijdig zou zijn met ‘beginselen van een goede procesorde’ of ‘beginselen van een behoorlijke rechtspleging’.
als raadsheer-plaatsvervanger met aanwijzing werkzaam[was]
bij dit hof”.
art. 5f1. Een rechterlijk ambtenaar vervult het ambt waarin hij wordt benoemd op basis van een aanstelling voor een gemiddeld aantal uren per week.
Artikel 3bEen raadsheer-plaatsvervanger, een rechter-plaatsvervanger, een plaatsvervangend advocaat-generaal bij een tot het openbaar ministerie behorend parket, een plaatsvervangend officier van justitie of een plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen kan op zijn eigen verzoek tijdelijk worden aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur.
Voorts wordt ook de procedure tot (verlenging van de) aanwijzing versoepeld, in die zin dat niet meer een koninklijk besluit wordt vereist en besluitname hierover voortaan geschiedt door de Raad voor de rechtspraak, met daaraan voorafgaand
De in artikel 5f, tweede lid, van de wet genoemde rechterlijke ambtenaren ontvangen voor het bijwonen van een zitting een vergoeding voor hun reiskosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.”
Onbezoldigd raadsheer- of rechter-plaatsvervanger (unus, voorzitter meervoudige kamer of Bopz)
honorairplaatsvervangers. Daaruit is af te leiden dat wat daar gezegd wordt over de inzet van maximaal één plaatsvervanger in een meervoudige kamer, niet geldt als het gaat om een plaatsvervanger met aanwijzing.
subsidiaire rechtsklachthoudt in dat in elk geval heeft te gelden dat een bezetting van een meervoudige kamer met één vaste raadsheer en twee raadsheren-plaatsvervanger slechts kan worden aanvaard wanneer partijen (i) uiterlijk bij de oproeping voor de mondelinge behandeling schriftelijk of elektronisch in kennis worden gesteld van het voornemen om deze combinatie in te zetten en (ii) zij in de gelegenheid zijn gesteld erom te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een combinatie van in elk geval twee vaste raadsheren en dit verzoek slechts op zwaarwegende gronden kan worden afgewezen. Verwezen wordt naar de verschillende uitspraken die de Hoge Raad heeft gedaan over de mededelingen die aan partijen moeten worden gedaan bij een rechterswissel. [62] Betoogd wordt dat een parallel is te trekken tussen die uitspraken en de onderhavige kwestie. In beide gevallen is volgens het onderdeel sprake van een wijze van behandeling waardoor waarborgen voor een kwalitatief goede rechtspraak onder druk staan, omdat er slechts één in plaats van de voorgeschreven drie ervaren, rechterlijke luisteraars, waarnemers en vragenstellers bij de mondelinge behandeling aanwezig is. De zitting met twee plaatsvervangers lijkt daardoor enigszins op de zitting met één raadsheer-commissaris. In beide gevallen wordt afbreuk gedaan aan de waarborgen verbonden aan een zitting tegenover drie ervaren rechters, aldus het onderdeel. Aan deze bezwaren kan tegemoet worden gekomen door partijen van tevoren van de samenstelling in kennis te stellen en hen in de gelegen te stellen daartegen bezwaar te maken.
5.Onderdeel 2: gevalsvergelijking bij billijke vergoeding
tweede onderdeelheeft betrekking op de beslissing van het hof om aan Werkneemster (slechts) een billijke vergoeding van € 4.000,- toe te kennen en de aan die beslissing ten grondslag liggende overwegingen. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen.
subonderdeel aberusten op de lezing dat de
New Hairstyle I-beschikking van de Hoge Raad zo moet worden begrepen, dat bij de begroting van de billijke vergoeding ter bepaling van de ‘waarde’ van de gevolgen van de vernietigbare opzegging, een gevalsvergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie waarin de werknemer zich door de vernietigbare opzegging bevindt, en de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan wanneer al hetgeen betrekking heeft op, althans geleid heeft tot de vernietigbare en ernstig verwijtbare opzegging, wordt weggedacht.
rechtsklachtvan subonderdeel a aangevoerd (procesinleiding onder 24; s.t. onder 76.), heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dit omdat het hof heeft miskend dat een hypothetische gevalsvergelijking moet worden gemaakt met de situatie waarin ‘de rechteloze opzegging en de feiten en omstandigheden die daartoe volgens het hof Arnhem-Leeuwarden hebben geleid’ (als vastgesteld in rov. 5.6 en 5.7 van de beschikking van dat hof) zich
helemaal nietzou hebben voorgedaan (en dus moeten worden weggedacht.
motiveringsklachtvan subonderdeel a (procesinleiding onder 24, laatste alinea) houdt in dat, indien het hof wel is uitgegaan van een juiste gevalsvergelijking, het zijn oordeel dat aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou zijn ontbonden, onvoldoende heeft gemotiveerd, nu deze beslissing in belangrijke mate berust op feiten en omstandigheden die bij de gevalsvergelijking weggedacht hadden moeten worden en dus geen rol behoorden te spelen.
subonderdeel bberusten op de lezing dat de
New Hairstyle I-beschikking van de Hoge Raad zo moet worden begrepen, dat bij de begroting van de billijke vergoeding ter bepaling van de ‘waarde’ van het dienstverband, een vergelijking moet worden gemaakt tussen enerzijds de situatie waarin de werknemer zich door de vernietigbare opzegging bevindt en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan wanneer de werknemer daadwerkelijk in rechte vernietiging van de opzegging zou hebben verzocht en verkregen, waarbij de feiten en omstandigheden die tot de vernietigbare opzegging hebben geleid en het feit dat die opzegging heeft plaatsgevonden, dus
nietworden weggedacht.
New Hairstyle I-beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad gezichtspunten geformuleerd aan de hand waarvan de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW dient te worden begroot. Overwogen is het volgende: [64]
voorafgaandaan de onrechtmatige opzegging van 4 augustus 2015 meegewogen bij de vraag of – in de hypothetische situatie dat de onrechtmatige opzegging achterwege was gebleven – de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze had kunnen beëindigen. In de tweede benadering abstraheert de rechter bij de beantwoording van die vraag van alle feiten en omstandigheden die zich voorafgaand aan de onrechtmatige opzegging hebben voorgedaan. In die tweede benadering mag de rechter bij zijn oordeel dus
nietbetrekken dat New Hairstyle sinds april 2013 pogingen heeft ondernomen om tot een einde van het dienstverband te komen.
voor de omstandigheid dat de werkgever de regels voor opzegging niet in acht heeft genomen. Dit betekent dat bij de gevalsvergelijking in beginsel een vergelijking moet worden gemaakt met de hypothetische situatie dat de werkgever de onrechtmatige opzegging achterwege zou hebben gelaten.
New Hairstyle I-beschikking) of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen.
vervolgensworden beoordeeld of rekening moet worden gehouden met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Afhankelijk van de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken, kan de billijke vergoeding worden verhoogd (of misschien onder omstandigheden ook verlaagd), zo blijkt uit de New Hairstyle I-beschikking (zie hierboven onder 5.12, onder b). Met andere woorden: het gemiste loon over de periode vanaf de opzegging tot de hypothetische ontbinding (de a-factor) kan worden verhoogd naar de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken (de b-factor). De billijke vergoeding kan daardoor hoger zijn dan de loonschade die de werknemer feitelijk heeft geleden.
enerzijdsde feitelijke situatie waarin de werknemer is komen te verkeren door de opzegging, en
anderzijdsde hypothetische situatie waarin de werknemer zou hebben verkeerd als de onrechtmatige opzegging achterwege zou zijn gebleven. Voor wat betreft de bedoelde hypothetische situatie moet alleen de onrechtmatige opzegging worden ‘weggedacht’; de aan die onrechtmatige opzegging voorafgegane feiten en omstandigheden moeten níet worden weggedacht.
Servicenow-beschikking [67] niet iets anders. In die zaak had de werknemer aanspraak op een billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8, onder c, BW, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. In cassatie was de vraag aan de orde of het hof bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst in aanmerking had moeten nemen. In verband daarmee was opgemerkt dat de korte duur van het dienstverband nu juist een gevolg was van het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever. De Hoge overwoog hierover het volgende: [68]
‘al het ernstige verwijtbare gedrag voorafgaand aan de ontbinding’moet worden weggedacht (s.t. onder 63). Het gaat erom dat in
dezespecifieke zaak de verstoring van de arbeidsrelatie uitsluitend aan de werkgever was te wijten, en dat daarom in de gevalsvergelijking moet worden geabstraheerd van dat ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
New Hairstyle I-beschikking, waarop subonderdeel 2a van het cassatiemiddel berust (namelijk: dat een normatieve gevalsvergelijking moet worden gemaakt, waarbij alle feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de vernietigbaarheid van de opzegging moeten worden weggedacht), onjuist is. Dat betekent dat geen van de klachten van het subonderdeel slaagt.
eerste motiveringsklachtvan subonderdeel 2b (procesinleiding onder 28-29; s.t. onder 81-82) is het oordeel van het hof in rov. 5.18, dat het onaannemelijk is dat aan Werkneemster in een ontbindingsprocedure een billijke vergoeding zou zijn toegekend, omdat dat “
volgt uit hetgeen het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft overwogen over de mate van verwijtbaarheid”, onbegrijpelijk. Dit omdat de rechtsoverwegingen 5.5, 5,6 en 5.7 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich niet anders laten begrijpen dan dat dat hof heeft geoordeeld dat sprake is van een ernstig verwijtbaar ontslag, gelet op de handelwijze van New Hairstyle.
eerste rechtsklachtvan subonderdeel 2b (procesinleiding onder 30; s.t. onder 83-91) wordt aangevoerd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover de overwegingen van het hof zo moeten worden begrepen dat, ondanks wat het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 5.6 en 5.7 van zijn beschikking heeft overwogen, Werkneemster in een hypothetische ontbindingsprocedure geen billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8 onder c, BW zou zijn toegekend omdat zij
een aandeelheeft gehad in de verstoorde arbeidsverhouding. Voor de vraag of een billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8, onder c, BW wordt toegekend, is doorslaggevend of de
werkgeverernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat de werknemer een aandeel heeft gehad in de verstoorde arbeidsrelatie, hoeft daar op zichzelf niet aan in de weg te staan.
tweede motiveringsklachtvan subonderdeel 2b (procesinleiding onder 31; s.t. onder 92) houdt in dat de beslissingen in rov. 5.17 en 5.18 innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat het hof in rov. 5.17 vaststelt dat New Hairstyle ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, terwijl het in 5.18 vaststelt dat dit niet het geval is, waardoor in een hypothetische ontbindingsprocedure geen billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8 onder c, BW zou zijn toegekend.
tweede rechtsklachtvan subonderdeel 2b (procesinleiding onder 32-33; s.t. onder 93-99) laten de overwegingen van het hof in 5.18 zich niet anders begrijpen, dan dat het hof van oordeel is dat
zelfsgeen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever in de zin van art. 7:671b lid 8 sub c BW, wanneer een werkneemster die al 25 jaar in dienst is bij een werkgever en er achtereenvolgens mee geconfronteerd wordt dat:
derde motiveringsklachtvan subonderdeel 2b (procesinleiding onder 33, p. 22; s.t. onder 100) houdt in dat als het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de maatstaf voor ernstige verwijtbaarheid in de zin van art. 7:671b lid 8 sub c BW, onbegrijpelijk is waarom géén sprake is van ernstige verwijtbaarheid.
vierde motiveringsklachtvan subonderdeel (procesinleiding onder 34; s.t. onder 100) houdt ten slotte in dat als de laatste drie volzinnen van rov. 5.12 van de bestreden beschikking zo moeten worden begrepen dat het hof van oordeel is dat wat zich heeft voorgedaan op de dag waarop Werkneemster zich na de opzeggingsbrief weer bij New Hairstyle meldde, niet in de beschouwing kan worden betrokken omdat partijen deze feiten eerder naar voren hadden kunnen en moeten brengen, en dat die beslissing tevens zou zien op de betekenis van die feiten voor de beoordeling van de gevolgen van het ontslag, is die beslissing onbegrijpelijk. Het hof had daarvoor in rov. 5.18 immers juist vastgesteld dat de Hoge Raad partijen op dat punt de gelegenheid heeft gegeven hun stellingen aan te passen.
eerste plaatsis in de
New Hairstyle I-beschikking niets gezegd over het in aanmerking nemen van een hypothetische billijke vergoeding in een hypothetische ontbindingsprocedure. Dit terwijl in die beschikking zeer uitvoerig uiteen is gezet welke gezichtspunten allemaal in aanmerking moeten worden genomen en in dat kader onder meer ook wordt genoemd dat van belang is of aan de werknemer een transitievergoeding toekomt.
tweede plaatsis in de
New Hairstyle I-beschikking niet overwogen dat een vergelijking moet worden gemaakt met de hypothetische situatie waarin de werknemer zou hebben verkeerd als de arbeidsovereenkomst op rechtmatige wijze zou zijn beëindigd; de nadruk ligt, als ik het goed zie, op de vraag
ofin de hypothetische situatie de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze had kunnen worden beëindigd, en
op welke termijndit dan had mogen gebeuren (rov. 3.4.4, laatste alinea). Dit alles omdat bepaald moet worden wat de
waardeis die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had. Maar een eventuele billijke vergoeding die in een hypothetische ontbindinssprocedure zou zijn toegekend, staat in feite los van die waarde.
derde plaatsis van belang dat de mate van verwijtbaarheid van het handelen van de werkgever op grond van de
New Hairstyle I-beschikking sowieso verdisconteerd moet worden in de billijke vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken in het kader van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW (zie hierboven onder 5.12, onder b). Als sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, moet daarmee dus rekening worden gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. Als daarnaast óók beoordeeld zou moeten worden of de werknemer in een hypothetische ontbindingsprocedure aanspraak zou hebben gehad op een hypothetische billijke vergoeding, zou dat betekenen dat in feite twee billijke vergoedingen worden toegekend. Althans, dat in de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW een tweede, hypothetische vergoeding moet worden opgenomen. Dat lijkt mij bepaald niet voor de hand te liggen. Het toch al complexe systeem zou nog complexer worden, ook omdat bij de eerstbedoelde billijke vergoeding
de mate van verwijtbaarheidvan het handelen van de werkgever moet worden betrokken, en bij de tweede (hypothetische) billijke vergoeding vereist is dat sprake is van
ernstigeverwijtbaarheid.
niette beoordelen of Werkneemster in een hypothetische ontbindingsprocedure al dan niet aanspraak had kunnen maken op een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van New Hairstyle. Het hof diende slechts bij zijn oordeel te betrekken – in lijn met de
New Hairstyle I-beschikking – de mate waarin New Hairstyle van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken.
ernstige verwijtbaarheidvan het handelen van New Hairstyle, zodat het schadebedrag (het loon dat Werkneemster is misgelopen) op een hoger bedrag moet worden gesteld (zie onder 2.10, sub xx). Het bedrag waarop het hof dan uitkomt in rov. 5.32, € 4.000,-, is ruim vier maal zo hoog als het schadebedrag (het mislopen loon), dat het hof op € 891,60 heeft becijferd (rov. 5.23).
6.Onderdeel 3
rechtsklachtvan subonderdeel 3a (procesinleiding onder 37; s.t. onder 103-104) houdt in dat het hof met de overweging
“dat New Hairstyle heel wat klanten zal moeten behandelen voor dit bedrag (naast de transitievergoeding) zonder dat zij daarvoor arbeid heeft ontvangen van [Werkneemster]”, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting
.Dit omdat het aantal knipbeurten dat voor het bedrag van € 4.000,- moet plaatsvinden, geen relevant criterium is bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. Het gaat om het bedrag dat nodig is om het ernstig verwijtbare handelen te compenseren.
motiveringsklachtvan subonderdeel 3a (procesinleiding onder 38; s.t. onder 105) is de vaststelling van het hof dat een hogere vergoeding niet in de rede ligt, omdat er tegenover de knipbeurten die nodig zijn om dat bedrag te betalen geen arbeid stond, onbegrijpelijk. Dit in het licht van de overweging van het hof Arnhem-Leeuwarden (rov. 5.8 van die beschikking; rov. 5.11 van de bestreden beschikking), dat aan Werkneemster niet kan worden tegengeworpen dat zij niet heeft gekozen voor vernietiging van de opzegging. Volgens het subonderdeel wordt Werkneemster door het hof ’s-Hertogenbosch alsnog tegengeworpen dat zij niet voor vernietiging heeft gekozen.
(…) het heel kort samengevat in dit geval ‘slechts’ gaat om een situatie waarin geen rechterlijke toets heeft plaatsgevonden van een alleszins te rechtvaardigen eindigen van een arbeidsovereenkomst.”Volgens het subonderdeel getuigt deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het willens en wetens negeren van de wettelijke ontslagregels als ernstig verwijtbaar handelen is aan te merken. Voor zover geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel in elk geval onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling door het hof Arnhem-Leeuwarden dat New Hairstyle willens en wetens de wettelijke ontslagregels heeft overtreden.